Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BV3531

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
07-02-2012
Datum publicatie
09-02-2012
Zaaknummer
11/993507-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(Mede-)plegen overtreding van artikel 9 (verbod op doden beschermde inheemse diersoorten) en 13 ( verbod op bezit, vervoer en handel van beshermde inheemse diersoorten) van de Flora-en faunawet, opzettelijk begaan, gedurende een periode van ruim een jaar. Geen OVAR; artikel 53 van de F lora- en faunawet in dit geval geen lex specialis t.o.v. artikel 9 van de Flora- en faunawet. (Mede-)plegen afleveren en voorhanden hebben van illegale vuurwapens gedurende diezelfde periode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/993507-10 [Promis]

vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 7 februari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1989],

wonende te [adres en woonplaats],

hierna: verdachte.

Raadsman mr. C.C.M. Welten, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 24 januari 2012, waarbij de officieren van justitie mr. R.S. Mackor en mr. E.C. van Nieuwenhuis, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De gedachtestreepjes onder elk feit zijn in dit vonnis omwille van de leesbaarheid door de rechtbank voorzien van nummers. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1:

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 februari 2011 te Nieuw-Lekkerland, Oud-Alblas, Streefkerk en Krimpen aan de IJssel samen met een of meer anderen opzettelijk heeft gehandeld in producten van dieren behorend tot een beschermde inheemse diersoort;

feit 2:

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 februari 2011 in Nederland samen met een of meer anderen opzettelijk dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort heeft gestroopt;

feit 3:

in de periode van 1 september 2010 tot en met 1 februari 2011 te Nieuw-Lekkerland, Oud-Alblas, Papendrecht, Stavenisse, Streefkerk en Maarssen samen met een of meer anderen vuurwapens en munitie heeft overgedragen;

feit 4:

in de periode van 27 september 2010 tot en met 1 februari 2011 te Nieuw-Lekkerland en Oud-Alblas samen met een of meer anderen vuurwapens en munitie voorhanden heeft gehad;

feit 5:

in de periode 27 september 2010 tot en met 1 februari 2011 te Nieuw-Lekkerland samen met een of meer anderen vuurwapens voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder feit 1, eerste en tweede gedachtestreepje, ten laste gelegde (handelen in strijd met het verbod van artikel 13 van de Flora-en Faunawet, hierna : Ffw), wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op de verklaringen van verdachte, getuigenverklaringen en tapgesprekken.

De officier van justitie acht het onder feit 2, onder de gedachtestreepjes 2 en 4 tot en met 8, ten laste gelegde (handelen in strijd met het verbod van artikel 9 Ffw) wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op de verklaringen van verdachte, getuigenverklaringen, het proces-verbaal van inbeslagname van .22 kogelgeweren en het onderzoek van die geweren, het proces-verbaal van doorzoeking van de voertuigen, getapte telefoongesprekken en sms-berichten, zendmastgegevens en de gegevens, verkregen van het aan het voertuig van verdachte geplaatste peilbaken (hierna: bakengegevens).

De officier van justitie acht eveneens het onder feit 3 ten laste gelegde (handelen in strijd met het verbod van artikel 31 van de Wet wapens en munitie; hierna: Wwm), bestaande dit handelen uit de gedragingen zoals omschreven onder de gedachtestreepjes 1 tot en met 5, wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op de verklaringen van verdachte, getuigenverklaringen, de processen-verbaal van het onderzoek naar de wapens,

e-mailberichten, getapte telefoongesprekken en een proces-verbaal van observatie.

De officier van justitie acht het onder feit 4 ten laste gelegde (handelen in strijd met het verbod van artikel 26 Wwm) zoals omschreven onder de gedachtestreepjes 1 tot en met 7, wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op de verklaringen van verdachte, getuigenverklaringen, de processen-verbaal van het onderzoek naar de wapens, het aangetroffen wapen in De Noord, en het proces-verbaal van inbeslagname van die wapens.

De officier van justitie acht het onder feit 5 ten laste gelegde (handelen in strijd met het verbod van artikel 26 Wwm) zoals omschreven onder de gedachtestreepjes 2 en 3, wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat met betrekking tot het 2e gedachtestreepje slechts geldt voor één revolver van dat type. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op de verklaringen van verdachte, de verklaring van zijn medeverdachte, de processen-verbaal van inbeslagname, de foto's van de in deze gedachtestreepjes vermelde wapens en de processen-verbaal van het onderzoek naar de wapens.

De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte de bij feit 1 onder gedachtestreepje 3 en 4 en bij feit 2 onder gedachtestreepje 1 en 3 en bij feit 5 onder gedachtestreepje 1 en 4 tot en met 7 omschreven handelingen heeft gepleegd, nu daarvoor het bewijs ontbreekt. Zij heeft gevorderd verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrij te spreken.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zijn pleidooi onderbouwd met de in de pleitnota opgenomen gronden. Kort samengevat komt het verweer van de verdediging op het volgende neer:

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman vrijspraak bepleit voor de periode van 1 januari 2010 tot medio oktober 2010 nu verdachte heeft verklaard dat de handelingen plaatsvonden in de periode van 10 weken voor kerst en de bij feit 2 ten laste gelegde handelingen, die hebben geleid tot de in feit 1 opgenomen afleveringen, plaatsvonden in die periode. Het afleveren van een meerkoet aan [getuigen 1 en/of 2], zoals opgenomen onder het eerste gedachtestreepje, kan niet worden bewezen omdat [getuige 2] bij het stropen aanwezig was en mogelijk zelf de meerkoet mee naar huis heeft genomen, aldus de raadsman. Ten slotte heeft de raadsman vrijspraak bepleit voor het afleveren van dode dieren aan [getuige 3] en [getuige 4] (gedachtestreepjes 3 en 4), nu het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat verdachte enig aandeel heeft gehad hierbij.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit voor de onder gedachtestreepjes 1 en 3 ten laste gelegde handelingen, nu het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte.

Ten aanzien van gedachtestreepje 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit van het stropen op 16 november 2010, omdat verdachte dit heeft ontkend en die dag, zijn verjaardag, thuis is geweest. Verdachte dient te worden vrijgesproken van de periode voor november 2010 en na november 2010, omdat daarvoor het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman vrijspraak bepleit voor de onder gedachtestreepjes 1 en 5 ten laste gelegde handelingen, nu het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Voor de patronen, genoemd in het 3e gedachtestreepje, geldt dat uit de observaties blijkt dat niet [getuige 5], maar getuige [getuige 6], die een geldige jachtakte heeft, deze in ontvangst heeft genomen. Ten aanzien van het overdragen van munitie aan [getuige 7] (het 4e gedachtestreepje) heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van medeplegen, maar hooguit van medeplichtigheid. Verdachte dient hier derhalve van medeplegen te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman vrijspraak bepleit voor de onder gedachtestreepje 2 ten laste gelegde handeling nu het wettig en overtuigend bewijs daarvoor ontbreekt. Voor wat betreft het onder gedachtestreepjes 5 en 6 ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit nu verdachte wel wist dat zijn neef en medeverdachte [medeverdachte] (ook wel aan te duiden als "[medeverdachte]) een dergelijk wapen voorhanden had, maar niet waar hij dit had verstopt en daarmee het vuurwapen en de daarbij behorende munitie niet voorhanden heeft gehad.

Ten aanzien van feit 5 heeft de raadsman vrijspraak bepleit voor het voorhanden hebben van de onder gedachtestreepjes 4 tot en met 7 bedoelde vuurwapens, nu daarvoor het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Motivering bewezenverklaarde

De rechtbank heeft acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, zoals opgenomen in de bijlage, welke aan dit vonnis is gehecht.

feit 1:

Op basis van de uit de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte in de periode van 1 oktober 2010 tot 1 februari 2011, te Nieuw-Lekkerland, Oud-Alblas (gemeente Graafstroom) en Streefkerk (gemeente Liesveld) samen met anderen opzettelijk producten van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort heeft afgeleverd en deze daartoe heeft vervoerd, onder zich gehad en verworven.

Dit heeft hij gedaan door samen met een of meer anderen dode reeën, wilde eenden, fazanten en ganzen af te leveren bij [getuigen 1 en/of 2] in Oud-Alblas (1e gedachtestreepje) en hazen af te leveren aan [getuige 7] in Streefkerk (2e gedachtestreepje). De rechtbank merkt hierbij op dat in de Flora-en Faunawet dieren worden aangemerkt als producten van dieren. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte een meerkoet heeft afgeleverd aan [getuige 1] en/of [getuige 2] (1e gedachtestreepje), nu [getuige 2] bij die stroperij aanwezig is geweest en niet duidelijk is geworden welke betrokkenheid verdachte heeft gehad bij het meenemen van de dode meerkoet.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank bovendien slechts een aanzienlijk kortere periode, namelijk vanaf 1 oktober 2010 tot 1 februari 2011 bewezen, nu de handelingen die onder de gedachtestreepjes ten laste zijn gelegd in dit tijdsbestek hebben plaatsgevonden.

[medeverdachte] heeft bovendien verklaard dat de handelingen plaatsvonden in de periode van 10 weken voor Kerstmis 2010. De rechtbank begrijpt dit als de periode vanaf begin oktober 2010. Ondersteunende bewijsmiddelen voor een langere periode ontbreken. Tevens acht de rechtbank niet bewezen dat de feiten plaatsvonden tot en met 1 februari 2011, nu de aanhouding van verdachte plaatsvond in de ochtend van 1 februari 2011.

Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank ten slotte van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte betrokken was bij het afleveren van dode dieren aan [getuige 3], [getuige 4] en/of [getuige 8], zoals opgenomen onder gedachtestreepje 3 en 4, en spreekt verdachte daarvan vrij.

feit 2:

Op basis van de uit de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2010 tot 1 februari 2011 in Nederland samen met een of meer anderen, dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort heeft gedood en bemachtigd.

Dit heeft hij gedaan door in de periode van 1 januari 2010 tot 1 februari 2011 met een of meer anderen in het Nationaal park De Biesbosch reeën en op 18 november 2010 hazen dood te schieten (2e gedachtestreepje). Samen met een ander heeft hij op 5 december 2010 in Graafstroom, Papendrecht en Sliedrecht wilde eenden dood geschoten

(4e gedachtestreepje). Samen met anderen heeft hij op 11 december 2010 in Nieuw-Lekkerland fazanten en eenden dood geschoten (5e gedachtestreepje). Op 18 en/of 19 december 2010 is hij samen met een ander op strooptocht geweest in Papendrecht, Sliedrecht, Hardinxveld-Giessendam, Giessenlanden, Liesveld en Graafstroom en heeft hij hazen doodgeschoten (6e gedachtestreepje). Op 22 december 2010 heeft hij in Goudriaan samen met een of meer anderen een fazant en konijnen doodgeschoten (7e gedachtestreepje) en ten slotte heeft hij samen met een ander op 10 januari 2011 in het Nesserbos een fazant doodgeschoten (8e gedachtestreepje).

Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte betrokken was bij de handelingen zoals opgenomen onder gedachtestreepjes 1 en 3, en spreekt verdachte daarvan vrij.

feit 3:

Op basis van de uit de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte in de periode van 1 september 2010 tot 1 februari 2011 te Nieuw-Lekkerland en Papendrecht met anderen of alleen meermalen een vuurwapen en munitie heeft overgedragen.

Dit heeft hij gedaan door samen met een ander een kogelgeweer van het merk Anschütz, kaliber .22LR over te dragen aan [getuige 8] (2e gedachtestreepje), alleen een hagelgeweer met bijbehorende munitie (merk Husqvarna, kaliber .12) over te dragen aan [getuige 5]

(3e gedachtestreepje), en met een ander hagelpatronen (kaliber .12) over te dragen aan [getuige 7] (4e gedachtestreepje).

Met betrekking tot het 4e gedachtestreepje acht de rechtbank bewezen dat er sprake is van medeplegen, nu uit de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] naar voren komt dat verdachte toestemming gaf voor het verschaffen van de munitie en heeft gezegd waar de medeverdachte deze kon vinden.

De rechtbank acht ook het overdragen van hagelpatronen (kaliber.16) aan [getuige 9]

(5e gedachtestreepje) bewezen, niet alleen omdat zulke patronen in verdachtes woning zijn aangetroffen, maar ook omdat Koopman dit zelf verklaart en er e-mail verkeer tussen hem en verdachte is dienaangaande.

Anders dan de raadsman, acht de rechtbank bewezen dat verdachte ook munitie aan [getuige 5] heeft overgedragen. Niet alleen heeft Priem dit verklaard; in de mailwisseling tussen verdachte en Priem biedt verdachte deze munitie duidelijk aan aan Priem en was daarmee dus voor Priem bestemd. Of nu Priem zelf, of degene die hem vergezelt, de munitie in ontvangst neemt, doet onder die omstandigheden niet zoveel terzake.

De rechtbank acht met de raadsman niet bewezen dat verdachte (met anderen) een kogel-hagelgeweer (type Flobert, kaliber.9) aan [getuige 1] heeft overgedragen (1e gedachtestreepje), nu hiervoor het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

feit 4:

Op basis van de uit de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte samen met een ander in de periode van 27 september 2010 tot en met 1 februari 2011 meermalen een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.

Dit voorhanden hebben bestaat hierin dat hij de beschikking heeft gehad over een kogelgeweer van het merk Anschütz, kaliber .22 L (1e gedachtestreepje), een hagelgeweer van het merk Nemrod, kaliber .20 (2e gedachtestreepje) en twee kogelgeweren van het merk TOZ, kaliber .22 (3e en 4e gedachtestreepje). Verdachte heeft tenslotte zelf thuis kogel- en hagelpatronen kaliber .458, .9, .6 en .16 voorhanden gehad.

Anders dan de raadsman heeft aangevoerd acht de rechtbank bewezen dat verdachte een hagelgeweer van het merk Carrero & Astelarra, kaliber .20 (5e gedachtestreepje) voorhanden heeft gehad. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ervan wist dat [medeverdachte] het wapen in de watertoren bewaarde. Deze watertoren was hun gezamenlijk eigendom waarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende beschikkingsmacht over het wapen verondersteld mag worden. Nu niet is gebleken dat verdachte wist van de munitie die [medeverdachte] bewaarde in de watertoren, spreekt de rechtbank verdachte daarvan vrij.

feit 5:

Op basis van de uit de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte samen met een ander meermalen vuurwapens voorhanden heeft gehad.

Dit voorhanden hebben bestaat hieruit dat verdachte in de periode van 27 september 2010 tot en met 1 februari 2011 te Nieuw-Lekkerland samen met medeverdachte een Nagant revolver en een FN-Herstal pistool in zijn bezit had en in de kelder bij zijn oma in Nieuw- Lekkerland bewaarde. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij samen met [medeverdachte] de wapens in de kelder bij oma had gelegd.

De wapens zijn in het strafrechtelijk onderzoek niet boven water gekomen. Van de Nagant revolver en het FN-Herstal pistool zijn wel foto's gemaakt. Aan de hand daarvan kon worden vastgesteld wat voor soort wapens het betrof en onder welke categorie deze vielen.

De rechtbank acht met de officier van justitie niet bewezen dat verdachte de wapens zoals opgesomd onder het 1e en 4e tot en met 7e gedachtestreepje voorhanden heeft gehad. Medeverdachte en neef [medeverdachte] heeft daarover weliswaar verklaard, maar deze wapens zijn niet teruggevonden en er is ook geen nadere informatie over voorhanden. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld of dit wapens zijn als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie II en of III van de Wet wapens en munitie.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vermelde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 oktober 2010 tot 1 februari 2011

te Nieuw-Lekkerland en te Oud-Alblas, gemeente Graafstroom en te

Streefkerk, gemeente Liesveld

tezamen en in vereniging met anderen, ,

meermalen,

opzettelijk,

een of meer producten van dieren

(telkens) behorende tot een beschermde inheemse diersoort,

heeft aangeboden en

heeft afgeleverd aan

(1)- [getuige 1] en/of [getuige 2], wonende te [plaats], te weten

reeën en wilde eenden en fazanten

enganzen

en

(2)- [getuige 7], wonende te [plaats], te weten hazen

en voornoemde producten van dieren heeft

vervoerd en onder zich heeft gehad en heeft verworven

;

2.

in de periode van 1 januari 2010 tot 1 februari 2011,

in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), ,

opzettelijk,

dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort

heeft gedood en bemachtigd, door met

een vuurwapen en/of een luchtdrukwapen, op deze te schieten,

te weten

)

(2)- (meermalen) in de periode 1 januari 2010 tot 1 februari 2011

inhet Nationaal Park De Biesbosch, , reeën enhazen,

en

(4)- op 5 december 2010 te Graafstroom en/of te Papendrecht en/of te

Sliedrecht wilde eenden

en

(5) - op 11 december 2010 te Nieuw-Lekkerland

fazanten en wilde eenden

en

(6)- op 18 en/of 19 december 2010 te

Papendrecht en/of te Sliedrecht en/of te Hardinxveld-Giessendam en/of te

Giessenlanden en/of te Liesveld en /of te Graafstroom

hazen

en

(7)- op 22 december 2010 te Goudriaan en inhet Alblasserbos, gemeente

Papendrecht, fazant(en) en konijnen

en

(8)- op 10 januari 2011 in het Nesserbos, gemeente

Graafstroom, een fazant

3.

in de periode van 1 september 2010 tot 1 februari

2011 te Nieuw-Lekkerland en te

Papendrecht

tezamen en in vereniging met (een) ander althans alleen,

,

(telkens)

een vuurwapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie

III,

en

munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2, categorie III, van de Wet

wapens en munitie,

heeft overgedragen,

te weten

(1)-

(2)- een kogelgeweer (merk Anschütz, kaliber .22LR) aan [getuige 8],

en

(3)- een hagelgeweer (merk Husqvarna, kaliber .12) en

patronen (kaliber .12) aan [getuige 5],

en

(4)- hagelpatronen (kaliber .12) aan [getuige 7],

en

(5)- hagelpatronen (kaliber .16) aan [getuige 9];

4.

in de periode van 27 september 2010 tot en met 1 februari

2011 te Nieuw-Lekkerland

tezamen en in vereniging met (een)ander, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens)

een vuurwapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie

III,

en

munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2, categorie III, van de Wet

wapens en munitie,

voorhanden heeft gehad,

te weten

(1)- een kogelgeweer (merk Anschütz, kaliber .22LR)

en

(2)- een hagelgeweer (merk Nemrod, kaliber .20)

en

(3)- een kogelgeweer (merk TOZ, kaliber .22LR, wapennummer AAN6570)

en

(4)- een kogelgeweer (merk TOZ, kaliber .22LR, wapennummer 9312)

en

(5)- een hagelgeweer (merk Carrero & Astelarra, kaliber .20)

en

(7)- kogel- en/of hagelpatronen (kaliber .458 en kaliber

.9 en kaliber .6 en kaliber .16);

5.

in de periode van 27 september 2010 tot en met 1 februari

2011 te Nieuw-Lekkerland

tezamen en in vereniging met een ander,

meermalen,

(telkens)

een (vuur)wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie

III, van de Wet wapens en munitie,

voorhanden heeft gehad,

te weten

(2)- een Nagant revolver

en

(3)- een FN-Herstal pistool

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte voor feit 2 ten aanzien van het doden van wild (haas, fazant, wilde eend en konijn) dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie voor vervolging wegens artikel 53 van de Ffw had moeten kiezen, nu verdachte in het bezit is van een jachtakte en artikel 53 van de Ffw hier als lex specialis (bijzondere wetsbepaling) geldt ten opzichte van artikel 9 van de Ffw.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 9 van de Ffw is een algemeen verbod op (onder andere) het doden van dieren, behorend tot een beschermde inheemse diersoort opgenomen. In artikel 31 van de Ffw wordt bepaald dat in afwijking van het bepaalde in artikel 9 het is toegestaan te jagen op wild voorzover dit geschiedt in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de artikelen 15a, 15b en 32 tot en met 59 van de Ffw (titel II). Zo dient de jager in zowel publiekrechtelijke zin (artikel 38 e.v. van de Ffw) als in privaatrechtelijke zin (artikel 33 van de Ffw) gerechtigd zijn te jagen. Artikel 53 van de Ffw behelst een aantal specifieke verboden voor degene, die het in beginsel dus is toegestaan te jagen. Hoewel uit het onderzoek ter zitting en het dossier naar voren komt, dat verdachte zich in meerdere opzichten niet gehouden heeft aan de in artikel 53 van de Ffw genoemde verboden (bijvoorbeeld het 's nachts stropen, in de sneeuw en met niet geoorloofde middelen), is dat niet het materiële verwijt dat verdachte gemaakt wordt, dat is namelijk het stropen op zichzelf. Op deze materiële gedraging ziet artikel 53 van de Ffw niet, zodat laatstgenoemde bepaling niet een bijzondere vorm van artikel 9 van de Ffw inhoudt. Reeds hierom is er in dit geval geen sprake van een lex generalis-lex specialis verhouding.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de officier van justitie, die overigens in beginsel steeds vrij is in deze keuze, ook in dit geval voor vervolging op grond van artikel 9 van de Ffw mocht kiezen, nu in geen van de onderzochte gevallen gezegd kan worden dat het verdachte op grond van artikel 31 van de Ffw was toegestaan te jagen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte weliswaar een jachtakte had, en daarmee in publiekrechtelijke zin op grond van artikel 38 van de Ffw gerechtigd was te jagen, maar ook dat verdachte in privaatrechtelijke zin alleen gerechtigd was te jagen op het jachtveld van [getuige 7]. Blijkens het dossier ligt dit jachtveld in het gebied achter diens woning in [plaats] en achter zijn bedrijf op de [straatnaam] in Nieuw-Lekkerland. De strooptochten in kwestie hebben steeds plaatsgevonden op andere dan genoemde terreinen.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten, levert het bewezenverklaarde op:

Feit 1:

MEDEPLEGEN VAN OVERTREDING VAN EEN VOORSCHRIFT, GESTELD BIJ OF KRACHTENS ARTIKEL 13, EERSTE LID, VAN DE FLORA- EN FAUNAWET, OPZETTELIJK BEGAAN, MEERMALEN GEPLEEGD;

Feit 2:

MEDEPLEGEN VAN OVERTREDING VAN EEN VOORSCHRIFT, GESTELD BIJ OF KRACHTENS ARTIKEL 9 VAN DE FLORA-EN FAUNAWET, OPZETTELIJK BEGAAN, MEERMALEN GEPLEEGD;

Feit 3:

MEDEPLEGEN VAN HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 31, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE, BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN VUURWAPEN VAN CATEGORIE III;

en

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 31, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE, BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN VUURWAPEN VAN CATEGORIE III;

en

MEDEPLEGEN VAN HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 31, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE;

en

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 31, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE, MEERMALEN GEPLEEGD;

Feit 4:

MEDEPLEGEN VAN HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE, BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN VUURWAPEN VAN CATEGORIE III, MEERMALEN GEPLEEGD;

en

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE;

Feit 5:

MEDEPLEGEN VAN HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE, BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN VUURWAPEN VAN CATEGORIE III, MEERMALEN GEPLEEGD.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft ontslag van rechtsvervolging bepleit ten aanzien van het overdragen van een Husqvarna hagelgeweer aan [getuige 5] (feit 3, derde gedachtestreepje). De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat er sprake is van een verontschuldigbare rechtsdwaling bij verdachte. Verdachte kon niet weten dat het wapen niet was vrijgesteld, omdat er was geknoeid met het serienummer. Hij heeft onderzoek gedaan naar het wapen en heeft op basis van het vervalste nummer geconcludeerd dat het een vrijgesteld wapen was. Pas na diepgravend onderzoek van een deskundige bleek dat het serienummer niet klopte en het wapen was vrijgesteld.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat verdachte tegenover de politie heeft verklaard dat hij wist dat vuurwapens van het merk Husqvarna slechts waren vrijgesteld voor zover deze waren geproduceerd vóór 1945, en dat dit kon worden afgeleid uit het serienummer. Verdachte heeft in zijn mailwisseling met Priem geschreven dat het wapen uit de jaren 50 afkomstig was. In het licht van zijn zojuist aangehaalde verklaring moet hij dus hebben geweten dat het wapen niet was vrijgesteld. De rechtbank verwerpt het verweer.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest.

Zij heeft zich terzake de aangevoerde vormverzuimen op het standpunt gesteld dat het om een zeer beperkt aantal geheimhoudersgesprekken gaat, die bovendien niet richtinggevend zijn geweest voor het strafrechtelijk onderzoek en dat er geen sprake is van het achterhouden van ontlastend materiaal, nu het proces-verbaal van 14 april 2011 bij eerstvolgende raadkamer is overgelegd aan de verdediging.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat twee geheimhoudersgesprekken niet tijdig zijn vernietigd. Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Door dit verzuim is een voorschrift geschonden dat zag op de bescherming van de belangen van de verdachte.

Voorts heeft de raadsman bepleit dat pas uit de rapportage van 14 april 2011 blijkt dat het Husqvarna geweer vrijgesteld was, terwijl uit diezelfde rapportage blijkt dat de onderzoeker al op 2 februari 2011 tot de (andersluidende) conclusie kwam dat het wapen was vrijgesteld. Tot 14 april 2011 moet het Openbaar Ministerie al er vanuit gegaan zijn dat het wapen vrijgesteld was, maar heeft dit - ondanks verzoeken van de verdediging in die richting en terwijl verdachte in voorlopige hechtenis verbleef - verzuimd tijdig als ontlastend bewijsmateriaal in te brengen. Dit levert eveneens een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

De raadman heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vormverzuimen dienen te leiden tot strafvermindering.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de voorlopige hechtenis lang heeft geduurd, ingrijpend is geweest en heeft geleid tot aanzienlijk omzetverlies voor het eigen bedrijf van zijn cliënt. Bovendien worden voor zaken, omvangrijker als deze, veelal voorwaardelijke straffen en werkstraffen opgelegd, aldus de raadsman.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft met anderen gedurende de periode van ruim een jaar met enige regelmaat gestroopt, waarbij soms een behoorlijke hoeveelheid dieren werd gedood en, met name in de tijd voor kerst, aan anderen afgeleverd. Om te kunnen stropen zorgde verdachte ervoor dat hij wapens voorhanden had. Verdachte heeft zich echter niet beperkt tot het voorhanden hebben van wapens om te stropen, maar heeft meerdere vuurwapens aangeschaft en deze in bezit gehouden, dan wel doorverkocht. Uit het dossier blijkt dat verdachte in de meeste gevallen zelf het initiatief nam tot wapenkoop en -verkoop, terwijl medeverdachte [medeverdachte] ([voornaam medeverdachte]) de aanschaf van de wapens betaalde. Zoals [medeverdachte] heeft verklaard is het stropen en het vuurwapenbezit in de periode tot de aanhouding op 1 februari 2011, uit de hand gelopen.

Verdachte heeft door zo te handelen onvoldoende respect voor de natuur getoond, noch blijk gegeven van verantwoordelijkheidsbesef voor het belang van de samenleving bij een zekere stand van beschermde inheemse diersoorten. Verdachte heeft er bovendien geen rekening mee gehouden dat de illegale vuurwapens en munitie die hij thuis bewaarde, ook toegankelijk waren voor de andere (jongere) gezinsleden en daardoor een gevaar vormden.

De rechtbank heeft wat de persoon van de verdachte betreft gelet op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 29 november 2011. Uit dit uittreksel blijkt dat verdachte niet eerder in aanraking is gekomen met justitie. De rechtbank zal dit in strafverminderende zin meewegen bij het bepalen van de strafmaat.

De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 22 april 2011, waarin wordt geadviseerd om een (gedeeltelijk -welk gedeelte zo groot mogelijk dient te zijn-) voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd op te leggen.

Ten aanzien van het verweer van de raadsman met betrekking tot de late vernietiging van de geheimhoudersgesprekken overweegt de rechtbank het volgende.

Het in artikel 126aa, tweede lid, Wetboek van Strafvordering vervatte voorschrift van - kort gezegd - vernietiging van vertrouwelijke gesprekken, beoogt het belang te beschermen dat eenieder de mogelijkheid heeft om vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen aan een geheimhouder wordt toevertrouwd, een geheimhouder te raadplegen. Het belang van bescherming van het verschoningsrecht is absoluut. Verdachte moet er vanuit kunnen gaan dat telefoongesprekken met een geheimhouder in vrijheid kunnen worden gevoerd. Als deze afgeluisterd worden dienen de bewuste opgenomen gesprekken derhalve terstond worden vernietigd. Dit is niet gebeurd, en verdachte is daarmee naar het oordeel van de rechtbank per definitie in zijn belang geschaad, ook al gaat het maar om in totaal twee gesprekken. Dit is een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering. Nu de rechtbank uit het terzake opgemaakte proces-verbaal echter tevens is gebleken dat het onderzoeksteam geen kennis heeft genomen van de inhoud van deze gesprekken en deze derhalve niet richtinggevend geweest kunnen zijn voor het strafrechtelijk onderzoek, is de schade beperkt gebleven. De rechtbank zal dan ook een korting van 5% toepassen op de op te leggen uren werkstraf (zie hierna).

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van de officier van justitie heeft gelegen om de bevindingen van de wapendeskundige ten aanzien van het Husqvarna-geweer in het dossier te voegen op het moment dat deze bekend werden. Kennelijk was het oordeel van de deskundige, dat aanvankelijk in het voordeel van verdachte was, al op 2 februari 2011 gevormd, maar werd dit aanvankelijke oordeel eerst bij het verschijnen van het proces-verbaal van 14 april 2011 bekend gemaakt. De rechtbank zal hieraan evenwel geen gevolgen verbinden, nu niet aannemelijk is dat de voorlopige hechtenis een ander verloop zou hebben gehad indien het oordeel over één van de wapens in kwestie eerder bekend zou zijn geweest. Bovendien is het ontlastende karakter van het oordeel achterhaald met het verschijnen van het proces-verbaal van 14 april 2011, dat wel belastend was voor verdachte.

De rechtbank laat in het voordeel van verdachte tevens meewegen dat verdachte steeds meer, en zeker ter terechtzitting, blijk heeft gegeven van inzicht in zijn handelen, en dit niet - zoals door de officier van justitie betoogd - gebagatelliseerd. De rechtbank acht van belang dat zij bij geen van de bewezen verklaarde feiten een commercieel oogmerk heeft kunnen vaststellen. Van grootschalige handel in wild of wapens is, anders dan gesteld of gesuggereerd door het openbaar ministerie, bovendien niet gebleken.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een lagere vrijheidsbenemende straf op zijn plaats dan door de officier van justitie is gevorderd. Meer in het bijzonder ziet de rechtbank geen noodzaak verdachte "terug te sturen naar de gevangenis". Zij zal een gevangenisstraf van 270 dagen, waarvan 91 dagen voorwaardelijk opleggen. Dit voorwaardelijk deel van de straf heeft als doel verdachte ervan te doordringen dat hij in de toekomst geen strafbare feiten zal plegen. De rechtbank zal de lengte van de proeftijd vaststellen op twee jaren. Daarnaast acht de rechtbank in beginsel een werkstraf van 120 uren passend en geboden. Zij zal deze met toepassing van voornoemde korting opleggen voor de duur van 114 uren, subsidiair 57 dagen vervangende hechtenis.

8 Het beslag

8.1 De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan de verdachte, omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8.2 De verbeurdverklaring

De rechtbank acht de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring. Gebleken is dat deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en de feiten zijn begaan of voorbereid met behulp van deze voorwerpen.

Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd acht de rechtbank de bij verdachte in beslag genomen Volkswagen kenteken [kenteken] reeds niet vatbaar voor verbeurdverklaring, nu de precieze waarde daarvan onduidelijk is en de rechtbank derhalve niet kan bepalen in welke zin een eventuele verbeurdverklaring daarvan als straf zou kunnen worden aangemerkt. Deze auto dient aan verdachte te worden teruggegeven.

8.3 De onttrekking aan het verkeer

De rechtbank acht de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en de feiten zijn begaan of voorbereid met behulp van deze voorwerpen.

9 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen berusten op de artikelen 9 en 13 van de Ffw, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, de artikelen 9, 14a, 14b,14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 31 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen op de wijze als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 270 dagen, waarvan 91 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 114 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 57 dagen;

- gelast de teruggave aan veroordeelde van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn vermeld achter de nrs. 1, 3, 9, 10, 11, 23, 39, 40;

- verklaart verbeurd het voorwerp dat op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst is vermeld achter nr.14.

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde in beslag genomen voorwerpen, vermeld achter de nrs. 7, 8, 13, 27, 30, 31, 33, 38, 43, 44.

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis dat bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C. van Walree, voorzitter, mr. G.J. Schiffers-Hanssen en mr. F.J. Koningsveld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Z.J. Boer-Westland, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2012.

Mr. F.J. Koningsveld, voornoemd, is door afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Parketnummer: 11/993507-10

Vonnis d.d. 7 februari 2012