Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:1353

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
22-11-2013
Zaaknummer
AWB-12_92
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:297, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

sluiting horecaonderneming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht


procedurenummer:AWB 12/92

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,


en



de burgemeester van Dordrecht, verweerder,
gemachtigde: mr. drs. R.W. Veldhuis, advocaat te ’s-Gravenhage.

1 Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 16 mei 2011 heeft verweerder [horecaonderneming] [A], [adres] te [woonplaats] (hierna: [A]), gesloten met ingang van 20 mei 2011 om 12.00 uur.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 18 mei 2011 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij uitspraak van 20 mei 2011 (procedurenummer AWB 11/617) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht het besluit van 16 mei 2011 geschorst totdat verweerder een besluit heeft genomen op eisers aanvraag voor een exploitatievergunning voor [A].

Bij besluit van 18 december 2011 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag voor een exploitatievergunning voor [A].

Bij besluit van 23 december 2011 heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 16 mei 2011 ongegrond verklaard en bepaald dat [A] wordt gesloten op 2 februari 2012 om 12.00 uur.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 18 januari 2012 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

Het beroep is op 25 september 2012 behandeld ter zitting van een meervoudige kamer. Eiser is ter zitting verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde, vergezeld door P. Groeneveld en E. Mulder, beiden werkzaam bij de gemeente Dordrecht. Voorts is ter zitting verschenen S. Ceri, tolk.

2 Overwegingen

2.1.

Het wettelijk kader

Ingevolge artikel 2:28, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Dordrecht (hierna: APV) is het verboden een inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt de bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang uitgeoefend door de burgemeester, indien de last dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert.

2.2.

Het bestreden besluit

In het bestreden besluit heeft verweerder erop gewezen dat de aanvraag voor een exploitatievergunning voor [A] is afgewezen. Ter verdere motivering van het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar het advies van 11 juli 2011 van de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Dordrecht. In dat advies is overwogen dat eiser heeft gehandeld in strijd met artikel 2:28, eerste lid, van de APV door [A] zonder exploitatievergunning open te stellen voor het publiek, dat verweerder bevoegd is daartegen handhavend op te treden en dat verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, te meer nu geen sprake is van concreet zicht op legalisatie.

2.3.

De gronden van beroep

Eiser voert aan dat wel degelijk sprake is van concreet zicht op legalisatie en wijst erop dat hij niet heeft berust in de afwijzing van zijn aanvraag voor een exploitatievergunning. Door [A] te sluiten terwijl de afwijzing van de aanvraag voor een exploitatievergunning nog niet onherroepelijk is, wordt eiser onevenredig in zijn belangen geschaad. Het bestreden besluit heeft volgens eiser een punitief karakter en berust mede in dat licht bezien niet op een deugdelijke motivering.

Voorts bevat het beroepschrift een betoog over de weigering van de exploitatievergunning.

2.4.

Het oordeel van de rechtbank

2.4.1.

Niet in geschil is dat eiser artikel 2:28, eerste lid, van de APV heeft overtreden door [A] zonder exploitatievergunning geopend te houden voor het publiek. Eiser betwist evenmin dat de sluiting van [A] in overeenstemming is met het door verweerder gevoerde handhavingsbeleid.

Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving moet het bestuursorgaan dat bevoegd is op te treden tegen overtreding van een wettelijk voorschrift in de regel van deze bevoegdheid gebruik maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan het bestuursorgaan daarvan afzien, bijvoorbeeld indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat geen sprake was of is van concreet zicht op legalisatie. Verweerder heeft het bestreden besluit genomen na afwijzing van eisers aanvraag voor een exploitatievergunning. De bezwaren van eiser en [B]. [C] (hierna: [C]) tegen de afwijzing van die aanvraag zijn ongegrond verklaard. De daartegen ingestelde beroepen zijn bij uitspraken van heden niet‑ontvankelijk verklaard (de zaak van eiser met procedurenummer AWB 12/486) dan wel ongegrond verklaard (de zaak van [C] met procedurenummer AWB 12/485). Het betoog van eiser over de exploitatievergunning biedt dan ook geen aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake was of is van concreet zicht op legalisatie.

Het betoog van eiser bevat ook overigens geen aanknopingspunten voor de conclusie dat verweerder niet in redelijkheid handhavend heeft kunnen optreden. De rechtbank twijfelt er niet aan dat de sluiting van [A] eiser ernstig in zijn financiële belangen treft. Dit is echter inherent aan de sluiting van een inrichting die zonder vergunning wordt geëxploiteerd en levert daarom geen bijzondere omstandigheid op.

2.4.2.

Het beroep is derhalve ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3 Beslissing

De rechtbank Dordrecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, voorzitter, en mrs. J.J. Klomp en M.C. Woudstra, leden, en door de voorzitter en mr. M.J.F.J. van Beek, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 18 december 2012

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep instellen. Het instellen van hoger eroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag, binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.