Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BU9099

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
22-12-2011
Datum publicatie
22-12-2011
Zaaknummer
11-800069-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft met zijn auto op het fietspad twee fietsers aangereden. Beide fietsers, een echtpaar van 78 en 74 jaar oud, zijn door het ongeval ter plaatse overleden. Verdachte weet zich niets van het ongeval te herinneren. De rechtbank verwijt verdachte dat hij is gaan rijden, terwijl hij medicatie gebruikt voor epilepsie en suikerziekte, die de rijvaardigheid kan beïnvloeden. Verdachte heeft zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van de veiligheid van zijn medeweggebruikers onvoldoende in acht genomen. De rechtbank houdt er rekening mee dat ook verdachte onder de gevolgen van het ongeval lijdt en veroordeelt hem tot een werkstraf van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 1 jaar.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2012/2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/800069-10

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1947],

wonende te [adres en woonplaats],

hierna: verdachte.

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 8 december 2011.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde bewezen en heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 150 uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 75 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 30 maanden.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft de verdediging zich beroepen op de afwezigheid van alle schuld, wat dient te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging.

Tot slot heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

4 De bewijsbeslissing

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

(primair)

op 22 mei 2010 te Leerdam als verkeersdeelnemer, namelijk als

bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Koningin

Emmalaan , zich zodanig heeft gedragen dat een

aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig te

rijden, immers

heeft hij, verdachte, gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximum

snelheid van 50 kilometer per uur,

heeft hij, verdachte, niet voortdurend zijn volledige aandacht en/of zijn blik

op het verkeer en/of de weg gericht gehouden,

en

heeft hij, verdachte, geen gevolg gegeven aan een bord G12a van

bijlage I van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 en is hij

verdachte vervolgens terechtgekomen op het fietspad, gelegen aan de Koningin

Emmalaan aldaar,

en

heeft hij, verdachte, toen en aldaar geen snelheid

verminderd en niet tijdig geremd toen de ten opzichte van hem, verdachte,

voor hem zich bevindende fietsers stilstonden, en is hij

toen niet gestopt en is hij niet

uitgeweken,

en

heeft hij, verdachte, -gelet op de verkeerssituatie- zijn snelheid niet zodanig

geregeld, dat hij, verdachte, dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand kon

brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze

vrij was,

en

waardoor hij met het door hem bestuurde motorrijtuig tegen die fietsers is

aangereden ,

waardoor anderen (genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2])

werden gedood.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344 lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.3 Nadere bewijsoverweging

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994), komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Het staat vast dat verdachte op 22 mei 2010 als bestuurder van een motorrijtuig heeft gereden over het fietspad van de Koningin Emmalaan te Leerdam en daar - zonder af te remmen of uit te wijken - is aangereden tegen twee fietsers die daar stilstonden, als gevolg waarvan beide fietsers werden gedood.

Zodanig verkeersgedrag kan in beginsel de gevolgtrekking dragen dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte als bedoeld in artikel 6 WVW 1994 te wijten is. Dit kan echter anders zijn indien omstandigheden aannemelijk zijn geworden, bijvoorbeeld dat verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde, waaruit volgt dat van schuld in vorenbedoelde zin niet kan worden gesproken.

In dit geval staat de vraag centraal of de verdachte wist of behoorde te weten dat het risico bestond van een plotselinge bewustzijnsstoornis ten gevolge waarvan hij de controle over zijn lichaam en de door hem bestuurde auto kon verliezen op het moment dat hij op de dag van het ongeval zijn auto ging besturen en of het gedrag van de verdachte om (toch) te gaan rijden beantwoordt aan maatstaven van zorgvuldigheid.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank ten aanzien van de omstandigheden het volgende gebleken.

- verdachte heeft in zijn jeugdjaren epilepsie gekregen

- in 2007 heeft verdachte een aanrijding gehad nadat hij een 'black-out' had gekregen

- uit onderzoek is gebleken dat de 'black-out' toen vermoedelijk is veroorzaakt door een combinatie van epilepsie en suikerziekte

- verdachte rijdt uit eigen beweging alleen in Leerdam, vanwege zijn suikerziekte en mogelijke epileptische aanval

- de echtgenote van verdachte rijdt altijd wanneer zij buiten Leerdam met de auto weggaan

- verdachte slikt dagelijks vijf tabletten voor epilepsie; daarnaast injecteert hij insuline en gebruikt hij medicijnen in verband met zijn suikerziekte

- verdachte weet dat er op het doosje van de medicijnen tegen epileptische aanvallen een gele sticker zit met de tekst "pas op met dit medicijn, het kan de rijvaardigheid beïnvloeden"

(proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 10 juni 2010, nummer PL1820 2010048958-20)

- verdachte heeft op 14 juli 2008 zijn rijbewijs verlengd. Hierbij heeft hij het CBR (Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen) en/of de gemeente Leerdam geen informatie gegeven over zijn epilepsie en dat hij daarvoor medicijnen gebruikte

(proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 juni 2010, nummer PL1820 2010048958-24).

De rechtbank is van oordeel dat van een verkeersdeelnemer, die al jarenlang lijdt aan epilepsie en suikerziekte en daarvoor dagelijks medicatie gebruikt en die al eerder een aanrijding heeft gehad, zonder dat daar een sluitende oorzaak voor is gevonden maar welk incident hij zelf op basis van de opgetreden verschijnselen toeschrijft aan een combinatie van epilepsie en suikerziekte, naar maatstaven van zorgvuldigheid mag worden verlangd dat hij in het belang van de verkeersveiligheid zelf de verantwoordelijkheid neemt om passende maatregelen te nemen om te voorkomen dat hij als gemotoriseerde verkeersdeelnemer opnieuw een ongeval veroorzaakt. Door dit na te laten en daarna toch als bestuurder van een motorrijtuig aan het verkeer te gaan deelnemen, heeft verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld en het risico op een plotselinge 'black-out' in het verkeer aanvaard. Naar het oordeel van de rechtbank valt het eten van een boterham kort voor het gaan rijden niet aan te merken als een afdoende en passende maatregel.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen en dat het verkeersongeval daarom aan zijn schuld, in de zin van artikel 6 WVW 1994, te wijten is geweest.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

(primair)

OVERTREDING VAN ARTIKEL 6 VAN DE WEGENVERKEERSWET 1994, TERWIJL HET EEN ONGEVAL BETREFT WAARDOOR EEN ANDER WORDT GEDOOD, MEERMALEN GEPLEEGD.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De redenen die de straffen hebben bepaald

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 22 mei 2010 als bestuurder van een auto over het fietspad van de Koningin Emmalaan in Leerdam gereden. Hij heeft daarbij twee stilstaande fietsers aangereden. Als gevolg van deze aanrijding zijn beide fietsers, een echtpaar van 78 en 74 jaar oud, ter plaatse overleden.

Op verkeersdeelnemers rust een zorgplicht en verdachte is in dit opzicht ernstig tekort geschoten in zijn verkeersgedrag. Het verwijt dat verdachte vooral te maken valt, is dat hij als bestuurder van een auto aan het verkeer is gaan deelnemen, terwijl hij wist dat hij aan epilepsie en suikerziekte lijdt en daarvoor medicatie gebruikt die, voor wat betreft de medicijnen in verband met zijn epilepsie, de rijvaardigheid kan beïnvloeden. Bovendien had hij eerder als gevolg van een 'black-out' een aanrijding gehad en heeft hij daarop geen of onvoldoende passende maatregelen getroffen. Verdachte heeft dus zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van de veiligheid van zijn medeweggebruikers onvoldoende in acht genomen.

Door toedoen van verdachte is de nabestaanden van de slachtoffers veel pijn en verdriet aangedaan. De nabestaanden moeten leven met het onherstelbare verlies van hun dierbaren, omdat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest.

De rechtbank is ervan overtuigd dat ook verdachte onder de gevolgen van het ongeval lijdt. Hij zal moeten leven met de wetenschap dat door zijn toedoen twee andere verkeersdeelnemers het leven hebben gelaten.

Volgens de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken wordt, voor iemand die voor het eerst met de strafrechter in aanraking komt ter zake van een aanmerkelijke verkeersfout en het veroorzaken van een verkeersongeval met dodelijke afloop, een uitgangspunt van twee maanden gevangenisstraf en één jaar ontzegging van de rijbevoegdheid gehanteerd.

De rechtbank ziet in de omstandigheid dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om het landelijk uitgangspunt van twee maanden gevangenisstraf om te rekenen naar een equivalent aantal uren werkstraf. Dat betekent dat een werkstraf voor de duur van 120 uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 60 dagen hechtenis, passend is.

De rechtbank is van oordeel dat daarnaast in het belang van de verkeersveiligheid een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar passend en geboden is.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen berusten op de artikelen 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen op de wijze als hierboven onder 4.1 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 (éénhonderdtwintig) uren;

- beveelt dat, indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar;

- bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip waarop de bijkomende straf ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die straf in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele, voorzitter, mr. F.L.J.M. Heijnen en mr. A.M. van Kalmthout, rechters, in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 december 2011.

Mr. Heijnen voornoemd is door afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 22 mei 2010 te Leerdam als verkeersdeelnemer, namelijk als

bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Koningin

Emmalaan en/of kruising met de Diefdijk, zich zodanig heeft gedragen dat een

aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos,

in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te

rijden, immers

heeft hij, verdachte, gereden met een minimale snelheid van 55 kilometer per

uur, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximum

snelheid van 50 kilometer per uur,

heeft hij verdachte, niet voortdurend zijn volledige aandacht en/of zijn blik

op het verkeer en/of de weg gericht gehouden,

en/of

heeft hij, verdachte, geen gevolg gegeven aan een of meer bord(en) G12a van de

bijlage I van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 en/of is hij

verdachte (vervolgens) terechtgekomen op het fietspad, gelegen aan de Koningin

Emmalaan en/of kruising met de Diefdijk aldaar,

en/of

heeft hij verdachte toen en aldaar, rijdende op het fietspad, gelegen op de

Koningin Emmalaan en/of kruising met de Diefdijk, de voor hem bevindende

bestuurder(s) van een fiets geen voorrang verleend, immers die bestuurder(s)

niet in staat gesteld ongehinderd zijn en/of haar weg te vervolgen,

en/of

heeft hij verdachte toen en aldaar geen, althans onvoldoende snelheid

verminderd en/of niet tijdig geremd toen de ten opzichte van hem, verdachte,

voor hem zich bevindende fietser(s) dicht genaderd was/waren en/of doende

was/waren die weg te vervolgen en/of over te steken en/of stilstonden, is hij

toen niet, althans niet tijdig gestopt en/of is hij niet, althans onvoldoende

uitgeweken,

en/of

heeft hij verdachte -gelet op de verkeerssituatie- zijn snelheid niet zodanig

geregeld, dat hij, verdachte dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand kon

brengen, binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze

vrij was,

en/of

waardoor hij met het door hem bestuurde motorrijtuig tegen die fietser(s) is

aangereden en/of gebotst,

waardoor (een) ander(en) (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] )

werd(en) gedood;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 mei 2010 te Leerdam als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Koningin Emmalaan, zich

zodanig heeft gedragen, dat daardoor gevaar en/of hinder voor het overige

verkeer werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt,

immers

heeft hij, verdachte, gereden met een minimale snelheid van 55 kilometer per

uur, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximum

snelheid van 50 kilometer per uur,

heeft hij verdachte, niet voortdurend zijn volledige aandacht en/of zijn blik

op het verkeer en/of de weg gericht gehouden,

en/of

heeft hij, verdachte, geen gevolg gegeven aan een of meer bord(en) G12a van de

bijlage I van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 en/of is hij

verdachte (vervolgens) terechtgekomen op het fietspad, gelegen aan de Koningin

Emmalaan en/of kruising met de Diefdijk aldaar,

en/of

heeft hij verdachte toen en aldaar, rijdende op het fietspad, gelegen op de

Koningin Emmalaan en/of kruising met de Diefdijk, de voor hem bevindende

bestuurder(s) van een fiets geen voorrang verleend, immers die bestuurder(s)

niet in staat gesteld ongehinderd zijn en/of haar weg te vervolgen,

en/of

heeft hij verdachte toen en aldaar geen, althans onvoldoende snelheid

verminderd en/of niet tijdig geremd toen de ten opzichte van hem, verdachte,

voor hem zich bevindende fietser(s) dicht genaderd was/waren en/of doende

was/waren die weg te vervolgen en/of over te steken en/of stilstonden, is hij

toen niet, althans niet tijdig gestopt en/of is hij niet, althans onvoldoende

uitgeweken,

en/of

heeft hij verdachte -gelet op de verkeerssituatie- zijn snelheid niet zodanig

geregeld, dat hij, verdachte dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand kon

brengen, binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze

vrij was,

en/of

waardoor hij met het door hem bestuurde motorrijtuig tegen die fietser(s) is

aangereden en/of gebotst,

waardoor (een) ander(en) (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] )

werd(en) gedood;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

MEER SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 mei 2010 te Leerdam als bestuurder van een motorvoertuig

(personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Koningin

Emmalaan, geen gebruik heeft gemaakt van de rijbaan van die weg, immers is

hij verdachte vanaf de door hem gevolgde rijbaan van de Koningin Emmalaan het

in het verlengde van deze rijbaan gelegen brom/fietspad opgereden, waarbij hij

verdachte bord G12a van de bijlage I van het Reglement Verkeersregels en

Verkeerstekens 1990 heeft genegeerd, waarbij letsel aan personen is ontstaan

of schade aan goederen is toegebracht;

Parketnummer: 11/800069-10

Vonnis d.d. 22 december 2011