Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:BV2017

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
26-01-2012
Datum publicatie
26-01-2012
Zaaknummer
11/860453-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Huiselijk geweld tegen echtgenote. Geen opzet op doden. Dubbele grondslagleer ten aanzien van bewezenverklaring. I.v.M. duur en sadistische aard hogere straf dan gevorderd. I.v.m. herhalingsgevaar langere proeftijd dan gevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/860453-11 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 januari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] (voormalig Joegoslavië) op [1970],

wonende te [adres en woonplaats],

hierna: verdachte.

Raadsman mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 januari 2012, waarbij de officier van justitie mr. M.P.M. Reinders, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1:

(primair):

op 9 juli 2011 te Gorinchem een poging heeft gedaan zijn echtgenote opzettelijk al dan niet met voorbedachte rade van het leven te beroven;

(subsidiair):

op 9 juli 2011 te Gorinchem zijn echtgenote heeft mishandeld;

feit 2:

op 15 juli 2011 te Gorinchem zijn echtgenote heeft mishandeld;

feit 3:

in de periode van 1 juni 2010 tot en met 1 september 2010 te Gorinchem zijn echtgenote heeft mishandeld.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1. primair ten laste gelegde feit niet bewezen en heeft gevorderd verdachte daarvan vrij te spreken.

De officier van justitie acht het onder 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op de aangifte van [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer), de aanvullende verklaring van het slachtoffer bij de rechter-commissaris en de verklaringen van verdachte.

De officier van justitie acht het onder 2 ten laste gelegde ook wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op de aangifte van het slachtoffer, de medische verklaringen en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting.

De officier van justitie acht het onder 3 ten laste gelegde eveneens wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op de aangifte van het slachtoffer, de getuigenverklaringen en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor zover het de bewezenverklaring betreft van de feiten 2 en 3.

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Verdachte heeft niet het opzet gehad om zijn vrouw om het leven te brengen, ook niet in voorwaardelijke zin: hij heeft niet welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat door zijn handelen zijn echtgenote om het leven zou komen. Nog afgezien daarvan zijn de ten laste gelegde handelingen te omslachtig om daardoor iemand van het leven te beroven, aldus de raadsman.

Nu de verklaringen van het slachtoffer en verdachte uiteenlopen over het onder water duwen van het slachtoffer, is volgens de raadsman aanvullend bewijs nodig om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Uit vaste jurisprudentie blijkt, zo heeft de raadsman betoogd, dat het daarbij moet gaan om bewijsmiddelen voor de kern van het bewezenverklaarde. Het aangetroffen ducktape vormt onvoldoende aanvullend bewijs voor het onder water duwen van het slachtoffer. Wel kan worden bewezen dat het slachtoffer door de verdachte is mishandeld. Dit blijkt ook uit de medische verklaring.

Tot slot heeft de raadsman betoogd dat niet bewezen kan worden dat verdachte zijn echtgenote krachtig met haar hoofd en/of gezicht tegen de plavuizen heeft gegooid en/of geduwd en haar in/tegen het gezicht/hoofd heeft gestompt en/of geslagen. Er is immers geen letsel op het hoofd van het slachtoffer aangetroffen, terwijl dit wel te verwachten valt.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Motivering vrijspraak

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het onder 1. primair ten laste gelegde feit. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het bewijs ontbreekt dat verdachte zelfs maar in voorwaardelijke zin opzet heeft gehad op het doden van zijn echtgenote.

4.3.2 Motivering bewezenverklaarde

De rechtbank heeft acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal van politie wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Feit 1 (subsidiair):

Het proces-verbaal van aangifte, nummer PL1840 2011674065-1 opgenomen in het proces-verbaal met dossiernummer PL1820 2011674065, van politie regio Zuid-Holland-Zuid, inhoudende als - zakelijk weergegeven - verklaring van het slachtoffer:

In de nacht van 8 op 9 juli 2011 rond 24.00 uur ben ik met de auto gevlucht naar de parkeerplaats bij de Merwedonk te Gorinchem. Later die nacht kwam [verdachte] naar mij toe en sleurde mij aan mijn haren uit de auto.

Hij zei toen ook dat hij mij kapot zou maken.

Vervolgens zijn wij naar onze woning gereden aan de [adres] te Gorinchem.

Hij heeft de deur van onze woning opengedaan en mij naar binnen geduwd. Toen wij binnen waren heeft hij de deur afgesloten door middel van de sleutels en grendels. Hij heeft mij vervolgens naar boven geschopt.

Hij heeft mij toen geslagen zodat ik op de grond viel. Vervolgens ging hij met zijn knie op mijn rug zitten en tapete mijn polsen achter mijn rug vast met ducktape. Ook mijn enkels werden aan elkaar vast getaped en ook mijn mond werd afgeplakt. Ik lag toen op de vloer van de badkamer.

Hij pakte mij bij mijn haar en stompte (de rechtbank vat dit op als 'duwde') mij herhaaldelijke malen met mijn hoofd op de plavuizen van de badkamer, hierdoor kreeg ik pijn in mijn hoofd.

Vervolgens heeft hij mij opgetild en in het bad gewerkt.

Hij deed toen de koude kraan aan en deed de stop van het bad dicht. Het bad liep vol.

Op een gegeven moment duwde hij mijn hoofd onder water, ik denk dat dit ongeveer vijf seconden duurde. Ik kreeg op dat moment geen adem.

[verdachte] heeft mijn hoofd een keer of vijf, wederom gedurende ongeveer vijf seconden, onder water geduwd.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 januari 2012, inhoudende -zakelijk weergegeven:

Het klopt wat mijn vrouw in haar aangifte heeft verklaard over dit feit.

Het proces-verbaal van bevindingen, nummer PL1820 2011674065-4 opgenomen in het proces-verbaal met dossiernummer PL1820 2011674065, van politie regio Zuid-Holland-Zuid, inhoudende - zakelijk weergegeven - als omschrijving van letsel geconstateerd op 19-7-2011:

Foto 4 en 6. Te zien is dat het been net boven de enkel tevens verdikt is hier een bloeduitstorting zit met een blauw/groene kleur. Door aangeefster werd aangegeven dat dit niet is gekomen door de laatste mishandeling, maar van een eerdere mishandeling.

Foto 8 en 10 hierop zijn meerdere rode plekken op de huid te zien. Door aangeefster werd aangegeven dat zij eerder op haar bovenrug (de rechtbank leest:) schaafwonden had opgelopen doordat zij over de grond werd gesleept door verdachte. Door aangeefster werd aangegeven dat dit al langer geleden is.

Op basis van de uit de bovenstaande bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 9 juli 2011 zijn echtgenote achterna is gegaan en haar met geweld heeft meegenomen naar huis. Eenmaal thuisgekomen heeft hij haar geslagen, haar met geweld naar de badkamer gebracht en haar aldaar vastgebonden. Daar heeft hij haar met haar hoofd op de plavuizen geduwd.

Vervolgens heeft hij haar in vastgebonden toestand in de badkuip gelegd, de kraan aangezet en de stop in het bad gedaan, zodat de badkuip volliep met water. Daarna heeft hij haar hoofd enkele malen onder water geduwd en tevens water in haar gezicht gesproeid, waarvan verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat het ging om 'een pesterij'.

Dat, zoals door de verdediging is aangevoerd, verdachte alleen water in het gezicht van het slachtoffer heeft gesproeid, acht de rechtbank niet aannemelijk. Waar de verdediging heeft betoogd dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de bewijsrechtelijke eis van dubbele bevestiging betrekking heeft op 'de kern van het bewezenverklaarde', ziet zij eraan voorbij dat de bewijsminimumvoorschriften de (tenlastelegging en) bewezenverklaring in haar geheel betreffen en niet elk onderdeel daarvan.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte het slachtoffer, toen zij op de grond lag, in het gezicht of tegen het hoofd heeft gestompt.

Feiten 2 en 3:

De rechtbank acht het onder 2 en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- het proces-verbaal van aangifte, nummer PL1840 2011674065-1 in het proces-verbaal met dossiernummer PL1820 2011674065, van politie regio Zuid-Holland-Zuid, inhoudende als verklaring van het slachtoffer;

- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 12 januari 2012;

- het proces-verbaal van bevindingen, nummer PL1820 2011674065-4 opgenomen in het proces-verbaal met dossiernummer PL1820 2011674065, van politie regio Zuid-Holland-Zuid, inhoudende - zakelijk weergegeven - de omschrijving van letsel geconstateerd op 19-7-2011.

De rechtbank volstaat wat betreft de feiten 2 en 3 met de hierboven weergegeven opsomming van de bewijsmiddelen, omdat verdachte het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging heeft bekend, zodat de situatie bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zich voordoet.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor onder 4.3.2. vermelde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

subsidiair:

op 09 juli 2011 te Gorinchem opzettelijk mishandelend zijn

echtgenote, te weten [slachtoffer],

- (krachtig)(aan het haar) uit een personenvoertuig heeft

gesleurd en

- (dreigend) de woorden heeft toegevoegd dat hij, verdachte, haar kapot zou

maken, en

(vervolgens)

- de (echtelijke) woning in heeft geduwd en opgesloten en/ (vervolgens)

-heeft geslagen

tegen het lichaam (waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen)

en (vervolgens)

-tegen de grond heeft gedrukt en gehouden en (vervolgens)

-met (duck)tape heeft vastgebonden, dat hij,verdachte, ook over haar mond

deed en (vervolgens)

-(terwijl zij op de grond lag)met haar hoofd

tegen de plavuizen heeft geduwd en (vervolgens)

-(vastgebonden) in een badkuip heeft neergelegd en (vervolgens)

-de kraan van die badkuip heeft aangezet, waardoor die badkuip volliep met

(koud) water en (vervolgens)

-meerdere malen, onder water heeft geduwd en

onder water heeft gehouden (waardoor die [slachtoffer] niet meer kon ademen),

waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

omstreeks 15 juli 2011 te Gorinchem opzettelijk mishandelend zijn,

verdachtes, echtgenote, te weten [slachtoffer], meerdere

malen (krachtig) heeft geschopt en geslagen tegen het

hoofd en het (onder)lichaam, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn

heeft ondervonden;

3.

in de periode van

1 juni 2010 tot en met 1 september 2010 te Gorinchem opzettelijk mishandelend zijn,

verdachtes, echtgenote, te weten [slachtoffer],

-heeft vastgebonden met (duck)tape, dat hij, verdachte, ook over haar mond

deed en

-meerdere malen, (krachtig) heeft geschopt en gestompt

en geslagen tegen/op het lichaam, waardoor deze letsel heeft bekomen en

pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 subsidiair, 2 en 3 telkens:

MISHANDELING, BEGAAN TEGEN ZIJN ECHTGENOOT.

6 De strafbaarheid van de verdachte

6.1 Het rapport van de deskundige

Uit het door drs. R.K.F. Lemmens, psycholoog over verdachte uitgebrachte rapport van 2 november 2011 komt onder meer het navolgende naar voren:

Betrokkene lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline kenmerken. Deze gebrekkige ontwikkeling was aanwezig en actueel tijdens het plegen van het tenlastegelegde en beïnvloedde onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde en wel zodanig dat deze mede daaruit verklaard kunnen worden.

Betrokkene heeft beperkte vermogens tot het herkennen, begrijpen en meevoelen van andermans gevoelsleven. In die relationele dynamiek beschikt betrokkene niet over de inzichten en vaardigheden die conflicten in een andere, meer positieve en minder schadelijke richting zouden kunnen leiden. Betrokkene beschikt tot op bepaalde hoogte over kennis en inzicht in de laakbaarheid van zijn gewelddadige gedrag.

Voor zover en in de mate waarin de ten laste gelegde feiten bewezen worden geacht, adviseert onderzoeker om betrokkene ten aanzien van deze feiten als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Betrokkenes persoonlijkheidsstructuur maakt dat hij vooralsnog alleen rationeel besef heeft van wat hem scheelt en wat hij mist in de omgang met zijn partner.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank volgt de conclusies van voormeld rapport op grond van de onderbouwing ervan en legt deze ten grondslag aan haar beslissing. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en het rapport van voornoemde deskundige, voldoende vast is komen te staan dat de bewezen verklaarde feiten in licht verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor de door hem gepleegde strafbare feiten.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 368 dagen, waarvan 270 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaren. Als bijzondere voorwaarde bij het voorwaardelijke deel van de straf heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van Bouman GGZ, ook als die inhouden deelname aan ambulante behandeling in een forensische psychiatrische kliniek of soortgelijke instelling. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van de periode die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Hij heeft in dit verband aangevoerd dat verdachte na lang te hebben gezwegen, ter terechtzitting openheid van zaken heeft gegeven. Bovendien willen verdachte en het slachtoffer hun relatie voortzetten. Inmiddels neemt verdachte deel aan verschillende hulpverleningstrajecten. Het is onwenselijk als deze worden doorkruist door een gevangenisstraf of een andere behandeling ter uitvoering van de door de officier van justitie gevorderde bijzondere voorwaarde. Daarnaast heeft de raadsman bepleit de duur van de door de officier van justitie gevorderde werkstraf te matigen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte weliswaar in staat is deze werkstraf uit te voeren, maar dat dit op aanzienlijke praktische bezwaren stuit.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij reeds vanaf het begin van zijn relatie met zijn vrouw, ongeveer twintig jaar geleden, geweld tegen haar gebruikt. De aard en de frequentie van deze mishandelingen zijn in de loop der jaren, in het bijzonder de afgelopen twee jaren, extremer geworden. De mishandelingen zoals de rechtbank deze bewezen acht, waren buitensporig gewelddadig en vernederend. Dat, zoals verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, het met koud water besproeien van het gezicht van het slachtoffer - nadat hij haar met tevoren klaargelegde ducktape had vastgebonden en in bad had gelegd - in verdachtes beleving niet meer dan een 'pesterij' was, spreekt wat dat betreft boekdelen. Gedrag zoals bewezen verklaard roept gevoelens van grote maatschappelijke onrust op. Verdachte heeft niet kunnen verklaren wat de reden was van zijn handelen. Verdachte heeft zich door te handelen zoals bewezen verklaard geen enkele rekenschap gegeven van de gevolgen daarvan voor het lichamelijk en psychisch welzijn van zijn echtgenote, die zich in de huiselijke omgeving bij uitstek veilig en beschermd had moeten weten. De rechtbank neemt daarbij eveneens in aanmerking dat de kinderen weliswaar geen getuige waren van de mishandelingen maar, zo heeft verdachte ter terechtzitting verklaard, wel last hadden van de spanningen die deze opleverden voor het gezinsleven.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van Bouman GGZ van 15 december 2011, waarin wordt geadviseerd om een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarde verplichte reclasseringsbegeleiding. Gezien de directe samenhang van zijn persoonlijkheidsproblematiek met het criminele gedrag van verdachte, zal hij in de visie van de reclassering moeten worden verplicht om zich hiervoor gedurende de proeftijd ambulant te laten behandelen bij de forensische polikliniek 'het Dok' of een soortgelijke instelling.

De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte een blanco strafblad heeft. Maar gelet op de zeer sadistische aard en de intensiteit van de mishandelingen, en de impact daarvan op het leven van het slachtoffer, is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten. De rechtbank acht een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf heeft als doel verdachte ervan te doordringen dat hij in de toekomst geen strafbare feiten zal plegen, maar ook om de noodzakelijk geachte begeleiding en behandeling mogelijk te maken. De rechtbank zal dit als bijzondere voorwaarde opleggen.

Gelet op de "duur" van de bewezenverklaarde feiten, de al veel langer durende gewelddadige bejegening van verdachtes echtgenote en de conclusies van het psychologisch rapport, moet er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van - met name - zijn, verdachtes, echtgenote. In verband hiermee zal de rechtbank de proeftijd stellen op 3 jaar.

8 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straf berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 1. primair ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart het ten lastegelegde bewezen op de wijze als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 (drie) jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of niet een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens Bouman GGZ, ook als die inhouden het volgen van/deelnemen aan een ambulante behandeling bij de forensische polikliniek 'het Dok' of een soortgelijke instelling;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele, voorzitter, mr. F.L.J.M. Heijnen en mr. T. Kooijmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Z.J. Boer-Westland, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 januari 2012.

Mr. Heijnen en mr. Kooijmans voornoemd zijn door afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 09 juli 2011 te Gorinchem, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en al dan niet met

voorbedachten rade [slachtoffer] (zijnde verdachtes echtgenote) van het leven te

beroven, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die

[slachtoffer]

-met (duck)tape heeft vastgebonden, dat hij, verdachte, ook over diens mond

heeft geplakt en/of (vervolgens)

-(aldus vastgebonden) in een badkuip heeft neergelegd en/of (vervolgens) de

kraan van die badkuip heeft aangezet, waardoor die badkuip vol liep met (koud)

water en/of (vervolgens)

-meerdere malen, althans eenmaal (krachtig) heeft onder geduwd en/of onder

water heeft gehouden (waardoor die [slachtoffer] niet kon ademen),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 juli 2011 te Gorinchem opzettelijk mishandelend zijn

echtgenote, althans een persoon, te weten [slachtoffer],

- (krachtig)(bij/aan het haar) uit een (personen)voertuig heeft getrokken

en/of gesleurd en/of (vervolgens)

- (dreigend) de woorden heeft toegevoegd dat hij, verdachte, haar kapot zou

maken, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of

(vervolgens)

- de (echtelijke) woning in heeft geduwd en/of opgesloten en/of (vervolgens)

-meerdere malen, althans eenmaal, met kracht heeft geslagen en/of gestompt

tegen het lichaam en/of het hoofd (waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen)

(vervolgens)

-tegen de grond heeft gedrukt en/of geduwd en/of gehouden en/of (vervolgens)

-met (duck)tape heeft vastgebonden, dat hij ,verdachte, ook over diens mond

deed en/of (vervolgens)

-(terwijl zij op de grond lag)(krachtig) met haar hoofd en/of het gezicht

tegen de plavui(s)(z)(en) heeft gegooid en/of geduwd en/of op/tegen/in het

gezicht, althans het hoofd, heeft gestompt en/of geslagen en/of (vervolgens)

-(vastgebonden) in een badkuip heeft neergelegd en/of (vervolgens)

-de kraan van die badkuip heeft aangezet, waardoor die badkuip volliep met

(koud) water en/of (vervolgens)

-meerdere malen, althans eenmaal (krachtig) onder water heeft geduwd en/of

onder water heeft gehouden (waardoor die [slachtoffer] niet meer kon ademen),

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 15 juli 2011 te Gorinchem opzettelijk mishandelend zijn,

verdachtes, echtgenote, althans een persoon, te weten [slachtoffer], meerdere

malen, althans eenmaal (krachtig) heeft geschopt en/of geslagen tegen het

hoofd en/of het (onder)lichaam, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn

heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in de periode van

1 juni 2010 tot en met 1 september 2010 te Gorinchem opzettelijk mishandelend zi

verdachtes, echtgenote, althans een persoon, te weten [slachtoffer],

-(krachtig) tegen het lichaam heeft geduwd (waardoor die [slachtoffer] ten val is

gekomen) en/of (vervolgens)

-heeft vastgebonden met (duck)tape, dat hij, verdachte, ook over diens mond

deed en/of (vervolgens)

-meerdere malen, althans eenmaal (krachtig) heeft geschopt en/of gestompt

en/of geslagen tegen/op het lichaam, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of

pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Parketnummer: 11/860453-11

Vonnis d.d. 26 januari 2012