Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BU9263

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
02-01-2012
Zaaknummer
92246 / HA ZA 11-2205
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aangezien uit hetgeen is gesteld niet kan worden afgeleid dat is gehandeld met het oogmerk om verhaal door eisers onmogelijk te maken, kan niet worden aangenomen dat misbruik is gemaakt van het identiteitsverschil tussen de gedaagde vennootschappen (gedaagden sub 1 tot en met 4). Nu niet is komen vast te staan dat sprake is van identiteitsverschil, kan het beroep op vereenzelviging evenmin slagen. Vordering tegen de (gestelde) contractspartij - de niet verschenen gedaagde sub 5 - als niet onrechtmatig of ongegrond toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2012-0005
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 92246 / HA ZA 11-2205

Vonnis van 21 december 2011

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HORECA FLEX-BUREAU B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOSPITALITY PAYROLL B.V.,

beiden gevestigd te Monster,

eiseressen,

advocaat mr. E.M. Putters-van Veen,

tegen

1. [gedaagde 1]

wonende te Lage Zwaluwe,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LCK BEHEER B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid L&F B.V.,

gevestigd te Hendrik-Ido-Ambacht,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LOF! BREDA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden 1 tot en met 4,

advocaat: mr. J.G.M. Stassen,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ATUSERVE BEMIDDELING B.V.,

gevestigd te Schiedam,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook Horecaflex (eiseressen gezamenlijk, in enkelvoud), gedaagden 1 tot en met 4 en Atuserve worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen van 24, 25 en 29 maart 2011;

- de conclusie van antwoord van gedaagden 1 tot en met 4;

- het tussenvonnis van 8 juni 2011;

- de brief van Horecaflex van 19 oktober 2011;

- het proces-verbaal van comparitie van 3 november 2011;

- de door partijen overgelegde producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [betrokkene 1] is operationeel directeur van Horecaflex-Bureau B.V. en van Hospitality Payroll B.V. Horecaflex-Bureau B.V. levert onder meer uitzendkrachten voor de horecabranche.

2.2. [gedaagde 1] is sinds 16 januari 2003 enig bestuurder en aandeelhouder van LCK. LCK is sinds 26 februari 2009 (mede)bestuurder van L&F. L&F is sinds de oprichting van LOF! Breda op 12 maart 2010 enig bestuurder van deze vennootschap.

3. Het geschil

De vordering

3.1. Horecaflex vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden 1 tot en met 4 hoofdelijk zal veroordelen:

I) om een bedrag van € 13.706,45, vermeerderd met de contractuele rente van 1% per maand berekend vanaf 14 dagen na de factuurdatum tot aan de dag der algehele afdoening, aan Horecaflex te betalen;

II) om buitengerechtelijke incassokosten van € 2.055,97, vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening, aan Horecaflex te betalen;

III) in de kosten van het geding, waaronder het salaris van de advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 14 dagen na de dag waarop het vonnis zal worden gewezen.

3.2. Horecaflex heeft aan deze vorderingen het volgende ten grondslag gelegd.

3.3. In weken 46, 47, 50 en 51 van 2010 en in week 1 van 2011 heeft Horecaflex meerdere uitzendkrachten, met name koks, geleverd aan – naar zij in ieder geval destijds aannam – Lof! Hospitality Concepts B.V. Die uitzendkrachten werden steeds na een opdracht/verzoek daartoe ter beschikking gesteld. In ieder geval één van die opdrachten is door [gedaagde 1] aan [betrokkene 1] van Horecaflex gegeven. De andere opdrachten werden steeds per e-mail of telefoon door [betrokkene 2] van Lof! Hospitality Concepts B.V. aan [betrokkene 2] van Horecaflex verstrekt. Een deel van het door Horecaflex verrichte uitzendwerk is onbetaald gebleven.

3.4. Gedaagden 2, 3 en 4 en Atuserve moeten hoofdelijk tot betaling van € 13.706,45 worden veroordeeld op grond van vereenzelviging. Gedaagden 2, 3 en 4 en Atuserve moeten met elkaar worden vereenzelvigd, omdat [gedaagde 1] misbruik heeft gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze vennootschappen. Dat volgt uit het feit dat [gedaagde 1] in ieder geval een deel van de onbetaald gebleven opdrachten namens Lof! Hospitality Concepts B.V. heeft gegeven op een moment dat hij blijkbaar zijn aandelen in die B.V. reeds had verkocht. Van belang is ook dat [gedaagde 1] onduidelijkheid heeft gecreëerd met zijn visitekaartje, dat hij eerder aan [betrokkene 1] had gegeven, en waarop onder meer ‘Lof! Hospitality Concepts’ stond vermeld. Ook is onduidelijkheid gecreëerd door het automatische onderschrift onder de opdrachtmails van [betrokkene 2] (overgelegd als productie 2 bij de dagvaarding). In dat onderschrift stond onder meer ‘Lof! Hospitality Concepts’ en werden ook de adressen van gedaagden 2, 3 en 4 vermeld.

3.5. Op dezelfde gronden dat gedaagden 2, 3 en 4 en Atuserve met elkaar vereenzelvigd moeten worden, is sprake van een onrechtmatige daad van zowel deze vennootschappen als [gedaagde 1]. [gedaagde 1] is daarnaast in privé aansprakelijk op grond van bestuurdersaansprakelijkheid, omdat gedaagde 2 haar jaarrekeningen niet tijdig heeft gedeponeerd en voorts omdat [gedaagde 1] degene is die de onbetaald gebleven opdrachten heeft gegeven.

3.6. Atuserve Bemiddeling B.V. is sinds 17 maart 2010 de nieuwe naam van Lof! Hospitality Concepts B.V. Atuserve is bij brief van 2 februari 2011 (productie 11 bij de conclusie van antwoord) gesommeerd om de openstaande facturen te voldoen.

Het verweer

3.7. Gedaagden 1 tot en met 4 hebben de stellingen van Horecaflex betwist en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van Horecaflex, althans tot afwijzing van haar vorderingen, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. Zij voeren daartoe onder meer het volgende aan.

3.8. [gedaagde 1] heeft nooit, ook niet namens gedaagden 2, 3 en 4, aan Horecaflex een opdracht tot het leveren van uitzendkrachten gegeven. Als [betrokkene 2] al dergelijke opdrachten heeft gegeven, heeft hij dat niet gedaan namens of voor gedaagden 1 tot en met 4. Van belang is ook dat gedaagden 1 tot en met 4 in de voor deze zaak relevante periode niets (meer) met Lof! Hospitality Concepts B.V. te maken hadden.

4. De beoordeling

Ten aanzien van [gedaagde 1], LCK, L&F en LOF! Breda

4.1. Als uitgangspunt dient te gelden dat door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee of meer rechtspersonen, misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen. Het maken van zodanig misbruik zal in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, doch ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst, rechtens dient te worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf.

4.2. Daarnaast is het in uitzonderlijke gevallen mogelijk om vereenzelviging van de betrokken rechtspersonen - dat wil zeggen een rechtstreekse doorbraak van aansprakelijkheid door het volledig wegdenken van het identiteitsverschil - aan een vordering ten grondslag te leggen. Deze grondslag dient te worden onderscheiden van die hiervoor in rechtsoverweging 4.1 aangegeven grondslag, een onrechtmatige daad bestaande uit het misbruik van het identiteitsverschil tussen twee of meer rechtspersonen. Bij de beoordeling van de vraag of de betrokken vennootschappen met elkaar moeten worden vereenzelvigd, gaat het niet om het volledig kunnen wegdenken van het identiteitsverschil tussen de vennootschappen als zodanig, maar om de vraag om de vraag of vereenzelviging van de betrokken vennootschappen, in de uitzonderlijke omstandigheden van het geval, de meest aangewezen vorm is om het misbruik maken van het identiteitsverschil – gesteld dat daarvan sprake is – ongedaan te maken. Dat misbruik moet in de regel immers met een actie uit onrechtmatige daad worden bestreden.

4.3. Aangezien zowel voor de in rov. 4.1 omschreven onrechtmatige daad als voor de in rov. 4.2 omschreven vereenzelviging in ieder geval is vereist dat misbruik is gemaakt van het identiteitsverschil tussen verschillende vennootschappen, zal nu eerst beoordeeld worden of hiervan sprake is.

4.4. Of [gedaagde 1] en/of [betrokkene 2] daadwerkelijk de eerdergenoemde opdrachten hebben gegeven aan Horecaflex kan in het midden blijven. Ook als wordt verondersteld dat eerst [gedaagde 1] en daarna [betrokkene 2] namens Lof Hospitality Concepts B.V. die opdrachten hebben gegeven, kan niet worden aangenomen dat misbruik is gemaakt van het identiteitsverschil tussen de gedaagde vennootschappen. Uit hetgeen Horecaflex heeft gesteld kan immers niet worden afgeleid dat [gedaagde 1] – de persoon met zeggenschap over gedaagden 2, 3 en 4 – heeft gehandeld met het oogmerk om verhaal door Horecaflex onmogelijk te maken. Dat geldt te meer nu [betrokkene 1] zelf (ter comparitie) heeft gesteld er steeds vanuit te zijn gegaan dat hij zaken deed met Lof! Hospitality Concepts B.V. Van een oogmerk om verhaal onmogelijk te maken moet op zijn minst sprake zijn, wil een beroep op misbruik van identiteitsverschil tussen verschillende vennootschappen kunnen slagen.

4.5. Nu niet is komen vast te staan dat sprake is van misbruik van identiteitsverschil, kan het beroep op vereenzelviging reeds daarom evenmin slagen. Ten overvloede wordt in dit verband nog opgemerkt dat Horecaflex geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld, waaruit zou moeten volgen dat vereenzelviging van de betrokken vennootschappen in deze zaak de meest aangewezen vorm is om misbruik van identiteitsverschil te bestrijden.

4.6. De stelling dat [gedaagde 1] ook in privé aansprakelijk voor de openstaande facturen is op grond van bestuurdersaansprakelijkheid, omdat LKC haar jaarrekeningen niet tijdig zou hebben gedeponeerd, kan evenmin leiden tot toewijzing van het gevorderde. Het niet voldoen aan de verplichting om jaarrekeningen openbaar te maken, kan immers slechts leiden tot bestuurdersaansprakelijkheid indien sprake is van een faillissement van de vennootschap (artikel 2:248 BW) waarbij een bestuurder van een vennootschap kan worden aangesproken door de curator. Van een dergelijke situatie is in deze zaak geen sprake.

4.7. Horecaflex heeft ter comparitie nog betoogd dat, hoewel [gedaagde 1] geen éénmanszaak heeft, hij toch in privé aansprakelijk is, aangezien hij ‘opdracht gegeven’ heeft. Ook ten aanzien van dit betoog kan in het midden blijven of [gedaagde 1] al dan niet één of meer opdrachten namens Lof! Hospitality Concepts B.V. heeft gegeven. Deze stelling kan namelijk evenmin tot toewijzing van de vordering leiden. Het betoog van Horecaflex, zo begrijpt de rechtbank, komt er op neer dat iemand die namens een, in dit geval, besloten vennootschap een overeenkomst afsluit , ook (altijd) in privé aan te spreken zou zijn voor de nakoming van die overeenkomst. Dat is onjuist. Hiermee miskent Horecaflex dat een besloten vennootschap rechtspersoonlijkheid bezit en dus een (onafhankelijk) drager van rechten en plichten is.

4.8. De vorderingen ten aanzien van ten aanzien van gedaagden 1 tot en met 4 zullen dan ook worden afgewezen.

4.9. Horecaflex zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van gedaagden 1 tot en met 4 worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagden 1 tot en met 4 worden begroot op:

- griffierecht € 1.181,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punt × tarief € 452,00)

Totaal € 2.085,00

Ten aanzien van Atuserve

4.10. Tegen Atuserve is verstek verleend. Aangezien gedaagden 1 tot en met 4 wel in het geding zijn verschenen, wordt in deze zaak tussen alle partijen één vonnis gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak zal worden beschouwd.

4.11. Uit de stellingen van Horecaflex maakt de rechtbank op dat de statutaire naam van Lof! Hospitality Concepts B.V. op 17 maart 2010 is gewijzigd in Atuserve Bemiddeling B.V. en dat nu van deze vennootschap nakoming wordt gevorderd.

4.12. Gelet op het voorgaande komt de vordering onder I jegens Atuserve de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze zal worden toegewezen. Ook zal Atuserve worden veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van Horecaflex.

4.13. Eiseressen hebben – uiteraard onbetwist – gesteld dat aan hen beiden betaald kan worden. De vorderingen zullen in die zin worden toegewezen.

4.14. De vordering onder II tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 2.055,97 zal worden afgewezen. Uit de door Horecaflex gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden blijkt niet dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan Horecaflex vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

4.15. Atuserve zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Horecaflex worden begroot op:

- dagvaarding € 76,31

- griffierecht 1.181,00

- salaris advocaat 452,00 (1,0 punt × tarief € 452,00)

Totaal € 1.709,31

5. De beslissing

De rechtbank

In de zaak van eiseressen tegen gedaagden 1 tot en met 4

- wijst de vorderingen af,

- veroordeelt eiseressen in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden 1 tot met 4 tot op heden begroot op € 2.085,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

In de zaak van eiseressen tegen Atuserve

- veroordeelt Atuserve om aan eiseressen te betalen een bedrag van € 13.706,45 (dertienduizendzevenhonderdenzes euro vijfenveertig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente van 1% per maand over dit bedrag 14 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldenaar de factuur heeft ontvangen, tot de dag van volledige betaling,

- veroordeelt Atuserve in de proceskosten, aan de zijde van eiseressen tot op heden begroot op € 1.709,31, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

- verklaart dit vonnis in de zaak van eiseressen tegen Atuserve uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Bouter en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2011.?