Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BU5169

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
15-11-2011
Datum publicatie
21-11-2011
Zaaknummer
11-710077-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BW4924, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een toenmalige notaris uit Leerdam voor valsheid in geschrift en verduistering. Uit EHRM Sebalj volgt volgens de rechtbank geen recht op aanwezigheid van een raadsman tijdens het politieverhoor. Verdachte heeft als notaris stukken vals opgemaakt (art. 225 Sr) en geld naar een privérekening overgemaakt (art. 359 Sr). Hij heeft als privépersoon 47.000 euro verduisterd die een bejaarde dame in bewaring had gegeven (art. 321 Sr). Volgt veroordeling tot 12 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/710077-11 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren in 1961,

wonende aan [adres en woonplaats verdachte],

hierna: verdachte.

Raadsman mr. J.G. Kabalt, advocaat te Breukelen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 29 september 2011 en

1 november 2011, waarbij de officier van justitie, verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: op 24 maart 2009 in Leerdam een brief gericht aan [slachtoffer 1] valselijk heeft opgemaakt/heeft vervalst, terwijl hij hiermee als notaris een bijzondere ambtsplicht schond;

Feit 2 (primair): op 24 maart 2009 in Leerdam als ambtenaar (notaris) opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich had, heeft verduisterd;

Feit 2 (subsidiair): op 24 maart 2009 in Leerdam geld toebehorend aan [slachtoffer 1] heeft verduisterd, terwijl hij hiermee als notaris een bijzondere ambtsplicht schond;

Feit 3: op 1 september 2009 in Leerdam een nota van afrekening gericht aan [slachtoffer 2] valselijk heeft opgemaakt/heeft vervalst, terwijl hij hiermee als notaris een bijzondere ambtsplicht schond;

Feit 4 (primair): op 2 september 2009 in Leerdam als ambtenaar (notaris) opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich had, heeft verduisterd;

Feit 4 (subsidiair): op 2 september 2009 in Leerdam geld toebehorend aan [slachtoffer 2] heeft verduisterd, terwijl hij hiermee als notaris een bijzondere ambtsplicht schond;

Feit 5 (primair): in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 8 november 2010 in Leerdam als ambtenaar (notaris) opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich had verduisterd;

Feit 5 (subsidiair): in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 8 november 2010 in Leerdam geld toebehorend aan [aangeefster 2] heeft verduisterd terwijl hij hiermee als notaris een bijzondere ambtsplicht schond.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1., 2. primair, 3., 4. primair en 5. primair ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

Voor het bewijs baseert de officier van justitie zich op:

- de aangifte van [aangeefster 1],

- de aangifte van [aangeefster 2],

- de vervalste brief c.q. nota,

- overzicht van banktransacties die bevestigen dat geldsommen zoals ten laste gelegd zijn overgemaakt van de derdenrekening van de notarispraktijk naar het rekeningnummer van de partner van verdachte,

- de getuigenverklaring van [getuige 1],

- de getuigenverklaring van [getuige 2],

- de getuigenverklaring van [getuige 3],

- de getuigenverklaring van [getuige 4],

- de getuigenverklaring van [getuige 5],

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 maart 2011.

Naar aanleiding van het onder 4.2 weergegeven verweer over aanwezigheid van een raadsman bij het politieverhoor stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat geen sprake is van een vormverzuim. Verdachte heeft voor het verhoor een advocaat kunnen consulteren. Dit is ingevolge het arrest van het Europese Hof van 27 november 2008, Appl. No. 36391/02, Salduz t. Turkije voldoende. Al zou sprake zijn van een vormverzuim, dan is bewijsuitsluiting een te zware sanctie, omdat de achterliggende gedachte - betrouwbaarheid van verdachtes verklaring - is gewaarborgd. Meer subsidiair resteert voldoende bewijs voor een bewezenverklaring, zodat vrijspraak niet aan de orde is.

Naar aanleiding van het onder 4.2 weergegeven verweer dat feiten 3 en 4 niet bewezen kunnen worden verklaard, omdat verdachte door oplichting aan het geld is gekomen, stelt de officier van justitie dat de juistheid van dat verweer in het midden kan blijven. Een mogelijke andere kwalificatie staat daaraan wat haar betreft namelijk niet in de weg.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van verdachte voor het bewijs dienen te worden uitgesloten, omdat verdachte zijn recht op de aanwezigheid van een raadsman bij zijn politieverhoor, is onthouden. Dit is in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), zoals uitgelegd door het Europese Hof (hierna: EHRM) in zijn arrest van 28 juni 2011, Appl. No. 4429/09, Šebalj t. Kroatië. Dit is een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, dat volgens de Hoge Raad tot bewijsuitsluiting moet leiden (arrest van 13 september 2011, LJN BQ8907) met vrijspraak als gevolg.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 1 en feit 2.

Ten aanzien van feit 3 en feit 4 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze feiten niet kunnen worden bewezen. Voor feit 4 geldt, dat verdachte het geld namelijk niet "anders dan door misdrijf"onder zich heeft gehad, zoals is vereist voor bewezenverklaring van verduistering. Het idee over de schaduwnota en het overmaken van het geld naar een eigen rekening is ontstaan tijdens het opmaken van de akte. Zodoende heeft verdachte het geld door listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels op zijn derdenrekening gekregen (dus door oplichting).

Voor feit 3 geldt vervolgens dat het niet in strijd met de waarheid was dat verdachte op die nota de post overdrachtsbelasting niet heeft vermeld.

Ten aanzien van feit 5 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Verdachte heeft verklaard dat hij het geld van [aangeefster 2] niet uit hoofde van zijn functie als notaris heeft aangenomen, maar omdat zij elkaar van oudsher kenden.

Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman opgemerkt dat dit feit kan worden bewezen met uitzondering van het gedeelte dat ziet op de ambtsplicht. De raadsman heeft daarbij verwezen naar de opmerkingen met betrekking tot het primair ten laste gelegde. De raadsman heeft ten slotte gesteld dat de ten laste gelegde € 47.000,-- niet kan worden bewezen, maar slechts een bedrag van € 12.000,--. Volgens verdachte gaat het namelijk om een bedrag van € 15.000,--, waarvan € 3.000,-- is terugbetaald. De raadsman vindt dat aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] dient te worden getwijfeld, dat zij de verklaring van de [aangeefster 2] niet bevestigen en dat de getuigenverklaring van de aangeefster met betrekking tot de hoogte van het geldbedrag onduidelijk is, omdat niet kan worden nagegaan of het om guldens of euro's gaat.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Aanwezigheid raadsman bij het politieverhoor

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. Zij overweegt daartoe als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een vormverzuim. Een aangehouden verdachte heeft het recht om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen. Dit volgt uit artikel 6 EVRM, zoals geduid door het EHRM inzake Salduz en de Hoge Raad in zijn arrest van 30 juni 2009, LJN BH3079. Verdachte heeft dit recht gehad en gebruikt. Uit het EHRM-arrest inzake Šebalj volgt geen verder strekkend recht dan dat consultatierecht. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat EHRM-rechtspraak naar haar aard een sterk door de casus bepaald karakter heeft en dat een beslissing door het EHRM moet worden gezien in het licht van de concrete klacht. Daarom past terughoudendheid bij het uit die rechtspraak destilleren van algemene regels. Dit geldt ook in de zaak-Šebalj. In paragraaf 250 van zijn arrest geeft het EHRM onder het kopje "General principles" weer wat de relevante algemene beginselen zijn en het citeert vervolgens de overwegingen van de Grote Kamer in diens Salduz-arrest. Onder het kopje "Application of the above principles in the present case" beoordeelt het EHRM in paragrafen 251-257 de voorgelegde klacht in het licht van de algemene beginselen. Nergens formuleert het EHRM daar een nadere algemene regel. De conclusie van het EHRM in paragraaf 257 dat er sprake is van een schending van artikel 6, eerste lid en derde lid, onder c EVRM wegens "questioning by the police [...] without the presence of a defence lawyer" wordt ook uitdrukkelijk geplaatst "against this background"". Daarbij is van belang dat Šebalj, anders dan verdachte, blijkens paragraaf 254 voor het politieverhoor een advocaat zelfs niet heeft kunnen consulteren.

Feit 1

De rechtbank heeft geconstateerd dat - nu verdachte het onder 1. ten laste gelegde feit heeft bekend - de situatie, bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zich voordoet. De rechtbank kan derhalve volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen. De rechtbank acht het onder 1. tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 1];

- de brief gericht aan [slachtoffer 1];

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 november 2011.

Feit 2 primair

De rechtbank heeft geconstateerd dat - nu verdachte het onder 2. primair ten laste gelegde feit heeft bekend - de situatie, bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zich voordoet. De rechtbank kan derhalve volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen. De rechtbank acht het onder 2. primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 1];

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 november 2011.

Feit 3 en feit 4 (primair)

De rechtbank acht de feiten 3 en 4, primair, wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe het volgende.

Op 2 februari 2010 heeft [aangeefster 1], kantoorgenoot van verdachte, aangifte gedaan van fraude.

Zij heeft verklaard dat zij naar aanleiding van een eerdere fraude (rechtbank: zie feit 1 en 2) nader onderzoek naar verdere onregelmatigheden in de administratie van het notariskantoor had verricht. Uit dit interne onderzoek is naar voren gekomen dat in september 2009 een bedrag van € 189.000,-- van de derdengeldrekening van de notarispraktijk naar de rekening van de partner van verdachte is overgemaakt. Dit geld was door een klant, [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]), bij een aankoop van onroerend goed te veel betaald. [slachtoffer 2] had recht op teruggave van de gelden. Het geld is echter overgemaakt op de bankrekening van de partner van verdachte, [naam]. Inmiddels is aangeefster van mening dat het bedrag aan de fiscus is verschuldigd. [slachtoffer 2] wist er niet van dat verdachte het geld niet had gebruikt voor het voldoen van haar belastingschuld. In de administratie zijn twee nota's van afrekening aangetroffen, gericht aan [slachtoffer 2] en te voldoen op 1 september 2009, waarvan de eerste de inhoudelijk juiste betreft. Deze nota van afrekening is naar [slachtoffer 2] gestuurd. In de tweede nota van afrekening is de overdrachtsbelasting niet opgevoerd c.q. verwijderd.

In het dossier bevindt zich een rekeningoverzicht van derdengelden op naam van Notarispraktijk [naam] d.d. 2 september 2009, waaruit blijkt dat € 189.000,-- op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [naam partner verdachte] is gestort.

Op 6 augustus 2010 is getuige [getuige 2] gehoord. Hij heeft verklaard dat hij directeur van [slachtoffer 2] is. De getuige heeft verklaard dat verdachte op 1 februari 2010 bij hem is geweest en dat hij heeft gezegd dat [slachtoffer 2] ten onrechte een bedrag van € 189.000,-- had betaald. Verdachte heeft verklaard dat hij het geldbedrag had gebruikt om eigen schulden mee af te lossen. [Getuige 2] was ervan uitgegaan dat het wegens overdrachtsbelasting verschuldigde bedrag was overgemaakt aan de belastingdienst. Het geld is gestort op 1 september 2009. Op de nota die verdachte aan [Getuige 2] heeft toegestuurd, staat deze post vermeld. Op de nota die verdachtes opvolgster aan [getuige 2] heeft gegeven, staat de overdrachtsbelasting niet. [Getuige 2] heeft nooit toestemming gegeven voor het overmaken van het geld op de rekening van verdachtes partner. De belastingdienst had recht op dat geld.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij twee verschillende nota's heeft opgemaakt, waarvan er een naar [slachtoffer 2] is gegaan, te weten een factuur met daarin de post overdrachtsbelasting, en dat de andere, waarin de overdrachtsbelasting niet was vermeld, in de eigen administratie is opgenomen. Dit was gedaan om geen argwaan te wekken in geval van controle van de boeken.

Bij en krachtens de Wet op het notarisambt (Wna) heeft een notaris bepaalde ambtsplichten. Artikel 17, eerste lid Wna bepaalt dat een notaris - ambtenaar krachtens artikel 1, eerste lid onder a Wna - de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken partijen met de grootst mogelijke zorgvuldigheid behartigt. Artikel 24 Wna, en de op het derde lid daarvan gebaseerde Administratieverordening, Stcrt. 2000, 182, bevat regels over de te voeren administratie. Artikel 25, tweede lid Wna bepaalt ten slotte dat de notaris ten laste van de derdengeldrekening slechts betalingen mag doen in opdracht van een rechthebbende.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat geen sprake kan zijn van verduistering (feit 4), omdat verdachte het geld door oplichting en niet als notaris onder zich had gekregen. [Slachtoffer 2] heeft blijkens het dossier betaald wegens een via verdachte te verrichten onroerendgoedtransactie, waarvoor overdrachtsbelasting is verschuldigd, en de op zichzelf correcte nota die zij daarvoor van verdachte heeft gekregen. Van de schaduwnota in verdachtes administratie, waarop dat bedrag niet staat vermeld en die verdachte voor zijn administratie heeft bewaard om eventuele controleurs te omzeilen, weet [slachtoffer 2] niets. [slachtoffer 2] voelde zich dan ook op goede gronden gehouden het bedrag aan overdrachtsbelasting te voldoen. Daarom acht de rechtbank het onvoldoende aannemelijk dat [slachtoffer 2] heeft betaald wegens een "bedrieglijke handeling, geschikt om leugenachtige voorwendsels en valse voorstellingen ingang te doen vinden en kracht bij te zetten" (een listige kunstgreep) of een "opeenstapeling van leugens" (een samenweefsel van verdichtsels).

De rechtbank verwerpt, omdat -zoals hiervoor overwogen- de nota, zoals gestuurd naar [slachtoffer 2] de juiste was, en die in de interne administratie niet, eveneens het verweer dat geen sprake kan zijn van valsheid in geschrift (feit 3). Daarbij overweegt de rechtbank ten overvloede dat een oplichtingshandeling niet in de weg zou staan aan bewezenverklaring van valsheid in een nota.

Feit 5 (primair)

De rechtbank acht op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte (opzettelijk) uit hoofde van zijn bediening als notaris geld van de [aangeefster 2] (hierna: aangeefster) heeft verduisterd. Verdachte ontkent dit en stelt dat hij het geld als privépersoon van haar heeft aangenomen en niet als notaris. Zij kenden elkaar ook al langer. [aangeefster 2] verklaart weliswaar dat zij het geld aan [verdachte] toevertrouwde, maar ook dat zij het aan [verdachte] heeft afgegeven vanwege haar vertrouwen in hem "omdat hij notaris was". De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit feit.

Feit 5 (subsidiair)

Op 8 november 2010 heeft [aangeefster 2] aangifte gedaan van verduistering door verdachte. Zij heeft verklaard dat zij verdachte rond oktober 2008 een geldbedrag van € 50.000,-- heeft toevertrouwd en dat hij dit zou beheren om na haar overlijden aan een goed doel te schenken en haar crematie van te betalen. In juli 2010 had [aangeefster 2] contact met verdachte opgenomen en gevraagd € 3.000,-- terug te storten. Verdachte heeft dat gedaan. Nadat verdachte uit het notarisambt was gezet, heeft [aangeefster 2] verdachte verzocht om het resterende bedrag, € 47.000,--, terug te storten. Dit heeft hij niet gedaan. [Aangeefster 2] heeft aan niemand recht of toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

Verdachte heeft verklaard dat hij een bedrag van [aangeefster 2] in bewaring heeft gehad en dat hij daarvan op verzoek van de aangeefster € 3.000,-- terug heeft gestort. Verdachte heeft verklaard dat hij de rest van het bedrag niet terug kan betalen, omdat zijn rekeningen waren geblokkeerd.

Ter terechtzitting zijn drie getuigen gehoord met betrekking tot de hoogte van het bedrag. [Aangeefster 2] bevestigt dat het bedrag dat zij verdachte in bewaring had gegeven €50.000,-- bedroeg en dat zij daarvan €47.000 niet heeft teruggekregen. Zij beschrijft de herkomst van het geld, het oorspronkelijke bedrag in guldens, hetgeen zij met dat geld heeft gedaan, hoe zij het resterende bedrag heeft omgewisseld in euro's, de enveloppen waarin het geld zat en de € 3.000,-- die zij van verdachte heeft teruggekregen. [Getuige 4] bevestigt de verklaring van de aangeefster dat zij € 50.000,-- in bewaring heeft gegeven bij verdachte en dat zij daarvan € 3.000,-- heeft teruggekregen. Hij verklaart dat [aangeefster 2] dus nog € 47.000,-- van verdachte tegoed heeft. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte € 47.000,-- toebehorend aan [aangeefster 2] heeft verduisterd. De hoogte van dit bedrag wordt bevestigd door [getuige 4]. [Aangeefster 2] heeft gedetailleerd en uitvoerig verklaard en haar verklaringen zijn ook consistent. Ook over het omrekenen van het bedrag van guldens naar euro's heeft [aangeefster 2] een gedetailleerde verklaring afgelegd.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het geld in strijd met een bijzondere ambtsplicht heeft verduisterd. Zij verwijst daartoe naar hetgeen hiervoor bij feit 5, primair, is overwogen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 24 maart 2009 te Leerdam een brief

gericht aan [slachtoffer 1] - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs

van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt , immers heeft

hij, verdachte, opzettelijk in strijd met de waarheid in die brief vermeld dat

een bedrag van EUR 165.000,-- ter zake overdrachtsbelasting zou worden

teruggestort op het rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [slachtoffer 1],

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken , terwijl hij, verdachte, notaris zijnde, een

bijzondere ambtsplicht schond;

2. (primair)

op 24 maart 2009 te Leerdam als

ambtenaar opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich had heeft

verduisterd,

hebbende hij

opzettelijk een bedrag van EUR 165.000,-- van [slachtoffer 1] bestemd voor de

Belastingdienst, welk geld hij, verdachte

uit hoofde van zijn bediening als notaris op de derdengeldrekening van zijn

notarispraktijk onder zich had, zich wederrechtelijk toegeëigend door dit

geld over te maken naar de bankrekening van [naam], zijnde de

(levens)partner van verdachte;

3.

op 1 september 2009 te Leerdam, een nota

van afrekening gericht aan [slachtoffer 2] zijnde een

geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk

heeft opgemaakt , immers heeft hij, verdachte, opzettelijk in

strijd met de waarheid in die nota de post overdrachtsbelasting (ter hoogte van

EUR 189.000,--) niet vermeld, zulks met het oogmerk om dat

geschrift als echt en onvervalst te gebruiken , terwijl hij, verdachte, notaris zijnde, een bijzondere ambtsplicht

schond;

4. (primair)

op 2 september 2009 te Leerdam als

ambtenaar opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich had heeft

verduisterd,

hebbende hij

opzettelijk een bedrag van EUR 189.000,-- van [slachtoffer 2] bestemd voor de

Belastingdienst, welk geld hij, verdachte

uit hoofde van zijn bediening als notaris op de derdengeldrekening van zijn

notarispraktijk onder zich had, zich wederrechtelijk toegeëigend door dit

geld over te maken naar de bankrekening van [naam], zijnde de

(levens)partner van verdachte;

5.

in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 8 november 2010

te Leerdamopzettelijk een geldbedrag van

EUR 47.000,-- toebehorende aan

[aangeefster 2]

welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten aan hem,

verdachte, toevertrouwd door die [aangeefster 2] ter voldoening van de nalatenschap

van die [aangeefster 2], onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 en feit 3, telkens:

VALSHEID IN GESCHRIFT, TERWIJL EEN AMBTENAAR DOOR HET BEGAAN VAN HET STRAFBARE FEIT EEN BIJZONDERE AMBTSPLICHT SCHENDT;

feit 2 primair en feit 4 primair, telkens:

ALS AMBTENAAR OPZETTELIJK GELD DAT HIJ IN ZIJN BEDIENING ONDER ZICH HEEFT, VERDUISTEREN;

feit 5 subsidiair:

VERDUISTERING.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf eventueel gecombineerd met een werkstraf. Deze werkstraf dient administratief van aard te zijn. De verdediging heeft erop gewezen dat verdachte het geld niet heeft aangewend voor een luxe leven of voor zijn eigen financieel gewin. Bovendien is een groot deel van het geld bij de fiscus terecht gekomen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte was notaris en had een notariskantoor. Hij heeft zich twee maal schuldig gemaakt aan het opmaken van een vals stuk. De stukken heeft hij vervolgens gebruikt om geldbedragen die hij uit hoofde van zijn functie onder zich had, naar de privérekening van zijn partner over te maken. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij zijn ambt op een dergelijke wijze heeft misbruikt. De feiten hebben bovendien grote impact gehad op de notarispraktijk en het personeel dat daar werkt.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering van een geldbedrag dat hem door een bejaarde dame was toevertrouwd. Dit geld was bestemd voor haar crematie en had verder betrekking op haar nalatenschap. Het door haar in hem gestelde vertrouwen heeft verdachte ernstig beschaamd.

De rechtbank is van oordeel dat hierop slechts met onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan worden gereageerd. Voor een werkstraf met een voorwaardelijke gevangenisstraf is geen plaats. Bij verduistering door een privépersoon van € 5.000,-- is binnen de rechtbank al een gevangenisstraf van 6 weken uitgangspunt, terwijl het in dit geval gaat om een veel hoger bedrag (€ 401.000,--). Het overgrote deel van dit bedrag heeft betrekking op gelden waarover verdachte als notaris de beschikking had. Voor het overige is het afkomstig van een slachtoffer dat door zijn handelen op grove wijze is benadeeld. Daarnaast heeft verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift.

Volgens het strafblad van verdachte is hij niet eerder met politie en justitie in aanraking geweest. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de bewezenverklaarde feiten zware persoonlijke gevolgen voor en impact op verdachte hebben gehad. De rechtbank vindt hierin aanleiding om, in het voordeel van verdachte, van de eis van de officier van justitie af te wijken.

De rechtbank zal een fors gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Dit moet verdachte ervan weerhouden om in de toekomst nog eens strafbare feiten te plegen.

8 De benadeelde partij

Het slachtoffer [aangeefster 2], heeft als benadeelde partij een totaalbedrag van € 47.000,-- gevorderd ter zake van materiële schade, ten aanzien van feit 5.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, alsmede tot oplegging van de maatregel tot schadevergoeding.

Ten aanzien van het gedeelte van de vordering dat ziet op materiële schade heeft de raadsman aangevoerd dat dit dient te worden gematigd tot € 12.000,--. De raadsman heeft gesteld dat er geen schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd, nu op voorhand duidelijk is dat verdachte het verschuldigde bedrag niet kan betalen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij aansprakelijk is voor de schade, die door de bewezen verklaarde feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank acht de materiële schade tot een bedrag van € 47.000,-- toewijsbaar voor vergoeding. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 8 november 2010.

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen. Op voorhand is niet gebleken dat verdachte het verschuldigde bedrag niet kan terugbetalen. Juist uit de verklaringen van verdachte ter terechtzitting is naar voren gekomen dat verdachte verwacht in de toekomst weer over geld te kunnen beschikken.

9 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregel berusten op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 44, 57, 225, 321 en 359 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 5. primair ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart het ten laste gelegde bewezen op de wijze als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster 2] van € 47.000,--, ter zake van materiële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 8 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster 2], € 47.000,-- te betalen, bij niet-betaling te vervangen door 270 (tweehonderdenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. van Laanen, voorzitter, mr. M.A. Waals en mr. L.C. van Walree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 november 2011.

Mr. Waals is wegens afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 24 maart 2009 te Leerdam, althans te Nederland, een brief

gericht aan [slachtoffer 1] - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs

van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft

hij, verdachte, opzettelijk in strijd met de waarheid in die brief vermeld dat

een bedrag van EUR 165.000,-- ter zake overdrachtsbelasting zou worden

teruggestort op het rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van van [slachtoffer 1],

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of

door anderen te doen gebruiken, terwijl hij, verdachte, notaris zijnde, een

bijzondere ambtsplicht schond;

2.

hij op of omstreeks 24 maart 2009 te Leerdam, althans te Nederland, als

ambtenaar opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich had heeft

verduisterd,

hebbende hij

opzettelijk een bedrag van EUR 165.000,-- van [slachtoffer 1] bestemd voor de

Belastingdienst, welk geld hij, verdachte, anders dan door misdrijf, immers

uit hoofde van zijn bediening als notaris op de derdengeldrekening van zijn

notarispraktijk onder zich had, zich wederrechtelijk toegeëigend door dit

geld over te maken naar de bankrekening van [naam], zijnde de

(levens)partner van verdachte

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 maart 2009 te Leerdam, althans te Nederland,

opzettelijk een geldbedrag van EUR 165.000,--, in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of de Belastingdienst, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte

anders dan door misdrijf, te weten aan hem, verdachte, toevertrouwd door die

[slachtoffer 1] ter voldoening van een belastingschuld, onder zich had, wederrechtelijk

zich heeft toegeëigend, terwijl hij, verdachte, notaris zijnde een bijzondere

ambtsplicht schond

3.

hij op of omstreeks 1 september 2009 te Leerdam, althans te Nederland een nota

van afrekening gericht aan [slachtoffer 2].- zijnde een

geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk

heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk in

strijd met de waarheid in die nota de post overdachtsbelasting (ter hoogte van

EUR 189.000,--) verwijderd/niet vermeld, zulks met het oogmerk om dat

geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen

gebruiken, terwijl hij, verdachte, notaris zijnde, een bijzondere ambtsplicht

schond;

4.

hij op of omstreeks 2 september 2009 te Leerdam, althans te Nederland, als

ambtenaar opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich had heeft

verduisterd,

hebbende hij

opzettelijk een bedrag van EUR 189.000,-- van [slachtoffer 2] bestemd voor de

Belastingdienst, welk geld hij, verdachte, anders dan door misdrijf, immers

uit hoofde van zijn bediening als notaris op de derdengeldrekening van zijn

notarispraktijk onder zich had, zich wederrechtelijk toegeëigend door dit

geld over te maken naar de bankrekening van [naam], zijnde de

(levens)partner van verdachte

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 2 september 2009 te Leerdam, althans te Nederland,

opzettelijk een geldbedrag van EUR 189.000,--, in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of de Belastingdienst, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte

anders dan door misdrijf, te weten aan hem, verdachte, toevertrouwd door die

[slachtoffer 2] ter voldoening van een belastingschuld, onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, terwijl hij, verdachte, notaris zijnde

een bijzondere ambtsplicht schond

5.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2008 tot en met 8 november 2010

te Leerdam, althans te Nederland, meermalen althans eenmaal, als ambtenaar

opzettelijk geld dat hij in zijn bediening onder zich had heeft verduisterd,

hebbende hij

opzettelijk een bedrag van EUR 47.000,-- van [aangeefster 2] bestemd voor

voldoening van de nalatenschap van die [aangeefster 2], welk geld hij, verdachte,

anders dan door misdrijf, immers uit hoofde van zijn bediening als notaris

onder zich had, zich wederrechtelijk toegeëigend

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 5 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2008 tot en met 8 november 2010

te Leerdam, althans te Nederland, opzettelijk een geldbedrag van

EUR 47.000,--, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[aangeefster 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten aan hem,

verdachte, toevertrouwd door die [aangeefster 2] ter voldoening van de nalatenschap

van die [aangeefster 2], onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend,

terwijl hij, verdachte, notaris zijnde een bijzondere ambtsplicht schond

Parketnummer: 11/710077-11

Vonnis d.d. 15 november 2011