Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BV1025

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
17-01-2012
Zaaknummer
11/993001-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Hoger beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris tot onmiddellijke invrijheidstelling, gegeven bij de toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling. De rechter-commissaris oordeelde de aanhouding van verdachte en de daarop volgende inverzekeringstelling onrechtmatig, omdat het dossier dat aan de rechter-commissaris was voorgelegd een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van witwassen niet, althans onvoldoende onderbouwde. De rechtbank oordeelt dat zij, oordelend in hoger beroep, een toetsing ex nunc dient uit te voeren, en let daarbij op het bepaalde in artikel 448 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank kan hierbij evenwel slechts acht slaan op stukken die reeds bestonden, of over zaken relateren die zich hebben voorgedaan vóór de aanhouding en inverzekeringstelling van verdachte. De rechtbank komt tot een gegrondverklaring van het hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Parketnummer: 11/993001.11

Beschikking van de rechtbank op het hoger beroep ex artikel 59c van het Wetboek van Strafvordering in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [1986 en geboorteplaats verdachte],

wonende [woonplaats en adres verdachte],

Hierna te noemen: verdachte.

De raadkamer heeft kennis genomen van het strafdossier en heeft het hoger beroep op

14 december 2011 in raadkamer behandeld, ter gelegenheid waarvan de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn advocaat is gehoord.

1.

Op 25 november 2011 is verdachte voornoemd voorgeleid aan de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, ter toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling.

De rechter-commissaris heeft bij die gelegenheid de aanhouding van verdachte en de daarop volgende inverzekeringstelling onrechtmatig geoordeeld, omdat het dossier dat aan de rechter-commissaris is voorgelegd een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van witwassen niet, althans onvoldoende onderbouwt. De rechter-commissaris heeft de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte gelast.

De officier van justitie heeft blijkens een akte rechtsmiddel op 7 december 2011 hoger beroep tegen de beschikking tot onmiddellijke invrijheidstelling ingesteld.

2.

De officier van justitie heeft het hoger beroep tijdig ingesteld en is derhalve ontvankelijk in zijn hoger beroep.

De officier van justitie heeft op 7 december 2011 een appelmemorie ingediend.

De officier van justitie heeft tijdens de behandeling van het hoger beroep in raadkamer te kennen gegeven dat hij van mening is dat de inverzekeringstelling wel rechtmatig is, nu er wel een redelijk vermoeden van schuld aan de aanhouding ten grondslag lag. Tevens heeft hij het standpunt ingenomen dat de toetsing door de rechtbank in hoger beroep ex nunc dient te geschieden.

3.

De raadsman is van mening dat het hoger beroep ongegrond verklaard moet worden. Hij heeft daartoe primair aangevoerd dat de raadsman ter gelegenheid van de zogenaamde toetsing slechts over het persoonsdossier van verdachte beschikte. Daaruit blijkt inderdaad niet van een redelijk vermoeden van schuld. Op basis van de door de rechtbank uit te voeren toetsing ex tunc dient de beslissing van de rechter-commissaris dan ook in stand te blijven.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd, dat de inverzekeringstelling niet in het belang van het onderzoek was, mede gelet op de eerdere aanhouding van verdachte op 14 november 2011. Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat ook op basis van het Proces-verbaal financieel onderzoek onvoldoende blijkt van een redelijk vermoeden van schuld.

4.

De rechtbank overweegt als volgt.

De eerste vraag die de rechtbank ter beantwoording voorligt, is of de rechtbank in hoger beroep op grond van het haar ter beschikking staande dossier (ex nunc) dient te oordelen, of op grond van het aan de rechter-commissaris bij de toetsing ter beschikking staande dossier (ex tunc).

De rechtbank heeft acht geslagen op het bepaalde in artikel 448 van het Wetboek van Strafvordering, dat nader uiteenzet waaraan de beslissing op (onder meer) een rechtsmiddel, ingesteld tegen een beschikking van de rechter-commissaris, dient te voldoen. Ingevolge het eerste lid van dit artikel kan de rechtbank hierbij (bij een geslaagd beroep) niet enkel bevelen hetgeen overeenkomstig de wet door de rechter-commissaris had behoren te geschieden (ex tunc) maar ook hetgeen overeenkomstig de wet behoort te geschieden (ex nunc).

Hierin ziet de rechtbank aanleiding recht te doen op grond van de stukken die haar thans ter beschikking staan, maar overweegt daarbij dat dit slechts stukken kunnen zijn, die reeds bestonden of zaken relateren die zich hebben voorgedaan, vóór de aanhouding en inverzekeringstelling van verdachte op 23 november 2011.

Gelet op de inhoud van het aanbiedingsproces-verbaal project "Tipai 2" d.d. 16 november 2011, en met name het daarbij gevoegde proces-verbaal "Financieel onderzoek" met als bijlagen diverse observatieverslagen, bestond er naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van de aanhouding van verdachte een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van witwassen. Immers, ook uit de onderliggende observatieverslagen uit april 2011 blijkt dat verdachte in die maand meermalen wordt gezien als bestuurder van een Volkswagen Caddy, ook vlak in de buurt van een geldautomaat rond tijdstippen dat grote geldbedragen via dat geldautomaat worden opgenomen. Deze geldopnames geschiedden door een ('s avonds laat onder meer met een zonnebril) vermomd persoon, tevens inzittende van voornoemde Volkswagen, waarvan verdachte als bestuurder herkend wordt. Onderzoek wijst uit dat de geldopnames plaatsvinden van de bankrekening van een onderneming die niet lang daarvoor overeenkomstige bedragen overgemaakt krijgt van (uitsluitend) één bedrijf, terwijl onderzoek uitwijst dat er geen waarneembare handelsactiviteiten plaatsvinden tussen deze twee bedrijven.

De rechtbank oordeelt dat de aanhouding en de daarop volgende inverzekeringstelling niet onrechtmatig zijn uit hoofde van het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld.

De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat de inverzekeringstelling ook overigens niet onrechtmatig is geweest. Onder voornoemde omstandigheden was deze eveneens in het belang van het onderzoek. Dat verdachte op 14 november 2011 op verdenking van andere strafbare feiten (een hennepkwekerij en een namaakwapen) was aangehouden doet daaraan niet af.

De rechtbank constateert tenslotte dat de raadsman en (daarmee) mogelijk of waarschijnlijk ook de rechter-commissaris deze stukken kennelijk niet (integraal) ter beschikking stonden ten tijde van de toetsing; in dat geval is de beschikking overigens begrijpelijk geweest. De rechtbank onderstreept dat het aan de officier van justitie is op dat moment een dossier aan te leveren aan de hand waarvan de toetsing ook daadwerkelijk uitgevoerd kan worden, en de verdediging adequaat gevoerd kan worden.

BESLISSING:

De rechtbank:

- verklaart het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden beschikking van de rechter-commissaris;

- oordeelt de inverzekeringstelling van verdachte niet onrechtmatig;

- gelast de verdere tenuitvoerlegging van de inverzekeringstelling.

Deze beschikking is gegeven te Dordrecht in raadkamer op 14 december 2011 door

mrs. L.C. van Walree, voorzitter, drs. T.F. van der Lugt en P. Joele, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier A.M. Vos.