Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BU6970

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
89989 - HA ZA 10-2891
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het vonnis van de politierechter levert, ingevolge artikel 161 Rv, dwingend bewijs op van dat feit. Nu gedaagde in dit kader geen tegenbewijs heeft aangeboden, staat vast dat gedaagde eiser heeft mishandeld, waardoor eiser letsel heeft bekomen. Daarmee heeft gedaagde een onrechtmatige daad gepleegd, die hem is toe te rekenen en die schade heeft veroorzaakt. Gelet hierop is gedaagde aansprakelijk voor de door eiser geleden en eventueel (door de onrechtmatige daad veroorzaakte) nog te lijden schade.

Het beroep op ‘eigen schuld’ (artikel 6:101 BW) slaagt niet, nu een deel van de door gedaagde gestelde handelingen van eiser niet terugkomen in de (door gedaagde aangewezen) verklaringen van getuigen bij de politie. Daarnaast kan van het andere deel van de gestelde handelingen van eiser niet worden gezegd dat de schade hier mede het gevolg van is geweest. En, ook al zou dit anders zijn, dan zou uit de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW nog volgen dat gedaagde de gehele schade dient te dragen.

Vast is komen te staan dat er nog een medisch onderzoek noodzakelijk is en dat het voor eiser onmogelijk is (een deel van) de nog te lijden schade terstond op te geven. Gelet hierop is verwijzing naar de schadestaatprocedure passend.

Vast staat dat eiser een fractuur aan zijn kuitbeen heeft ondervonden, waarbij zich een compartimentsyndroom heeft ontwikkeld. Het letsel moest operatief worden behandeld. Gelet op de vorenstaande omstandigheden, is een voorschot op de vergoeding van de immateriële schade voor een bedrag van EUR 1.500,00 billijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 89989 / HA ZA 10-2891

Vonnis van 30 november 2011

in de zaak van

[Eiser,]

wonende te Zwijndrecht,

eiser,

advocaat mr. R. Gruben,

tegen

[Gedaagde,]

wonende te Hendrik-Ido-Ambacht,

gedaagde,

advocaat mr. E.A. Echter.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 2 maart 2011 en de daarin genoemde processtukken;

- het proces-verbaal van comparitie van 31 mei 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 26 maart 2008 heeft [gedaagde] een trap tegen het rechterbeen van [eiser] gegeven. [eiser] heeft hierdoor een fractuur aan zijn kuitbeen ondervonden, waarbij zich een compartimentsyndroom heeft ontwikkeld. Het letsel is operatief behandeld.

2.2. [gedaagde] is op 5 augustus 2008 door de politierechter veroordeeld voor mishandeling van [eiser], waarbij zwaar lichamelijk letsel het gevolg was. Het vonnis is op tegenspraak gewezen en in kracht van gewijsde gegaan.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, - samengevat -

a. voor recht te verklaren dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade;

b. voor recht te verklaren dat [gedaagde] voornoemde schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, aan [eiser] dient te vergoeden;

c. voor recht te verklaren dat [gedaagde], bij wijze van voorschot op de schade, aan [eiser] een bedrag van EUR 5.000,00 dient te vergoeden;

d. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2. [eiser] heeft aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag gelegd.

[gedaagde] heeft [eiser] een trap tegen zijn been gegeven, waardoor [eiser] letsel heeft opgelopen. Als gevolg van de verwonding ondervindt [eiser] aanzienlijke, blijvende klachten en beperkingen. De uiteindelijke ernst en aard van het letsel en de blijvende gevolgen zullen moeten worden vastgesteld in een onafhankelijk medisch onderzoek. Naast immateriële schade bestaat de schade ook uit diverse materiële kostenposten.

3.3. De verweren van [gedaagde] strekken tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] met veroordeling in de kosten van de procedure.

3.4. [gedaagde] voert daartoe het volgende aan.

Het is onduidelijk in hoeverre er sprake is van blijvende klachten of beperkingen ten gevolge van het beenletsel. Voorts geeft [eiser] geen onderbouwing en specificatie van zijn schadeposten. Tevens is niet bewezen dat er een causaal verband bestaat tussen het beenletsel en de materiële schade en de immateriële schade. Daarnaast is er sprake van ‘eigen schuld’ bij [eiser], waardoor de vergoedingsplicht van [gedaagde] dient te komen vervallen.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Ingevolge artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander daardoor lijdt, te vergoeden. [gedaagde] is door de politierechter veroordeeld voor “mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft”. Het vonnis levert, ingevolge artikel 161 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dwingend bewijs op van dat feit. Nu [gedaagde] in dit kader geen tegenbewijs heeft aangeboden, staat vast dat [gedaagde] [eiser] heeft mishandeld, waardoor [eiser] letsel heeft bekomen. Daarmee heeft [gedaagde] een onrechtmatige daad gepleegd, die hem is toe te rekenen en die schade heeft veroorzaakt. Gelet hierop is [gedaagde] aansprakelijk voor de door [eiser] geleden en eventueel (door de onrechtmatige daad veroorzaakte) nog te lijden schade.

4.2. Gezien het vorenstaande zal de vordering onder a. worden toegewezen.

4.3. Ingevolge artikel 6:101 BW kan de schadevergoedingsplicht worden verminderd, wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend (‘eigen schuld’). [gedaagde] wijst in het kader van de ‘eigen schuld’ naar de verklaringen in het proces-verbaal van politie. Volgens hem volgt hieruit dat [eiser] tegen de woning van [gedaagde] heeft staan plassen en hij [eiser] daarop heeft aangesproken. Verder blijkt, volgens [gedaagde], uit zijn verklaring en de verklaring van getuige [getuige 1], dat [eiser] [gedaagde] vervolgens wegduwde en daarna dreigend op [gedaagde] was afgestapt. [gedaagde] heeft uit angst geslagen te worden een afwerende trappende beweging gemaakt. [eiser] voert hiertegen aan dat in de strafzaak geen beroep op ‘noodweer’ is gedaan.

4.4. De schade is niet mede het gevolg geweest van het plassen tegen de woning en het wegduwen van [gedaagde] door [eiser]. Uit de stellingen van [gedaagde] volgt immers dat [gedaagde] [eiser] louter een trap had gegeven, omdat [eiser] dreigend op hem afkwam. Maar, al zou dit anders zijn, dan zou uit de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW nog volgen dat [gedaagde] de gehele schade dient te dragen. De trap van [gedaagde] staat namelijk in geen verhouding tot eerst genoemde gedragingen van [eiser].

4.5. Een vermindering van schadevergoedingsplicht ligt wellicht in de rede, wanneer [eiser] (direct voor de trap) dreigend op [gedaagde] was afgelopen. Echter, uit de verklaring van [getuige 1] kan dit niet worden opgemaakt. [getuige 1] verklaart immers dat [gedaagde], direct voor het geven van de trap, naar [eiser] was toegelopen en [eiser] bij zijn trui probeerde te pakken. [eiser] deed toen een stap naar achteren. Verder kan uit de overige verklaringen bij de politie (van [eiser] en getuige [getuige 2]) evenmin worden opgemaakt dat [eiser] agressief was en dreigend op [gedaagde] was afgelopen. Gelet hierop slaagt het ‘eigen schuld’-verweer van [gedaagde] niet.

4.6. Voor een begroting van de door [eiser] (in totaal) geleden en nog te lijden schade zijn op dit moment onvoldoende gegevens beschikbaar. [eiser] stelt gemotiveerd dat het onmogelijk is (een deel van) de nog te lijden schade (arbeidsvermogenschade, blijvende gevolgen letsel) terstond op te geven en acht een medisch onderzoek noodzakelijk. Door [gedaagde] wordt hier slechts tegen aangevoerd dat [eiser], gelet op het tijdsverloop en gezien de aard van de gestelde schadeposten, in staat moet zijn, zijn schade direct inzichtelijk te maken en te onderbouwen met bewijsstukken. De stellingen van [eiser] worden hiermee onvoldoende onderbouwd betwist. Gelet hierop is verwijzing naar de schadestaatprocedure passend. Voor een dergelijke verwijzing is vereist dat de mogelijkheid dat schade is geleden of zal worden geleden, aannemelijk is geworden. Nu vast is komen te staan dat de trappende beweging van [gedaagde] letsel heeft veroorzaakt, is aan deze voorwaarde voldaan.

4.7. Gezien het vorenstaande zal de vordering onder b. worden toegewezen.

4.8. Een totale begroting van de schade is op dit moment niet mogelijk. Vast staat wel dat [eiser] een fractuur aan zijn kuitbeen heeft ondervonden, waarbij zich een compartimentsyndroom heeft ontwikkeld. Het letsel moest operatief worden behandeld. Indien een benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, heeft hij recht op vergoeding van immateriële schade. Gelet op de vorenstaande omstandigheden, is een voorschot op de vergoeding van de immateriële schade voor een bedrag van EUR 1.500,00 billijk. De vordering onder c. zal daarom tot dit bedrag worden toegewezen.

4.9. Gebleken is dat [eiser] kosten heeft gemaakt inzake conservatoir beslag. Deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking en zullen bij de proceskostenveroordeling in aanmerking worden genomen.

4.10. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (waaronder beslagkosten) worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 87,93

- explootkosten beslag 258,99

- griffierecht 255,00 (incl. griffierecht verzoekschrift beslag)

- salaris advocaat 1.356,00 (3 punten (incl. beslag) x tarief II à EUR 452,00)

totaal EUR 1.957,92

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade en nog te lijden schade ten gevolge van de mishandeling op 26 maart 2008;

5.2. verklaart voor recht dat [gedaagde] bedoelde schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, aan [eiser] dient te vergoeden;

5.3. verklaart voor recht dat [gedaagde], bij wijze van voorschot op de schade, aan [eiser] dient te vergoeden een bedrag van EUR 1.500,00;

5.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.957,92;

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op

30 november 2011.(