Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BU4932

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
07-11-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
11/1335
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verlaging van de inkomensvoorziening wegens het niet voldoen aan de verplichting van artikel 45, aanhef en onder d, van de Wet Investeren in Jongeren (verplichting mee te werken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op arbeidsinschakeling).

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter biedt de WIJ geen grondslag om een betrokkene te verplichten tot het meewerken aan schuldhulpverlening. Betwijfeld moet daarom worden of verweerder een verlaging van de inkomensvoorziening mocht opleggen wegens het niet meewerken aan de toegewezen schuldhulpverlening door niet te verschijnen op de afspraken met haar budgetcoach. Afstemmingsbesluit bij wijze van voorlopige voorziening geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 11/1335

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[naam], wonende te [woonplaats], verzoekster,

gemachtigde: mr. drs. A. de Raad, advocaat te Dordrecht,

en

het Drechtstedenbestuur, verweerder,

gemachtigde: mr. W. Duvivier, werkzaam bij de Sociale Dienst Drechtsteden.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 14 oktober 2011 heeft verweerder verzoekster een verlaging van € 300,- opgelegd op haar inkomensvoorziening ingevolge de Wet Investeren in Jongeren (hierna: WIJ).

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 20 oktober 2011 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van eveneens 20 oktober 2011 heeft verzoekster een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 3 november 2011 ter zitting behandeld.

Verzoekster is verschenen bij gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.2. Artikel 5, lid 1, van de WIJ bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

- werkleeraanbod: het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid, een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen scholing, opleiding of sociale activering alsmede ondersteuning bij arbeidsinschakeling.

Artikel 6, eerste lid, van de WIJ bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

- arbeidsinschakeling: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand;

- sociale activering: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de WIJ stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot:

a. de inhoud van een werkleeraanbod;

b. het verlagen van het bedrag van de inkomensvoorziening, bedoeld in artikel 41, eerste lid;

(...).

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de WIJ verlaagt het college het bedrag van de aan de jongere toegekende inkomensvoorziening, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, indien de jongere naar het oordeel van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, niet of onvoldoende nakomt.

Ingevolge artikel 45 van hoofdstuk 5 van de WIJ is de jongere verplicht:

a. mee te werken aan het opstellen van een plan met betrekking tot zijn arbeidsinschakeling, waaronder begrepen mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;

b. geen onredelijke eisen te stellen in verband met door hem te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren;

c. mee te werken aan het behoud of bevorderen van zijn arbeidsbekwaamheid;

d. mee te werken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op zijn arbeidsinschakeling;

e. opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar beste vermogen te verrichten;

f. op advies van een arts zich te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.

2.1.3. Bij besluit van 16 juni 2010 heeft het Drechtraad een verordening als bedoeld in artikel 12 van de WIJ vastgesteld, namelijk de Verordening Werk en Inkomen Drechtsteden (hierna: de Verordening).

Ingevolge artikel 2.2.4 van de Verordening kan het Drechtstedenbestuur, onverminderd artikel 2.2.3 en wat elders in deze verordening is vermeld, één of meer van de voorzieningen bedoeld in artikel 2.1.5 van deze verordening en zoals die zijn uitgewerkt in het plan bedoeld in artikel 2.1.2, tweede lid van deze verordening, aanbieden, tenzij enige wettelijk voorschrift zich daartegen verzet.

Ingevolge artikel 2.1.5, eerste lid, van de Verordening kan het Drechtstedenbestuur een persoon behorende tot de doelgroep begeleiden of laten begeleiden bij het zoeken naar en verwerven van arbeid naar vermogen, alsmede bij het wegnemen van belemmeringen voor de arbeidsinschakeling. Het Drechstedenbestuur kan hiertoe op eigen initiatief, dan wel op verzoek van de persoon uit de doelgroep, een of meer voorzieningen aanbieden. De voorzieningen kunnen onder meer worden onderscheiden in:

(...)

- flankerende instrumenten, waaronder (...) schuldhulpverlening (...).

Ingevolge artikel 2.2.9 van de Verordening is een jongere die gebruik maakt van een voorziening, gehouden te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de WIJ en deze verordening, evenals aan de verplichtingen die het Drechtstedenbestuur aan de aangeboden voorziening heeft verbonden.

Ingevolge artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Verordening wordt de inkomensvoorziening eenmalig met € 150 verlaagd wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het Drechtstedenbestuur ernstig is tekortgeschoten in het meewerken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op zijn arbeidsinschakeling.

Ingevolge artikel 4.4, eerste lid, van de Verordening verlaagt het Drechtstedenbestuur bij de toepassing van artikel 4.1, tweede lid, van de Verordening de inkomensvoorziening met € 150 extra, indien de belanghebbende naar het oordeel van het Drechtstedenbestuur ernstig is tekortgeschoten in een of meer van de genoemde opzichten, nadat nog geen jaar is verlopen na een eerder besluit tot afstemming met toepassing van artikel 4.1, tweede lid.

2.2. Het bestreden besluit

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat verzoekster ernstig tekort is geschoten, nu uit onderzoek is gebleken dat zij niet of onvoldoende meewerkt aan activiteiten of werkzaamheden die gericht zijn op arbeidsinschakeling. Verzoekster verschijnt namelijk niet op haar afspraken met haar budgetcoach. De bevoegdheid tot het opleggen van de verplichting mee te werken aan begeleiding door een budgetcoach berust volgens verweerder op artikel 2.1.5, eerste lid, van de Verordening en moet worden gezien in het licht van het wegnemen van belemmeringen bij arbeidsinschakeling.

Verweerder betoogt dat het niet meewerken door verzoekster aan activiteiten gericht op arbeidsinschakeling thans voor de tweede maal in één jaar tot een afstemmingsbesluit geleid. Primair stelt verweerder zich op het standpunt dat als een zodanig besluit is aan te merken diens waarschuwing van 5 april 2011, subsidiair diens afstemming van 22 oktober 2010.

2.3. Standpunt verzoekster

Verzoekster betoogt dat de door verweerder toegewezen begeleiding door een budgetcoach niet kan worden aangemerkt als een activiteit gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 45 van de WIJ, zodat een deugdelijke grondslag voor het opleggen van de verlaging op verzoeksters inkomensvoorziening ontbreekt.

Voor zover al een grondslag voor het opleggen van de verlaging op haar inkomensvoorziening zou zijn aan te wijzen, dan had verweerder in redelijkheid niet in verband met het niet nakomen van afspraken met de bugdetcoach tot een verlaging kunnen besluiten. Verzoekster wijst erop dat de budgetcoach geen onderdeel uitmaakt van haar werkleeraanbod. Verzoekster wijst er voorts op dat zij een goede verklaring heeft voor het niet langer gebruik maken van de budgetcoach. De budgetcoach was lange tijd wegens ziekte voor verzoekster niet beschikbaar, waarop verzoekster budgetbemiddeling via maatschappelijk werk heeft ingeschakeld.

Voor zover al een verlaging mocht worden opgelegd, bestond volgens verzoekster geen grond voor een dubbele verlaging. Verweerders waarschuwing van 5 april 2011 is immers niet aan te merken als afstemmingsbesluit in de zin van artikel 4.1, tweede lid, van de Verordening.

2.4. Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.4.1. Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is een spoedeisend belang bij de beoordeling door de voorzieningenrechter van een verlaging van een inkomensvoorziening aan de orde, als het verzoek om voorlopige voorziening werd ingediend voordat de verlaging werd geëffectueerd. Nu het verzoek om voorlopige voorziening op 20 oktober 2011 werd ingediend en de verlaagde inkomensvoorziening op 26 oktober 2011 werd uitbetaald, is in dit geval sprake van een spoedeisend belang dat een beoordeling door de voorzieningenrechter rechtvaardigt volgens voornoemde jurisprudentie.

2.4.2. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter biedt de WIJ geen grondslag om een betrokkene een verplichting op te leggen tot het meewerken aan schuldhulpverlening.

Weliswaar kan verweerder blijkens zijn Verordening een betrokkene bij de begeleiding ingevolgde de WIJ schuldhulpverlening aanbieden als flankerende voorziening, maar naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan een dergelijke voorziening niet als verplichting in het kader van het werkleeraanbod dan wel anderszins ingevolge de WIJ aan een betrokkene worden opgelegd. De voorzieningenrechter gaat er daarbij, mede gelet op hetgeen verweerder daarover ter zitting heeft verklaard, van uit dat schuldhulpverlening in het kader van begeleiding ingevolge de WIJ wordt aangeboden indien de schulden van dien aard zijn dat deze voor de betrokkene psychisch belastend zijn. Aldus bezien staat naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een dergelijke voorziening in een te ver verwijderd verband tot arbeidsinschakeling om deze te kunnen aanmerken als een voorziening gericht op arbeidsinschakeling in de zin van de WIJ. Ook is gebruikmaking van deze flankerende voorziening niet expliciet in de WIJ neergelegd als een voor de betrokkene geldende verplichting.

2.4.3. Het vorenstaande in aanmerking genomen moet worden betwijfeld of verweerder bij wijze van afstemmingsbesluit verzoekster een verlaging van de inkomensvoorziening ingevolge de WIJ mocht opleggen wegens het niet meewerken aan de toegewezen schuldhulpverlening door niet te verschijnen op de afspraken met haar budgetcoach. Reeds daarom staat niet vast dat sprake is van een tweede afstemmingsbesluit binnen één jaar.

2.4.4. Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter betwijfelt of het bestreden besluit in bezwaar stand zal kunnen houden. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en het bestreden besluit van 14 oktober 2011 te schorsen.

Nu het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, dient verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:82, vierde lid, in samenhang met artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door verzoekster betaalde griffierecht (€ 41,-) te vergoeden.

De voorzieningenrechter ziet hierin tevens aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:84 in samenhang met artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met het verzoek om voorlopige voorziening heeft gemaakt.

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn de kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,- en wegingsfactor 1). Van overige kosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit van 14 oktober 2011;

- bepaalt dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,- aan haar vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,-, welke kosten verweerder aan verzoekster moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, en door deze en mr. M. Lammerse, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,