Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BU4437

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
15-11-2011
Datum publicatie
15-11-2011
Zaaknummer
11/870372-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren in verband met de gewelddadige overval op een echtpaar in Papendrecht en het bezit van een verboden wapen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte – samen met een ander – de slachtoffers in hun appartement met geweld en bedreiging met geweld heeft beroofd van een kluis. Beide slachtoffers zijn geschopt en geslagen en met tie-wraps gekneveld. Het mannelijke slachtoffer heeft tevens een vuurwapen op zijn hoofd gericht gekregen terwijl werd gedreigd hem of zijn vrouw dood te schieten. Onder dreiging van het geweld zijn de slachtoffers gedwongen toe te staan dat de kluis (met inhoud) door verdachte en zijn mededader werd meegenomen. Mede gelet op de ernst van het toegepaste geweld en de omstandigheid dat verdachte op geen enkele manier inzicht heeft willen verschaffen in zijn handelen en op geen enkele manier berouw heeft getoond of spijt heeft betuigd richting de slachtoffers komt de rechtbank tot een hogere straf dan door de officier van justitie is geëist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/870372-11 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1979],

wonende te [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de PI Krimpen aan den IJssel te Krimpen aan den IJssel,

hierna: verdachte.

Raadsman mr. G.E. Toxopéus, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 1 november 2011, waarbij de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vorderingen van de benadeelde partijen. De slachtoffers hebben gebruik gemaakt van hun recht als omschreven in artikel 51e van het Wetboek van Strafvordering. Daartoe hebben zij (samen) een slachtofferverklaring opgesteld welke ter terechtzitting is voorgehouden.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: op 10 juni 2011 te Papendrecht samen met anderen een echtpaar in hun woning heeft overvallen en daarbij een kluis met inhoud heeft gestolen;

Feit 2: op 29 juli 2011 te Rotterdam in strijd met de Wet wapens en munitie een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit van feit 1 omdat het wettig en overtuigend bewijs voor de aanwezigheid van verdachte in de woning van de slachtoffers ontbreekt

De raadsman heeft gewezen op de uitgewerkte telefoongesprekken in het dossier. Uit telefoongesprek nr. 24 blijkt dat [benadeelde partij 1] twijfelt en uit telefoongesprek nr. 60 dat ze haar aangifte gaat veranderen. De raadsman acht de herkenning van verdachte op de beelden, gemaakt bij de Gamma, om die reden niet geschikt voor het bewijs, en bepleit dat die buiten beschouwing moet worden gelaten.

Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat de bewijswaarde van het op de pet in de woning aangetroffen dna-materiaal beperkt is nu het gaat om een aangetroffen mengprofiel en de statistische onderbouwing ontbreekt.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat verdachte gedeeltelijk dient te worden vrijgesproken en wel voor de aanwezigheid en het gebruik van het vuurwapen in de woning. Uit de verklaringen van de aangevers blijkt, aldus de raadsman, dat zij niet gelijktijdig een vuurwapen kunnen hebben gezien en er is evenmin een vuurwapen aangetroffen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de inhoud van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden, die de rechtbank samengevat en zakelijk zal weergeven.

Feit 1 (woningoverval)

Op 10 juni 2011 is het echtpaar [benadeelde partij 1 en 2] overvallen in hun appartement in Papendrecht. [benadeelde partij 1] (hierna: aangeefster) heeft verklaard dat die dag tussen 18:15 uur en 18:30 uur de deurbel ging. Toen zij de deur opendeed stonden er twee mannen voor de deur van wie één een zwarte map in zijn hand had. Aangeefster heeft verklaard dat zij direct door een van de mannen (dader 1) meerdere malen met een vuist in haar gezicht werd geslagen waardoor aangeefster ten val kwam. De handen van aangeefster werden vervolgens op haar rug vastgemaakt. Na enige tijd zag aangeefster dat haar man naast haar werd gelegd en aan zijn handen en voeten werd vastgebonden. Dader 1 vroeg: "Waar is de kluis". Aangeefster heeft verklaard dat zij - terwijl zij op zoek was naar de sleutel en de code van de kluis - dader 1 een zwart pistool tegen de nek van haar man zag houden, dat hij meerdere malen heeft gezegd: "ik schiet" en daarbij ook zei: "ik ben de Balkankiller". Toen de mannen de kluis uit de kast hadden gepakt, vroeg dader 1 waar de Rolexen waren.

[benadeelde partij 2] (hierna: aangever), heeft verklaard dat hij wakker werd van gegil van zijn vrouw en zag dat zij werd geslagen. Na een vechtpartij met één van de mannen kreeg hij van dader 1 een vuistslag in zijn gezicht en werd hij onderuit geschopt. Aangever heeft verklaard dat hij voelde dat er een pistool op zijn hoofd werd gericht en dat dader 1 toen zei: "als je nu nog 1 keer wat zegt, dan schiet ik je hersens eruit, ik schiet je vrouw ook overhoop want daar zit ik niet mee, want ik ben een Balkankiller". Aangever heeft verklaard dat hij vervolgens een doek over zijn hoofd kreeg en met tie-wraps aan handen en voeten werd vastgebonden. Aangever en aangeefster werden op een gegeven moment aan elkaar vastgebonden, waarna de mannen met de kluis vertrokken.

Naar aanleiding van een uitzending van het tv programma Opsporing Verzocht d.d. 19 juli 2011 heeft [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) zich bij de politie gemeld met de mededeling dat hij betrokken was geweest bij de overval. Hij heeft verklaard dat hij uit rancune ten aanzien van de zoon van het echtpaar [benadeelde partij 1 en 2] - aan iemand die hij kent als [medeverdachte 2] - de tip heeft gegeven dat er in de woning van dat echtpaar een kluis aanwezig was met Rolexen en geld. [medeverdachte 2] heeft er een derde persoon bij gehaald die hij [verdachte] noemde. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat ze op 10 juni 2011 met zijn drieën naar Papendrecht zijn gereden en dat [verdachte] een zwarte map bij zich had. Aangekomen bij het appartementencomplex in Papendrecht heeft [medeverdachte 1] aan de twee anderen gezegd dat hij het huisnummer niet wist, maar dat het echtpaar genaamd was '[benadeelde partij 1 en 2]'. [medeverdachte 2] en [verdachte] hebben de auto verlaten en zijn lopend naar het appartementencomplex gegaan. Enige tijd later kwam [medeverdachte 2] aan rennen en zei "rijden, rijden". [medeverdachte 1] moest van [medeverdachte 2] omrijden en de kofferbak open doen. Iets later kwam [verdachte] aanlopen met een kluis in zijn armen. [medeverdachte 1] heeft - nadat aan hem door de politie foto's zijn getoond van verdachte [verdachte] en [medeverdachte2] - verklaard dat hij op de foto's de twee mannen herkende die de overval hebben uitgevoerd.

Verder heeft [medeverdachte 1] verklaard dat - nadat ze op aanwijzing van [verdachte] naar Rotterdam waren gereden - [verdachte] en [medeverdachte 2] de kluis bij een flat in Rotterdam naar boven hebben gebracht. [medeverdachte 1] heeft na zijn aanhouding een flatwoning aan de [adres 2]te Rotterdam aangewezen als de woning waar de kluis naartoe is gebracht. Verdachte heeft als woonadres opgegeven [adres 2] te Rotterdam.

[medeverdachte 1] heeft voorts verklaard dat ze die avond twee keer naar de Gamma in Schiedam zijn gereden om gereedschap te kopen om de kluis open te maken. Op de bewakingsbeelden van die Gamma is te zien dat op 10 juni 2011 om 19:32 uur en 19:51 uur een man de winkel binnen komt lopen. De eerste keer wordt hij vergezeld door een tweede man. In het kassasysteem is vermeld dat deze man de eerste keer drie sloopbeitels heeft gekocht. De tweede keer heeft hij een zaagbeugel met zaagbladen gekocht. Observanten hebben op 20 juli 2011 gezien, dat een persoon, die wordt herkend als vermoedelijk de broer van verdachte, uit het portiek van de woning aan de [adres 2] te Rotterdam komt lopen met een tasje, dat hij vervolgens weggooit in een afvalcontainer. Het tasje wordt later onderzocht door de politie. Er zit gereedschap in het tasje, waaronder een ijzerzaag die soortgelijk is aan hetgeen op 10 juni 2011 door genoemde man in de Gamma in Schiedam is gekocht. Aan de hand van de bewakingsbeelden van de Gamma hebben onder meer een politieambtenaar van het regiokorps Rotterdam Rijnmond alsmede de partner van de vader van verdachte, verdachte herkend als de man die op de hiervoor genoemde tijden twee keer de Gamma heeft bezocht.

Na het tonen van de bewakingsbeelden van de Gamma in Schiedam aan de slachtoffers heeft [benadeelde partij 2] verklaard dat hij de voorste man (aan diens ogen) herkent als degene met wie hij op 10 juni 2011 heeft gevochten.

[medeverdachte 1] heeft tenslotte verklaard dat hij, [medeverdachte 2] en [verdachte] de kluis uiteindelijk open hebben gekregen, dat zij daar € 40.000,= in hebben aangetroffen en dat het geld is verdeeld. Daarna heeft [verdachte] de kluis in het water gegooid. Op aanwijzen van [medeverdachte 1] is de kluis op

2 augustus 2011 door de politie aangetroffen in het water aan de Admiraliteitskade te Rotterdam.

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 10 juni 2011 samen met '[medeverdachte 2]' in de flat in Papendrecht is geweest en daar met geweld en bedreiging met geweld het echtpaar heeft overvallen en de kluis met inhoud heeft weggenomen. De verklaringen van aangevers en de herkenning van verdachte door aangever op de camerabeelden, gemaakt bij de Gamma, in samenhang bezien met de verklaringen van [medeverdachte 1], rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank die conclusie, terwijl de overtuiging van de rechtbank verder is versterkt door het in het dossier en hiervoor weergegeven steunbewijs.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de herkenning van verdachte door aangever voor het bewijs buiten beschouwing te laten. De tapgesprekken waar de raadsman aan refereert hebben geen betrekking op hem, maar op aangeefster.

De rechtbank passeert op grond van het voorgaande het verweer van de raadsman dat het bewijs voor de aanwezigheid van verdachte in de flat van de slachtoffers ontbreekt.

Tenslotte ziet de rechtbank in hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht evenmin aanleiding te veronderstellen dat er bij de overval geen wapen zou zijn gebruikt. Beide aangevers hebben verklaard over de aanwezigheid van een wapen. Uit de aangiftes volgt niet, dat de aangevers dat wapen niet hebben kunnen zien: aangeefster heeft wel meer waarnemingen gedaan nadat de ogen 'dicht waren geslagen'. Hieruit volgt reeds, dat de ogen klaarblijkelijk niet geheel dicht zaten. Ook volgt uit de aangifte van aangever, dat hij al een vuurwapen waarnam, voordat hij een doek over zijn hoofd kreeg. De rechtbank verwerpt het verweer.

Feit 2 (verboden wapenbezit)

Op vrijdag 29 juli 2011 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van verdachte aan de [adres 2] te Rotterdam. Daarbij is een combinatiewapen (een wapenstok/CS gas wapen van het merk TW 1000 4209085) aangetroffen. Technisch onderzoek heeft uitgewezen dat het in die wapenstok geïntegreerde CS-gas-spuitsysteem een systeem is, bestemd voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende of soortgelijke stof, zodat het CS-gas spuitsysteem een wapen is in de zin van artikel 2 lid 1, Categorie II onder 6º van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank acht op grond van de vorenstaande feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 29 juli 2011 te Rotterdam een wapen van de categorie II onder 6°, van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 10 juni 2011 te Papendrecht tezamen en in vereniging met

anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een kluis met inhoud, toebehorende aan [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of

[benadeelde partij 1], , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd

van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 2] en die

[benadeelde partij 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en

gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en

aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van

het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededader

- die [benadeelde partij 2] en/of die [benadeelde partij 1] heeft/hebben geslagen

en/of geschopt

en

- heeft/hebben gevraagd:"Waar zijn de rolexen" en "Waar is de kluis"

en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die

[benadeelde partij 2] heeft gericht,

en

heeft geroepen:"Als je nu nog een keer iets zegt, schiet ik je hersens

eruit" en "Als je niet meewerkt schieten we je vrouw kapot" en "Ik

schiet" en "Ik ben balkankiller", althans woorden van soortgelijke

bedreigende aard en strekking

en

- die [benadeelde partij 2] en die [benadeelde partij 1] met tiewraps heeft/hebben

vastgebonden;

2.

op 29 juli 2011 te Rotterdam een in een wapenstok

geïntegreerd CS-gas-spuitsysteem, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen

van personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of

traanverwekkende stof(fen) van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft

gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

1.

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN, VERGEZELD EN GEVOLGD VAN GEWELD EN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN EN OM BIJ BETRAPPING OP HETERDAAD AAN ZICHZELF EN ZIJN MEDEDADER HETZIJ DE VLUCHT MOGELIJK TE MAKEN, HETZIJ HET BEZIT VAN HET GESTOLENE TE VERZEKEREN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER PERSONEN;

2.

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar en 6 maanden, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat volgens de LOVS-oriëntatiepunten voor een dergelijke diefstal met geweld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar pleegt te worden opgelegd. De raadsman heeft de rechtbank op grond daarvan verzocht om verdachte een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie gevorderd.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. De rechtbank merkt daarbij op dat verdachte zich steeds heeft beroepen op zijn zwijgrecht, zodat de rechtbank zich enkel kan baseren op de voornoemde factoren voor zover deze uit het dossier blijken of door de raadsman naar voren zijn gebracht.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met twee andere personen een echtpaar uit Papendrecht overvallen in hun eigen woning. Terwijl een medeverdachte beneden in de auto bleef, heeft verdachte zich met de andere man naar het appartementencomplex begeven. Toen de vrouw van het echtpaar op aanbellen de deur opendeed, werd zij direct met meerdere vuistslagen tegen de grond geslagen. Ook de man is geschopt en geslagen en beide slachtoffers zijn met tie-wraps gekneveld. De man heeft een vuurwapen op zijn hoofd gericht gekregen terwijl werd gedreigd hem of zijn vrouw dood te schieten. Onder dreiging van dit geweld zijn de slachtoffers gedwongen toe te staan dat de kluis (met inhoud) door verdachte en zijn mededader werd meegenomen. Daarbij zijn de slachtoffers in een zeer penibele en hulpeloze toestand achtergelaten.

Het spreekt voor zich dat een op deze manier uitgevoerde gewelddadige overval voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest, met de fysieke en psychische gevolgen waarvan zij moeten leren verder te leven. Naast het gevolg voor de directe slachtoffers draagt dit soort feiten ook bij aan een gevoel van onveiligheid in de maatschappij in het algemeen, maar zeker ook in de omgeving waar het feit is gepleegd.

Verdachte heeft niet willen verklaren over zijn aandeel in de overval en heeft ook geen inzicht gegeven in de drijfveren voor zijn handelen. De rechtbank kan uitgaande van het dossier niet anders concluderen dan dat verdachte zich heeft laten leiden door zijn eigen materiële behoeften. Verdachte heeft zich hierbij weinig rekenschap gegeven van de verstrekkende gevolgen van de gepleegde feiten voor de slachtoffers, zoals wel blijkt uit het grove geweld dat op de slachtoffers is toegepast.

Naast de overval heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een verboden wapen.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan deze feiten.

Volgens de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk overleg van de voorzitters van strafsectoren (LOVS) wordt, voor een overval in een woning waarbij meer dan licht geweld wordt gebruikt, als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren gehanteerd. In de omstandigheden dat bij de onderhavige overval gebruik is gemaakt van een (mogelijk nep)vuurwapen, er grof geweld is gebruikt en de overval door meerdere personen is gepleegd, ziet de rechtbank strafverhogende factoren. De rechtbank weegt bovendien in het nadeel van verdachte mee dat hij op geen enkele manier inzicht heeft willen verschaffen in de drijfveren voor zijn handelen en op geen enkele manier berouw heeft getoond of spijt heeft betuigd richting de slachtoffers.

Daarnaast zal voor het voorhanden hebben van een verboden wapen van de categorie II, onder 6º van de wet wapens en munitie, in aanmerking nemende dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

8 De benadeelde partijen

[benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert een schadevergoeding van € 8.700,-, waarvan

€ 6.000,- ter zake van materiële schade en € 2.700,- ter zake van immateriële schade, in verband met feit 1.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor toewijzing in aanmerking komt voor zover deze bestaat uit de immateriële schade, het geld uit de kluis, en de helft van de gederfde overwerkvergoeding (dus € 1.000,-) en voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De raadsman heeft betoogd dat onduidelijk is hoeveel geld er in de kluis heeft gezeten en dat bovendien onduidelijk is aan wie dit toebehoorde, zodat de benadeelde partij ten aanzien van het bedrag van € 4.000,- aan materiële schade, vanwege de niet eenvoudige aard van dat deel van de vordering, niet-ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit 1 en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. De gevorderde bedragen zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt. De benadeelde partij heeft zijn vordering in verband met gederfde inkomsten uit overwerkvergoeding onderbouwd door het overleggen van meerdere salarisafrekeningen. De benadeelde partij heeft hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat de overwerkvergoeding een structureel karakter heeft, en gemiddeld € 1.000,00 per maand bedraagt, zodat de gederfde inkomsten over de gevorderde twee maanden voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank is niet gebleken dat het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 4.000,- uit de kluis niet aan hem zou toebehoren. De rechtbank zal het gevorderde bedrag toewijzen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop de schade is ontstaan, te weten 10 juni 2011.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

[benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een schadevergoeding van € 2.797,92 waarvan

€ 97,92 ter zake van materiële schade en € 2.700,- ter zake van immateriële schade, in verband met feit 1.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering voor toewijzing in aanmerking komt.

De raadsman heeft geen verweer gevoerd.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit 1 en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop de schade is ontstaan, te weten 10 juni 2011.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

9 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregelen berusten op de artikelen 24c, 36f, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen op de wijze als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij [benadeelde partij 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2], [adres] van € 8.700,- (waarvan € 6.000,- ter zake van materiële schade en € 2.700,- ter zake van immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, berekend vanaf 10 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij, tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat, voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2], [adres], € 8.700,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 78 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 10 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat, voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [benadeelde partij 1]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1],

[adres] van € 2.797,92 (waarvan € 97,92 ter zake van materiële schade en € 2.700,- ter zake van immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, berekend vanaf 10 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij, tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat, voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 1], [adres], € 2.797,92 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 37 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 10 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat, voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C. van Walree, voorzitter, mr. P. Joele en

mr. A.M. van Kalmthout, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 november 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 10 juni 2011 te Papendrecht tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een kluis (met inhoud), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] en/of

[benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 2] en/of die

[benadeelde partij 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van

het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- die [benadeelde partij 2] en/of die [benadeelde partij 1] een of meermalen heeft/hebben geslagen

en/of geschopt

en/of

- heeft/hebben gevraagd:"Waar zijn de rolexen" en/of "Waar is de kluis"

en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die

[benadeelde partij 2] en/of die [benadeelde partij 1] heeft/hebben gericht, althans een vuurwapen,

althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [benadeelde partij 2] en/of

die [benadeelde partij 1] heeft/hebben getoond

en/of

heeft/hebben geroepen:"Als je nu nog een keer iets zegt, schiet ik je hersens

eruit" en/of "Als je niet meewerkt schieten we je vrouw kapot" en/of "Ik

schiet" en/of "Ik ben balkankiller", althans woorden van soortgelijke

bedreigende aard en/of strekking

en/of

- die [benadeelde partij 2] en/of die [benadeelde partij 1] (met tiewraps) heeft/hebben

vastgebonden;

2.

hij op of omstreeks 29 juli 2011 te Rotterdam een in een wapenstok

geïntegreerd CS-gas-spuitsysteem, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen

van personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of

traanverwekkende stof(fen) van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft

gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

Parketnummer: 11/870372-11

Vonnis d.d. 15 november 2011