Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2012:1338

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
22-11-2013
Zaaknummer
AWB-12_485
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:288, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Wet bibob - afwijzing exploitatievergunning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht


procedurenummer:AWB 12/485

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,


en



de burgemeester van Dordrecht, verweerder,
gemachtigde: mr. drs. R.W. Veldhuis, advocaat te ’s-Gravenhage.

1 Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 22 december 2011 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van

[A] [B] (hierna: aanvrager of [B]) voor een exploitatievergunning voor [horecaonderneming] [Z], [adres] te [woonplaats] (hierna: [Z]).

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 9 januari 2012 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 12 april 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: bestreden besluit) heeft eiser bij faxbericht van 21 april 2012 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

Bij brief van 21 mei 2012 heeft verweerder de rechtbank het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende advies van het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur van 6 september 2011 doen toekomen, met de mededeling dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis zal mogen nemen.

Bij beslissing als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van 31 mei 2012 heeft de rechtbank bepaald dat beperking van de kennisneming van voormeld advies gerechtvaardigd is. Bij faxbericht van 5 juni 2012 heeft eiser de rechtbank toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb gegeven om mede op grondslag van het advies uitspraak te doen op het beroep.

De zaak is op 25 september 2012 behandeld ter zitting van een meervoudige kamer.

Eiser is ter zitting verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde, vergezeld van

P. Groeneveld en E. Mulder, beiden werkzaam bij de gemeente Dordrecht.

2 Overwegingen

2.1.

Het wettelijk kader

2.1.1.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet bibob) kunnen bestuursorganen, voorzover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

  1. . uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

  2. . strafbare feiten te plegen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt, voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

  1. . feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

  2. . ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

  3. . de aard van de relatie en

  4. . de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt, voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

  1. . feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

  2. . ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

  3. . de aard van de relatie en

  4. . het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

  1. . hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

  2. . hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

  3. . een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel vindt de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met:

  1. . de mate van het gevaar en

  2. . voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet bibob kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester, voorzover het een krachtens het tweede lid aangewezen inrichting of bedrijf betreft, worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

Ingevolge het tweede lid, eerste volzin, van dit artikel worden op voordracht van Onze Ministers bij algemene maatregel van bestuur inrichtingen of bedrijven aangewezen ten aanzien waarvan het wenselijk is dat, voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, door het Bureau een advies kan worden uitgebracht. Ingevolge het derde lid van dit artikel kan het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester, voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, het Bureau om een advies vragen.

Ingevolge artikel 8 van de Wet bibob is er een Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Bureau bibob).

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wet bibob, voor zover thans van belang, heeft het Bureau tot taak aan bestuursorganen, voorzover deze bij of krachtens de wet de bevoegdheid hebben gekregen het bureau daartoe te verzoeken, desgevraagd advies uit te brengen over de mate van gevaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid.

2.1.2.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder a, van het Besluit bibob worden als inrichtingen of bedrijven als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet bibob aangewezen: inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken, of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt.

2.1.3.

Ingevolge artikel 2:28, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Dordrecht is het verboden een inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

2.2.

Het bestreden besluit

Aan het bestreden besluit heeft verweerder, overeenkomstig en met overname van de inhoud van het advies van de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Dordrecht van 26 maart 2012, ten grondslag gelegd dat de exploitatievergunning voor [Z] is geweigerd, omdat volgens verweerder ernstig gevaar bestaat dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen. Hierbij heeft verweerder verwezen naar het advies van het Bureau bibob van 6 september 2011, waaruit volgens verweerder onder meer blijkt dat de aanvrager van de exploitatievergunning in een zakelijk samenwerkingsverband staat tot eiser, ten aanzien van wie het ernstige vermoeden bestaat dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelen in strijd met de Wet op de kansspelen, de Opiumwet en de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat de vermoedelijk door eiser begane strafbare feiten in het kader van de Wet op de kansspelen en de belastingwetgeving zijn gepleegd tijdens de exploitatie van een horecaonderneming, terwijl ook thans voor een dergelijke onderneming een vergunning wordt gevraagd. Ten aanzien van het vermoedelijk handelen door eiser in strijd met de Opiumwet heeft verweerder opgemerkt dat de exploitatie van een horecagelegenheid, mede vanwege de laagdrempeligheid, een goede mogelijkheid biedt om in verdovende middelen te handelen. Tevens kunnen de opbrengsten die met handel in verdovende middelen zijn verkregen door middel van de onderneming worden witgewassen, aldus verweerder.

Verweerder heeft erop gewezen dat hij conform de gemeentelijke beleidslijn inzake de Wet bibob van 16 december 2003 wegens onduidelijkheid over de financiering van de onderneming en de relatie tussen de aanvrager van de exploitatievergunning en eiser heeft besloten het Bureau bibob om advies te vragen en dat er, mede gelet op de expertise van dit bureau, geen aanleiding is om niet van het uitgebrachte advies uit te gaan. De in het advies neergelegde gegevens hebben betrekking op een langere periode, wijzen overwegend in dezelfde richting en de motivering van het ernstig gevaar is voldoende specifiek en onderbouwd, aldus verweerder. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de in het advies genoemde feiten en omstandigheden die duiden op een zakelijk samenwerkingsverband tussen de aanvrager van de exploitatievergunning en eiser onvoldoende gemotiveerd zijn bestreden door eiser, zodat niet aannemelijk is dat zij slechts een relatie van huurder en verhuurder onderhouden. Daarnaast is de weigering van de exploitatievergunning volgens verweerder evenredig aan de mate van het gevaar en de ernst van de verschillende strafbare feiten, als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de Wet bibob, en levert deze geen strijd op met verdragsrechtelijke bepalingen. Dat aan eiser voor een andere horecagelegenheid in het verleden wel een exploitatievergunning is verleend, rechtvaardigt volgens verweerder niet de conclusie dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Deze vergunning is inmiddels vervallen en de indicaties voor het vragen van een advies bij het Bureau bibob zijn pas na het verlenen van deze vergunning opgekomen, aldus verweerder. Gezien het vorenstaande was verweerder naar zijn mening bevoegd om op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet Bibob de gevraagde exploitatievergunning te weigeren en heeft hij ook in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken. Dat eiser beschikt over een voor hem gunstige Verklaring Omtrent het Gedrag doet daaraan volgens verweerder niet af.

2.3.

De gronden van beroep

Eiser is van mening dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat hij niet in een zakelijk samenwerkingsverband tot de aanvrager van de exploitatievergunning staat, maar dat hij de aanvrager enkel het pand verhuurt waarin [Z] is gevestigd. Verder helpt eiser [B] nu en dan, omdat hij de Nederlandse taal niet machtig is. Voorts heeft eiser naar voren gebracht dat hij valselijk van strafbare feiten wordt beschuldigd, waardoor hij bij zijn huurders en in de Turkse gemeenschap in een kwaad daglicht is komen te staan. Er is volgens eiser geen enkel bewijs dat deze beschuldigingen ondersteunt. Daarbij wijst hij erop dat hij nimmer is veroordeeld voor hetgeen waarvan hij wordt beschuldigd, wat ook blijkt uit de Verklaring Omtrent het Gedrag die hem is afgegeven. Nu hij bij de gemeente onder een vergrootglas ligt, is het ook niet logisch om in zijn eigen panden hennep te kweken, aldus eiser. Voorts vormt het in [horecagelegenheid X] gevonden ticket van een weddenschap volgens eiser geen bewijs van illegaal gokken in deze onderneming, aangezien een dergelijk ticket gewoon via internet kan worden uitgedraaid. De betrouwbaarheid van de politiemutaties en anonieme getuigen zijn volgens eiser voorts niet voldoende om te beoordelen of er ernstig gevaar bestaat dat de gevraagde vergunning gebruikt zal worden voor criminele activiteiten. Daarnaast wijst eiser erop dat verweerder hem in het verleden wel exploitatievergunningen heeft verleend, zonder dat aanleiding werd gezien het Bureau bibob om advies te vragen. De reden dat verweerder thans wel om advies heeft gevraagd is volgens eiser gelegen in de conflictsituatie tussen hem en de gemeente Dordrecht aangaande zijn kamerverhuur. Verweerder heeft het Bureau bibob dan ook ten onrechte om advies gevraagd, aldus eiser. Daarbij merkt hij op dat verweerder met twee maten meet, nu andere ondernemers in Dordrecht niet worden onderworpen aan een bibob-onderzoek.

2.4.

Het oordeel van de rechtbank

2.4.1.

Volgens vaste jurisprudentie, bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 19 mei 2010 (LJN BM4973), is de bestuursrechter alleen dan tot het beoordelen van rechtsvragen geroepen als dat van betekenis is voor het geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. Daarbij geldt dat het doel dat eiser voor ogen staat, met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis moet zijn.

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat eiser inmiddels een vergunning heeft aangevraagd voor de exploitatie van[horecaonderneming Y] in het pand aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: [Y]) niet meebrengt dat zijn procesbelang is komen te vervallen. Het besluit tot weigering van de onderhavige exploitatievergunning steunt in belangrijke mate op het standpunt van verweerder dat het ernstige vermoeden bestaat dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. Aannemelijk is dat dit besluit eiser in zijn eer en goede naam aantast. Naar het oordeel van de rechtbank kan het resultaat dat eiser met de onderhavige procedure nastreeft, te weten vernietiging van het besluit, om die reden van meer dan principiële betekenis zijn, zodat eiser een rechtens te beschermen belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit. Het door verweerder ter zitting ingenomen standpunt dat eiser zijn naam ook kan zuiveren in een procedure omtrent de inmiddels eveneens met toepassing van de Wet bibob geweigerde exploitatievergunning voor [Y], leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Die zaak ligt thans niet voor in beroep. Verweerders standpunt ter zitting laat onverlet dat eiser zijn naam thans gezuiverd wil zien en dat hij daar belang bij heeft.

2.4.2.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder, zoals in het bestreden besluit is opgemerkt, in overeenstemming met de gemeentelijke beleidslijn inzake de Wet bibob van 16 december 2003 het Bureau bibob om advies heeft gevraagd. Hetgeen eiser in dit verband naar voren heeft gebracht gaat eraan voorbij dat deze beleidslijn niet voorschrijft dat bij iedere aanvraag om een exploitatievergunning een advies wordt gevraagd, maar dat daartoe eerst dient te worden overgegaan indien sprake is van bepaalde omstandigheden, zoals die ook aan de orde waren bij de onderhavige aanvraag. Dat verweerder aan eiser in het verleden wel één of meer exploitatievergunningen heeft verleend, maakt niet dat verweerder na het bekend worden met deze omstandigheden ook thans had moeten afzien van een adviesaanvraag. Dat de reden voor verweerder om advies te vragen zou zijn gelegen in een conflictsituatie tussen hem en de gemeente Dordrecht aangaande zijn kamerverhuur heeft eiser niet aannemelijk gemaakt en maakt niet dat verweerder heeft gehandeld in strijd met voormelde beleidslijn. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het advies op onrechtmatige wijze is aangevraagd en uitgebracht en dat verweerder dit advies om die reden niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.

2.4.3.

Volgens vaste jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2012, LJN BW8132) mag een bestuursorgaan, gelet op de deskundigheid van het Bureau bibob, in beginsel van het advies van dit bureau uitgaan. Dit neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen zijn en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval indien de feiten voor de conclusie te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.

2.4.4.

Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb te hebben kennisgenomen van het advies van het Bureau bibob (hierna: het advies) merkt de rechtbank allereerst op dat in dit advies, aan de hand van alle criteria die daarbij op de voet van artikel 3, tweede en derde lid, van de Wet bibob moeten worden betrokken, uitgebreid is uiteengezet dat een ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van deze wet. De informatie in het advies is afkomstig van verschillende bronnen. Naast informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid (hierna: CIE) zijn er verschillende documenten van de politie benoemd en van de Belastingdienst. Er is een veelheid aan verklaringen opgenomen, de informatie is vrij specifiek en de bronnen zijn als betrouwbaar beoordeeld.

2.4.5.

In hetgeen eiser naar voren heeft gebracht omtrent zijn relatie met de aanvrager van de exploitatievergunning ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat tussen hen een zakelijk samenwerkingsverband bestaat als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet bibob. In het aan dit standpunt ten grondslag liggende advies is ten aanzien van de relatie tussen beiden een opsomming gegeven van verschillende omstandigheden, waaronder de precaire financiële situatie van [B] en de vraagtekens die geplaatst kunnen worden bij de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud kan voorzien, alsmede de niet transparante financiering van [Z] en de pachtovereenkomst met betrekking tot deze onderneming tussen beiden. Verder wordt erop gewezen dat eiser eigenaar is van de woning van de aanvrager van de exploitatievergunning en dat hij voor hem optreedt als tolk, zijn faxverkeer regelt, alle gesprekken met de gemeente over de exploitatievergunning voor hem voert, de bibob-formulieren ten behoeve van deze vergunning heeft ingevuld en ook zelf actief mogelijke beheerders voor [Z] heeft geworven. Deze door eiser niet gemotiveerd bestreden omstandigheden duiden, in samenhang bezien, op een nauwe betrokkenheid van eiser bij de exploitatie van [Z]. Dit betekent dat de aanvrager van de exploitatievergunning ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet bibob in relatie staat tot de strafbare feiten ten aanzien waarvan het ernstige vermoeden bestaat dat eiser zich daaraan schuldig heeft gemaakt.

2.4.6.

Anders dan eiser kennelijk meent, kunnen de in het advies vermelde CIE-informatie en overige politiegegevens over hem niet slechts een belangrijke ondersteuning vormen voor dit ernstige vermoeden als bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, van de Wet bibob indien die informatie heeft geleid tot strafrechtelijke veroordelingen dan wel opsporings- en vervolgingsacties. Wel kan dergelijke informatie slechts in combinatie met andere feiten en omstandigheden die in dezelfde richting wijzen voldoende grond opleveren voor zulk een vermoeden, aangezien de betrouwbaarheid en relevantie van dergelijke informatie niet met zekerheid kan worden vastgesteld. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2011 (LJN BU1620).

In het advies is opgenomen dat in de inrichting [horecagelegenheid X], waarvan eiser destijds eigenaar was, illegaal wordt gegokt. Dit komt onder meer naar voren uit informatie van de politie Zuid-Holland Zuid, die op 10 december 2008 in samenwerking met de Belastingdienst in deze inrichting een controle heeft uitgevoerd waarbij een ticket van een weddenschap, formulieren van een wedprogramma en een internetzuil zijn aangetroffen. Ook beschikt de politie over een getuigeverklaring omtrent illegale gokpraktijken in [horecagelegenheid X]. Verder komt uit een proces-verbaal van de CIE naar voren dat verschillende informanten hebben verklaard dat in deze inrichting illegaal wordt gegokt op voetbalwedstrijden voor grote bedragen. Deze CIE-informatie is als betrouwbaar aangemerkt. Verder is in het advies opgenomen dat in drie panden die eigendom zijn van eiser, te weten de [adres 1], [adres 2] en [adres 3], hennepplantages zijn aangetroffen. Uit een proces-verbaal van verhoor van 17 juni 2011 van de politie Zuid-Holland Zuid komt naar voren dat een door de politie gehoorde getuige heeft verklaard dat eiser op de hoogte was van de hennepplantage aan de [adres 3] en ook een deel van de opbrengst zou krijgen. Uit een onderzoek telecommunicatie in het kader van een rechercheonderzoek ‘Bijeneter’ is voorts naar voren gekomen dat eiser vermoedelijk met een bedrijfsleider van een growshop heeft gesproken over hennepstekken. Uit het proces-verbaal van 5 juli 2011 van de CIE blijkt dat in de periode april 2011 tot juli 2011 via meerdere informanten informatie is verkregen waaruit is af te leiden dat eiser zich vermoedelijk schuldig maakt aan het overtreden van de Opiumwet. Eiser is als verdachte gehoord. Zoals in het bestreden besluit is opgemerkt, wijzen de CIE-informatie en de overige politiegegevens in dezelfde richting en heeft deze informatie betrekking op een langere periode. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de CIE-informatie en de overige politiegegevens voldoende grond opleveren voor een ernstig vermoeden als bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, van de Wet bibob, temeer nu deze informatie door de CIE als betrouwbaar is aangemerkt. Ditzelfde geldt voor de in het advies opgenomen informatie van de Belastingdienst, waaruit blijkt dat bij een bedrijf van eiser een boekenonderzoek is uitgevoerd waarbij diverse feitelijke onregelmatigheden zijn geconstateerd, waarna over de jaren 2002 tot en met 2005 aan eiser naheffingsaanslagen zijn opgelegd, evenals drie vergrijpboetes wegens het opzettelijk afdragen van te weinig belasting. Hetgeen eiser omtrent de voormelde aan hem toegerekende feiten naar voren heeft gebracht is dermate summier dat de rechtbank daarin geen grond vindt voor een ander oordeel.

2.4.7.

De voormelde aan eiser toegerekende feiten houden verband met illegaal gokken, de handel in hennep en het ontduiken van belastingen en zijn derhalve naar hun aard gericht op het behalen van op geld waardeerbare voordelen. De in het advies neergelegde bevindingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank dan ook de conclusie dragen dat ernstig gevaar bestaat dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen voordelen te benutten. Nu de strafbare feiten deels tevens zijn gepleegd tijdens de exploitatie van een horecaonderneming van eiser, kunnen de bevindingen in het advies eveneens de conclusie van het Bureau bibob dragen dat ernstig gevaar bestaat dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Wat eiser aanvoert over de hem verweten geweldsmisdrijven kan gezien het voorgaande onbesproken blijven.

2.4.8.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op het advies heeft mogen afgaan en zich op het standpunt heeft mogen stellen dat ernstig gevaar bestaat dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet bibob. De rechtbank stelt vast dat verweerder bevoegd is om de aangevraagde exploitatievergunning op die grond te weigeren. Gezien de ernst van het gevaar en de ernst van de strafbare feiten waarvan eiser wordt verdacht, is de rechtbank voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

2.4.9.

Het beroep is derhalve ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3 Beslissing

De rechtbank Dordrecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, voorzitter, en mrs. J.J. Klomp en M.C. Woudstra, leden, en door de voorzitter en mr. M.J.F.J. van Beek, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 18 december 2012

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep instellen. Het instellen van hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag, binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.