Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BV0475

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
22-12-2011
Datum publicatie
10-01-2012
Zaaknummer
10/845
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BX8265, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 19, tweede lid, Wro, parkeeronderzoek, MK.

De rechtbank komt tot de conclusie dat hetgeen eiser heeft aangevoerd niet leidt tot het oordeel dat het in opdracht van verweerder verrichte parkeeronderzoek naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat verweerder dit niet aan de vrijstelling ten grondslag heeft mogen leggen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het besluit tot het verlenen van vrijstelling thans is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 10/845

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

in het geding tussen

[naam eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. F.A. van de Kasteele, advocaat te Dordrecht,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaatsnaam], verweerder,

gemachtigden: mr. P. van Egmond en M.C. Buitendijk, werkzaam bij de gemeente Oud-Beijerland.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 20 december 2006 vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en (reguliere) bouwvergunning verleend aan korfbalvereniging Korbatjo (hierna: Korbatjo) voor het oprichten van een clubgebouw op het perceel, kadastraal bekend gemeente Oud-Beijerland, sectie H nummer 2066 (ged.) en plaatselijk bekend [adres] te [plaatsnaam].

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 7 januari 2007 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 26 juni 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juli 2008 heeft deze rechtbank het door eiser daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 26 juni 2007 vernietigd.

Bij besluit van 9 december 2008 heeft verweerder het door eiser gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 mei 2009 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) de uitspraak van de rechtbank van 4 juli 2008 bevestigd, het beroep gericht tegen het besluit van 9 december 2008 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.

Bij uitspraak van 9 april 2010 heeft de rechtbank het door eiser ingestelde beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 30 januari 2007 gegrond verklaard en verweerder opgedragen om uiterlijk op 1 juni 2010 alsnog een besluit op het bezwaar te nemen.

Bij besluit van 1 juni 2010 heeft verweerder het door eiser gemaakte bezwaar andermaal ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 8 juli 2010 beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is Korbatjo in de gelegenheid gesteld aan het geding deel te nemen.

De zaak is op 14 november 2011 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigden.

Korbatjo werd ter zitting vertegenwoordigd door [naam X].

Voorts is verschenen de door verweerder meegebrachte deskundige R. Volker, werkzaam bij Bureau de Groot Volker (Verkeersonderzoek en -advies).

2. Overwegingen

2.1. Het wettelijk kader

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden en is de WRO ingetrokken.

Ingevolge artikel 9.1.10, eerste lid, voor zover hier van belang, van de Invoeringswet Wro blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.

Ingevolge het derde lid blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een aanvraag om bouwvergunning en een besluit tot verlening daarvan in overeenstemming met een verleende vrijstelling als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO, zoals dat artikel destijds luidde, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Oud-Beijerland (hierna: Bouwverordening) moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge het vierde lid, onder b, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en het derde lid voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

2.2. Het bestreden besluit

Verweerder heeft met het bestreden besluit het vrijstellingsbesluit en de bouwvergunning gehandhaafd. Ter motivering daarvan heeft hij verwezen naar het advies van de Adviescommissie Bezwaarschriften van 25 mei 2010. Verweerder heeft een parkeeronderzoek laten uitvoeren door Bureau de Groot Volker, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 18 mei 2010 (hierna: het parkeeronderzoek). Verweerder meent dat door dit rapport het gebrek in de ruimtelijke onderbouwing is hersteld.

2.3. De gronden van beroep

Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij meent dat het daaraan ten grondslag gelegde parkeeronderzoek niet volledig is. Zo is er volgens hem geen onderzoek gedaan naar het gelijktijdige gebruik van het clubgebouw en de scholen in de directe omgeving. Ook stelt hij dat de toename van het gebruik van het clubgebouw (door onder meer de Kangarooclub, het gehandicaptenkorfbal en andere activiteiten zoals kook- en filmavonden) en de daarmee gepaard gaande toename van de parkeerdruk niet is onderzocht.

Het parkeeronderzoek neemt het parkeerbeleid van de gemeente Oud-Beijerland als uitgangspunt, maar volgens eiser wordt in dat beleidsstuk slechts verwezen naar de Aanbevelingen Stedelijke Verkeervoorzieningen (ASVV) van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW). Eiser stelt dat dit beleid niet toegankelijk is, nu er kosten in rekening worden gebracht om inzage te krijgen. Uit het deel van de ASVV dat wel toegankelijk is via het internet, blijkt dat er een nulmeting dient te worden uitgevoerd om de bezetting tussen 5:00 en 6:00 uur 's ochtends vast te stellen. Eiser stelt dat deze nulmeting niet terug is te vinden in het uitgevoerde onderzoek. Voorts is in het onderzoek als uitgangspunt voor de loopafstand 400 meter genomen, terwijl volgens de ASVV voor bewoners uit dient te worden gegaan van een loopafstand van 100 meter en voor bezoekers 300 meter. Voor eiser is onduidelijk of dit onderscheid is gemaakt en hij meent dat het onderzoeksgebied te ruim genomen is. Volgens de ASVV is het oversteken van een ontsluitingsweg ten behoeve van parkeren onwenselijk. Volgens eiser moeten de parkeerplaatsen aan de andere zijde van de Randweg daarom buiten beschouwing worden gelaten. Voorts blijkt uit het onderzoek niet duidelijk welke maximale parkeerbezetting wordt gehanteerd. Het onderzoek heeft niet langer dan een week geduurd, een aantal geplande evenementen in de omgeving van het clubhuis is niet doorgegaan en het clubhuis was op zaterdag - normaal gesproken de drukste dag van de week - om 14:00 uur al dicht. Bij eiser bestaat het vermoeden dat de organisatie de uitkomst van het onderzoek heeft gemanipuleerd door evenementen af te zeggen en het clubhuis eerder te sluiten. Eiser meent dat het onderzoek niet voldoet aan de door de Afdeling gegeven opdracht en niet representatief is.

2.4. De beoordeling door de rechtbank

De onderhavige aanvraag om bouwvergunning en vrijstelling zijn bij verweerder ingekomen op 21 mei 2006, zodat in het onderhavige geval, het recht van toepassing is zoals dat gold voor inwerkingtreding van de Wro en de Invoeringswet Wro.

In eerder genoemde uitspraak van 4 juli 2008 heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat het besluit van 26 juni 2007 een draagkrachtige motivering ontbeert, omdat ten aanzien van de te verwachten parkeersituatie na realisering van het clubgebouw een goede ruimtelijke onderbouwing ontbreekt. De Afdeling heeft in zijn uitspraak van 20 mei 2009 dit standpunt bevestigd en geoordeeld dat verweerders besluit van 9 december 2008 niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, nu verweerders aanname dat de leden van Korbatjo en de bezoekers van de omliggende schoolgebouwen niet tegelijkertijd gebruik zullen maken van de openbare parkeerplaatsen in de nabijheid van het clubgebouw en de sportvelden niet op feitelijk onderzoek berust en ter zitting onjuist is gebleken. Gelet op deze uitspraak en de daarin uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen overige gronden, beperkt onderhavig beroep zich nog slechts tot de vraag of aan het thans bestreden besluit van 1 juni 2010 een deugdelijke ruimtelijke onderbouwing met betrekking tot de parkeersituatie ten grondslag ligt.

Aan het besluit van 1 juni 2010 heeft verweerder het onder 2.2. genoemde parkeeronderzoek ten grondslag gelegd. Middels een parkeerbalansberekening, waarbij gebruik is gemaakt van de door het CROW gehanteerde normen, is voor de verschillende functies in het gebied berekend hoeveel parkeerplaatsen er in zijn totaliteit nodig zijn. Dit totaal aantal parkeerplaatsen is afgezet tegen het aantal parkeerplaatsen in het relevante onderzoeksgebied. Uit het rapport komt naar voren dat op een zestal dagen in de periode van 21 tot en met 27 april 2010 metingen zijn verricht om de bezetting van de geparkeerde voertuigen en parkeerdruk te bepalen. Het onderzoeksgebied betreft de [straatnaam] en aangrenzende straten, onderverdeeld in een zuidelijke en noordelijke sectie. Binnen het onderzoeksgebied zijn in totaliteit 392 parkeerplaatsen aanwezig, waarvan 118 privé parkeerplaatsen. Als het hek bij de CSG Willem van Oranje gesloten is, resteren er 380 parkeerplaatsen. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de gemiddelde bezettingsgraad op werkdagen onder de 65% blijft. De hoogste parkeerdruk wordt waargenomen om 20:15 en 21:15 uur op donderdagavond. Op deze tijdstippen is de parkeerdruk rond de 83 tot 85% in de zuidelijke secties. Op zondag ligt in de zuidelijke secties de parkeerdruk rond 9:30 uur boven de 100% en wordt er fout geparkeerd. In het onderzoek is geconcludeerd dat ook bij het zogenoemde 'worst case'-scenario voldoende parkeerplaatsen in het gebied aanwezig zijn.

De rechtbank acht van belang dat het parkeeronderzoek niet slechts een theoretisch onderzoek betreft. Nu het clubgebouw een aantal jaren geleden is gerealiseerd, is in het parkeeronderzoek ook de daadwerkelijke parkeerbezetting in de praktijk getoetst en daarmee de toename van het gebruik van het clubgebouw. Uit het rapport blijkt niet van een onaanvaardbare parkeerdruk als gevolg van de oprichting van het clubgebouw. In tegenstelling tot wat eiser stelt, blijkt uit de rapportage dat wel degelijk onderzoek is gedaan naar het gelijktijdige gebruik van de parkeerplaatsen door de verschillende hoofdgebruikers. Zo is bijvoorbeeld vastgesteld dat er op donderdagavond 22 april 2010 zowel activiteiten zijn geweest van de school RSG Hoeksche Waard als van CSG Willem van Oranje en Korbatjo. De parkeerdruk komt volgens de metingen dan niet uit boven de 85%. Een dergelijk percentage wordt volgens verweerder doorgaans als grens aangehouden tot welke de parkeerdruk acceptabel is en ook de rechtbank acht die parkeerdruk niet zodanig hoog dat deze aanleiding zou moeten zijn om het bestreden besluit aan te tasten. Dat op zondagochtend de grens van 85% wel wordt gepasseerd is voor onderhavige vrijstelling niet relevant, nu uit de rapportage naar voren komt dat op zondag alleen activiteiten bij de CSG Willem van Oranje zijn geweest en met zekerheid is aangenomen dat de geparkeerde voertuigen van kerkgangers zijn geweest. Nu ook ter zitting onweersproken is gesteld dat hooguit één tot twee keer per jaar activiteiten van Korbatjo op zondag plaatsvinden, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de hoge parkeerdruk op zondag niet aan het gebruik van het clubgebouw kan worden toegeschreven, maar voornamelijk aan het kerkbezoek.

De rechtbank acht onvoldoende grond aanwezig voor het oordeel dat het parkeeronderzoek niet representatief is, dan wel dat de uitkomsten zijn gemanipuleerd. Eiser heeft deze stellingen niet onderbouwd, bijvoorbeeld door het overleggen van een tegenrapport van een deskundige. De rechtbank acht van belang dat eiser en zijn gemachtigde uitdrukkelijk bij de voorbereiding van het parkeeronderzoek zijn betrokken. Zo is er op 20 april 2010 een overleg met eiser geweest waar de opzet van het onderzoek is gepresenteerd en de agenda van activiteiten aan eiser bekend is gemaakt. Met een kleine kanttekening is (de gemachtigde van) eiser per e-mailbericht van diezelfde datum akkoord gegaan met de opzet van het parkeeronderzoek. Ten tijde van de bespreking was al duidelijk dat er op zaterdag na 14:00 uur geen wedstrijden meer zouden zijn en tevens zou in de agenda hebben gestaan dat op maandagavond slechts zaaltrainingen op een andere locatie plaatsvinden.

Verweerder heeft onweersproken gesteld dat ook de grootte van het onderzoeksgebied op 20 april 2010 is gepresenteerd en daarover geen discussie bestond. Niet valt in te zien dat de gehanteerde loopafstanden te groot zijn. Ter zitting is door verweerder voldoende toegelicht dat is gekozen voor een logische geografische ligging van de parkeerplaatsen ten opzichte van het clubgebouw van Korbatjo. Dat daarbij is uit gegaan van iets grotere loopafstanden dan is neergelegd in het parkeerbeleid, is verklaarbaar omdat verweerder de beleidsnota van het centrum als uitgangspunt heeft genomen en onderhavig bouwplan niet in een winkelgebied ligt. Van bezoekers van een sportaccomodatie mag worden verwacht dat zij met een iets grotere loopafstand genoegen nemen dan bezoekers van een winkelgebied. De stelling dat de parkeerplaatsen aan de andere zijde van de Randweg buiten beschouwing dienden te worden gelaten, faalt eveneens. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat door de getroffen oversteekvoorzieningen en bewegwijzering de situatie zodanig is ingericht dat het parkeerterrein aan de overzijde van de ontsluitingsweg als alternatief voor parkeerders van Korbatjo kan worden aangemerkt.

Voor de stelling dat het (parkeer)beleid niet toegankelijk is, acht de rechtbank geen grond aanwezig. Als bijlage 7 bij de rapportage inzake het parkeeronderzoek zijn de gemeentelijke parkeernormen uiteen gezet en ook de overige beleidstukken heeft verweerder overgelegd. Verweerder heeft niet slechts volstaan met een verwijzing naar de parkeerkencijfers van het CROW. Overigens zijn de door het CROW gehanteerde normen in de rechtspraak van de Afdeling geaccepteerd als basis voor de besluitvorming door bestuursorganen van gemeenten.

De rechtbank komt tot de conclusie dat hetgeen eiser heeft aangevoerd niet leidt tot het oordeel dat het in opdracht van verweerder verrichte parkeeronderzoek naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat verweerder dit niet aan de vrijstelling ten grondslag heeft mogen leggen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het besluit tot het verlenen van vrijstelling thans is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO.

Het beroep is ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.G.L. de Vette, voorzitter, en mrs. P. Putters en A.C.M. Fischer-Braams, leden, en door de voorzitter en E. Naaijen-van Kleunen, griffier, ondertekend.