Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BU3923

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
10-11-2011
Zaaknummer
11/8100001-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een verkeersfout gemaakt met fatale gevolgen. Bij het wisselen van rijstrook op de Rijksweg A15 heeft hij een motorrijder niet voor laten gaan. De motorrijder en zijn passagier zijn ten val gekomen en als gevolg daarvan kort daarna overleden. De rechtbank bestraft de verdachte voor de verkeersovertreding, waarbij rekening wordt gehouden met de ernstige en onomkeerbare gevolgen van de verkeersfout. Dit leidt tot een werkstraf en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

parketnummer: 11/810001-11

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats en datum] in 1976,

wonende te [adres en woonplaats],

als ingezetene ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres:

[adres en woonplaats],

hierna: verdachte.

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 25 oktober 2011.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -het primair ten laste gelegde bewezen achtend- gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 200 uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 100 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde feit. Volgens de verdediging kan het subsidiair ten laste gelegde feit wel bewezen worden verklaard. Ten aanzien van dit feit heeft zij een strafmaatverweer gevoerd.

4 De bewijsbeslissing

4.1 De vrijspraak

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, omdat er geen sprake is van "schuld" aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Bij de vraag of van dergelijke schuld sprake is, komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan niet al worden afgeleid dat sprake is van dergelijke schuld.

De rechtbank stelt het volgende vast op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting.

Verdachte bestuurt op 17 juni 2010 omstreeks 12:40 uur een bedrijfsbusje. Hij rijdt de oprit van de Rijksweg A15 op en komt zo op de invoegstrook. Hij rijdt van de invoegstrook naar de rechterrijstrook. Vervolgens rijdt hij naar de linkerrijstrook om in te halen. Hij kijkt daarbij in de spiegels en geeft richting aan. Verdachte kijkt niet over zijn schouder. Hij laat bij deze bijzondere manoeuvre de motorfiets die op de linkerrijstrook rijdt, niet voorgaan. Hij ziet deze motorfiets niet. De motorrijder remt en verliest de macht over het stuur. Zijn passagier en hij overlijden door de val.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte "direct" van de rechter- naar de linkerrijstrook is gereden. Het woord direct legt de rechtbank taalkundig uit als: meteen, dat wil zeggen: zonder tijdsverloop op het invoegen volgend. Uit de verkeersongevallenanalyse volgt niet dat hiervan sprake is geweest. Verdachte verklaart dat hij vanaf de invoegstrook eerst rechts komt te rijden, achter een andere auto, en vervolgens naar links gaat. Ook de getuigenverklaringen bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het "direct" wisselen van rijstrook als hiervoor bedoeld. Getuige [getuige 1] spreekt van "als het ware" snijden, van "vrij snel" de linkerrijstrook oprijden en van richting aangeven. Getuige [getuige 2] ziet verdachte "vrij snel" doorrijden naar de linkerrijstrook, maar het zou kunnen dat hij nog even op de rechterrijstrook heeft gereden. Getuige [getuige 3] ziet een voertuig van de rechter- naar de linkerrijstrook wisselen. Getuige [getuige 4] - verdachte rijdt achter haar de snelweg op - ziet verdachte vanuit haar achteruitkijkspiegel naar de rechterrijstrook rijden en "min of meer" gelijktijdig naar de linkerrijstrook rijden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, de vaste jurisprudentie in aanmerking nemend, uit de enkele omstandigheid dat verdachte de motor die hij had moeten laten voorgaan, niet heeft gezien, hoewel deze voor hem wel waarneembaar moet zijn geweest, en dat verdachte daarop zijn rijgedrag moet hebben kunnen afstemmen, niet volgen dat hij, zoals ten laste is gelegd, "roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of oplettend" heeft gereden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat op basis van het dossier niet gezegd kan worden, dat verdachte de motorrijder zou hebben gezien, indien hij voor het van rijstrook veranderen over zijn schouder had gekeken, welk verwijt verdachte overigens niet expliciet inde tenlastelegging wordt gemaakt. De motorrijder reed, zo leidt de rechtbank af uit de in de verkeersongevallenanalyse beschreven toedracht, nog niet naast verdachte op dat moment. De motorrijder remde, kwam ten val en raakte daarbij met de voorzijde van zijn motor de velg van het linkerachterwiel van de auto van verdachte.

De rechtbank volgt de officier van justitie niet in haar standpunt dat de omstandigheid dat verdachte beroepschauffeur is in deze zaak van belang is. Naar het oordeel van de rechtbank is in de jurisprudentie de hoedanigheid van beroepschauffeur relevant geacht voor het oordeel dat er geen sprake is van afwezigheid van alle schuld (in de betekenis van: er is geen enkele verwijtbaarheid). Artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 vraagt om bewijs van het bestanddeel aanmerkelijke schuld (in de betekenis van culpa).

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

(subsidiair)

op 17 juni 2010 te Papendrecht als bestuurder van een

motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A 15,

zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt,

en het verkeer op die weg werd gehinderd,

immers, is hij verdachte, rijdende op de invoegstrook van de Rijksweg A15,

komende vanaf de richting van de N3 en gaande in de richting van Nijmegen

vervolgens de doorgaande rijbaan (rijstrook 2) van de Rijksweg A15

opgereden,

en

is hij vervolgens van rijstrook 2 gewisseld naar rijstrook 1,

en

heeft hij, in strijd met het gestelde in artikel 54 Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990, de op die Rijksweg A15

rijdende, toen dicht genaderd zijnde bestuurder van een motorfiets niet voor laten gaan, immers die bestuurder niet in staat

gesteld ongehinderd zijn weg te vervolgen en is hij vervolgens in aanrijding gekomen met die motorfiets,

waardoor anderen (genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2])

werden gedood.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.3 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

(subsidiair)

OVERTREDING VAN ARTIKEL 5 VAN DE WEGENVERKEERSWET 1994.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De redenen die de straf hebben bepaald

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft als bestuurder van een bedrijfsauto een verkeersfout begaan met zeer ernstige gevolgen. Bij het wisselen van de rijstrook op de Rijksweg A15 heeft hij een in dezelfde richting rijdende motorfiets niet voor laten gaan. De bestuurder van de motorfiets en zijn passagier zijn beiden ten val gekomen en kort daarna in het ziekenhuis overleden.

De rechtbank ziet zich voor de moeilijke taak tot een in verhouding tot de ernst van het gepleegde feit staande, gerechtvaardigde strafoplegging te komen, zonder afbreuk te doen aan de gevoelens van de nabestaanden.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat verdachte nooit eerder met justitie in aanraking is gekomen.

Nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het primair ten laste gelegde verkeersmisdrijf, komt zij slechts toe aan een bij de bewezen verklaarde verkeersovertreding behorende strafmaat. Daarbij zal zij wel rekening houden met de ernstige en onomkeerbare gevolgen van de door verdachte gemaakte verkeersfout.

De rechtbank acht een werkstraf van 80 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van

6 maanden passend en geboden. Omdat verdachte voor zijn inkomen afhankelijk is van zijn rijbewijs, ziet de rechtbank reden deze ontzegging voorwaardelijk op te leggen. De voorwaardelijke ontzegging dient tevens als waarschuwing aan verdachte en om hem nog meer bewust te maken van de verantwoordelijkheid die hij te allen tijde als verkeersdeelnemer heeft.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen berusten op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht, alsmede op de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen op de wijze als hierboven onder 4.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5 vermelde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 80 (tachtig) uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 (veertig) dagen;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren;

- bepaalt dat de voorwaardelijke ontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip waarop de bijkomende straf ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die straf geheel in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C. van Walree, voorzitter, mr. H.C.A. de Groot en mr. F. van Laanen, rechters, in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 november 2011.

Mr. Van Laanen voornoemd is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 17 juni 2010 te Papendrecht als verkeersdeelnemer, namelijk

als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg

A 15, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans

aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden, immers

heeft hij verdachte, rijdende op de invoegstrook van de Rijksweg A15, komende

vanaf de richting van de N3 en gaande in de richting van Nijmegen

en/of

(vervolgens) de doorgaande rijbaan (rijstrook 2) van de Rijksweg A15 is

opgereden,

en/of

(vervolgens) (direct) van rijstrook 2 is gewisseld naar rijstrook 1, zonder

een motorfiets voor te laten,

en/of

in strijd met het gestelde in artikel 54 Reglement Verkeersregels en

Verkeerstekens 1990, geen voorrang heeft verleend aan de op die Rijksweg A15

rijdende, toen dicht genaderd zijnde bestuurder van een motorfiets en/of die

bestuurder niet heeft voor laten gaan, immers die bestuurder niet in staat

gesteld ongehinderd zijn weg te vervolgen en/of (vervolgens) is gebotst tegen,

althans in aanrijding is gekomen met die motorfiets,

en/of

heeft hij aldaar -gelet op de verkeerssituatie- zijn snelheid niet zodanig

geregeld, dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen

binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,

en/of

heeft hij toen en aldaar geen, althans onvoldoende, snelheid verminderd en/of

is hij toen en aldaar niet, althans niet tijdig gestopt en/of is hij niet,

althans onvoldoende uitgeweken, voor genoemde motorfiets,

en/of

heeft hij verdachte niet voortdurend zijn volledige aandacht en/of zijn blik

op het verkeer en/of de weg gericht gehouden, waarbij letsel aan personen is

ontstaan en/of schade aan goederen is toegebracht,

waardoor (een) ander(en) (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2])

werd(en) gedood;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 juni 2010 te Papendrecht als bestuurder van een

motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A 15,

zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd,

immers, heeft hij verdachte, rijdende op de invoegstrook van de Rijksweg A15,

komende vanaf de richting van de N3 en gaande in de richting van Nijmegen

en/of

(vervolgens) de doorgaande rijbaan (rijstrook 2) van de Rijksweg A15 is

opgereden,

en/of

(vervolgens) (direct) van rijstrook 2 is gewisseld naar rijstrook 1, zonder

een motorfiets voor te laten,

en/of

in strijd met het gestelde in artikel 54 Reglement Verkeersregels en

Verkeerstekens 1990, geen voorrang heeft verleend aan de op die Rijksweg A15

rijdende, toen dicht genaderd zijnde bestuurder van een motorfiets en/of die

bestuurder niet heeft voor laten gaan, immers die bestuurder niet in staat

gesteld ongehinderd zijn weg te vervolgen en/of (vervolgens) is gebotst tegen,

althans in aanrijding is gekomen met die motorfiets,

en/of

heeft hij aldaar -gelet op de verkeerssituatie- zijn snelheid niet zodanig

geregeld, dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen

binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,

en/of

heeft hij toen en aldaar geen, althans onvoldoende, snelheid verminderd en/of

is hij toen en aldaar niet, althans niet tijdig gestopt en/of is hij niet,

althans onvoldoende uitgeweken, voor genoemde motorfiets,

en/of

heeft hij verdachte niet voortdurend zijn volledige aandacht en/of zijn blik

op het verkeer en/of de weg gericht gehouden, waarbij letsel aan personen is

ontstaan en/of schade aan goederen is toegebracht,

waardoor (een) ander(en) (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2])

werd(en) gedood;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

MEER SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 juni 2010 te Papendrecht als bestuurder van een

(bedrijfs)auto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg,

de Rijksweg A 15, van rijstrook is gewisseld zonder een motorfiets voor te

laten gaan, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is

toegebracht;

Parketnummer: 11/810001-11

Vonnis d.d. 8 november 2011