Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BU2896

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
02-11-2011
Datum publicatie
02-11-2011
Zaaknummer
82765 - HA ZA 09-2627
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

reparatie scheepsmotor wanprestatie ontbinding deskundigenonderzoek schade schatten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 82765 / HA ZA 09-2627

Vonnis van 2 november 2011

in de zaak van

[EISER],

wonende te Ditzenbach, Duitsland,

eiser,

advocaat mr. V.J. Groot,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MOTORREVISIE EN REPARATIEBDRIJF [X] B.V.,

gevestigd te Zwijndrecht,

gedaagde,

advocaat mr. N. Vloemans.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 oktober 2010,

- het deskundigenbericht,

- de conclusie na deskundigenbericht van [eiser], tevens akte eiswijziging,

- de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De door de rechtbank benoemde deskundige rapporteert als volgt:

1. heeft [gedaagde] het overeengekomen werk in mei 2006 deugdelijk uitgevoerd?

antwoord deskundige (onder meer):

“Door [gedaagde] BV werd bij de reparatie in mei 2006 dus gebruik gemaakt van onderdelen uit een Kuypers donor keerkoppeling met een van origine tegenovergestelde draairichting. Uit de foto s blijkt dat tenminste één lamellendrager ter plaatse van de splain vertanding was opgelast /gesoldeerd.

Een dergelijke reparatiemethode heb ik nog nooit eerder aangetroffen en is in de wereld van keerkoppeling reparateurs absoluut uit den boze.

De lamellendrager is een significant onderdeel in een frictie en van een specifiek gekozen metaallegering dat na machinale bewerking middels een warmtebehandeling wordt gehard en aansluitend nauwkeurig wordt bewerkt en nageslepen.

Oplassen, solderen en naslijpen resulteren in een aanzienlijke kwaliteitreductie op het rondsel en is derhalve een onaanvaardbare reparatiemethode indien een permanente reparatie wordt uitgevoerd.”

en: “Achteraf concludeer ik derhalve dat de reparatie in mei 2006 niet deugdelijk, in de

zin van een normaal te verwachten levensduur van ca. 50.000 draaiuren na de reparatie voor een keerkoppeling, is uitgevoerd.”

2. zo nee: zijn de problemen met het schip in mei 2007 en in oktober 2007 het gevolg van de ondeugdelijke uitvoering van de reparatie van [gedaagde] in mei 2006?

antwoord deskundige (onder meer):

“De schade in mei en oktober 2007 hebben mijns inziens waarschijnlijk direct verband met de in mei 2006 uitgevoerde werkzaamheden.”

3. hoe lang zou de reparatie in mei 2006 geduurd hebben als een rechtsdraaiend

tandwiel zou zijn gemonteerd? Duurt bestelling van dit onderdeel inderdaad enkele maanden?

antwoord deskundige (onder meer):

“De duur van de reparatieperiode van een keerkoppeling indien een of meerdere tandwielen vervaardigd moet worden wordt min of meer bepaald door de productietijd van het tandwiel.

Er is geen verschil in productietijd tussen een links of een rechts tandwiel.

Indien materiaal daadwerkelijk beschikbaar zou zijn geweest dan zou de productie van het schroefastandwiel in geval van spoed in 3 tot maximaal 4 weken realiseerbaar zijn geweest mits het originele tandwiel voor precieze meting bij de producent zou kunnen blijven. De productie van de beide nieuwe rondsels hadden maximaal 3 weken in beslag genomen waarbij beide originele delen eveneens voor precieze meting bij de producent moeten blijven.”

4. als [gedaagde] in mei 2006 de reparatie ondeugdelijk heeft uitgevoerd: is het werk van [gedaagde] in mei 2006 geheel waardeloos? Of is [eiser] deels nog gebaat geweest bij de prestatie van [gedaagde]? Zo ja voor welk bedrag (te specificeren in uren en materiaal)?

antwoord deskundige (onder meer):

“De reparatie van de keerkoppeling zoals uitgevoerd in 2006 heeft qua techniek geen toegevoegde waarde op de installatie gehad en kan derhalve als niet deugdelijk en bijzonder kostbaar worden gekenmerkt zonder enig voordeel voor [eiser]. Gebruikte onderdelen uit de donor keerkoppeling waren niet meer geschikt voor hergebruik en de in 2006 nieuw gemonteerde lagers en frictie-lamellen dienden in 2007 wederom vernieuwd te worden.”

5. als [gedaagde] in mei 2006 de reparatie ondeugdelijk heeft uitgevoerd: is daardoor schade ontstaan aan andere onderdelen en zo ja, wat kost het om deze gevolgschade te repareren?

antwoord deskundige:

“Door het ondeugdelijk uitvoeren van de reparaties in 2006 is naar mijn mening geen andere schade ontstaan dan gevolgschade in 2007 aan de onderdelen van de donor keerkoppeling en de nieuw gemonteerde lagers de frictielamellen alsmede afdichtingen en diverse kleine delen zoals labyrinten kleppen en ventielen.

De werkzaamheden om deze gevolgschaden te herstellen omvatten dus de complete de- en montage, het leveren van de nieuwe tandwielen (3 stuks), de frictielamellen (1 set), de lagers (rol en glij-lagers) de afdichtingen alsmede de kosten voor diverse kleine machinale bewerkingen en voor klein materiaal en smeerolie en het inregelen en afstellen van de installatie tijdens de proefvaart.

De kosten voor de definitieve reparatiewerkzaamheden in oktober 2007 bedragen zoals overigens ook blijkt uit de kostenspecificatie van Petermann GmbH van

1 april 2008 (zie Productie 4) totaal € 59.931,17 excl. BTW, stilligkosten, bemanningsassistentie, smeerolie en proefvaren.

Voornoemde reparatiekosten zijn naar mijn mening redelijk en billijk en toerekenbaar aan de schade in de keerkoppelingen zoals deze in oktober 2007 door partijen werd vastgesteld.”

6. als [gedaagde] in mei 2006 de reparatie ondeugdelijk heeft uitgevoerd: hoeveel dagen vergt het om de door [gedaagde] veroorzaakte schade te repareren?

antwoord deskundige (onder meer):

“De reparatieduur voor het herstellen van de ondeugdelijke reparatiewerkzaamheden kan achteraf niet meer exact worden vastgesteld zoals reeds eerder omschreven in het antwoord op vraag 3.

Het is niet bekend of en waar in mei 2006 ruw materiaal voor nieuwe onderdelen beschikbaar was en in hoeverre het harden van de tandwielen tijdens de productie in de cyclus van de hardingsoven zou vallen.

Uitgaande van het gunstigste geval waarbij vrijwel geen dag in de productie verloren zou zijn gegaan mag worden aangenomen dat de totale reparatieduur ca. 6 weken in beslag zou nemen.

Indien de tandwielen niet op tijd bij de hardingsoven zouden zijn aangeleverd dan zou de reparatieduur ten minste een halve week langer in beslag nemen.”

7. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

antwoord deskundige (onder meer):

“In mei 2006 was de economie in de scheepvaart bloeiend en voor zover bij mij bekend groeiden de bomen voor bijna iedereen tot in de hemel.

Ook de reparateurs, de materiaalleveranciers en harderijen hadden enorm veel werk en hier en daar waren zelfs wachttijden voor materialen en op diensten.

Beide partijen zullen dit wellicht hebben ervaren en zijn hierdoor destijds mogelijk tot de conclusie gekomen dat een donorkast de snelste reparatie methode was.

Achteraf was en is dit inderdaad de snelste oplossing daar (donor) onderdelen meteen beschikbaar waren waardoor de reparatie snel kon worden uitgevoerd.

Het hele plan viel echter in duigen toen eerst bleek dat de speling op de bronzen lagerbussen niet correct was waardoor direct na vertrek de keerkoppeling vastdraaide. In 2007 kwam het gebrek aan kennis en ervaring met dit type keerkoppeling bij de reparateur om de hoek kijken toen bleek dat de tanddracht dermate slecht was dat door versnelde slijtage kleppen en ventielen in het hydraulisch systeem kennelijk niet juist functioneerden met schade aan de fricties tot gevolg.”

2.2. In beginsel heeft de rechter een beperkte motiveringsplicht wat betreft zijn beslissing de zienswijze van de deskundige al dan niet te volgen; de inhoud van deze motiveringsplicht is afhankelijk van de aard van het bewijsmateriaal en de aard en de mate van precisering van de daartegen door partijen aangevoerde bezwaren (Hoge Raad 05-12-2003, LJN: AN8478).

2.3. De rechtbank neemt de bevinding van de deskundige dat [gedaagde] ondeugdelijk heeft gerepareerd over en maakt deze tot de hare. De bevinding is logisch, helder en concludent. Aan dit oordeel doet niet af dat [gedaagde] niet instemt met de bevindingen van de deskundige. De rechtbank hecht meer waarde aan de bevindingen van de onafhankelijke deskundige die de rechtbank heeft benoemd dan aan de mening van een door [gedaagde] ingeroepen deskundige. De rechtbank ziet met name geen reden tot twijfel aan de -zeer stellige- bevinding: “Een dergelijke reparatiemethode heb ik nog nooit eerder aangetroffen en is in de wereld van keerkoppeling reparateurs absoluut uit den boze.” Ook de bevinding van de deskundige dat de reparaties in mei en oktober 2007 het gevolg waren van de ondeugdelijke reparatie door [gedaagde] wordt onderschreven.

2.4. Vast staat mitsdien dat [gedaagde] wanprestatie heeft gepleegd. Voor de vordering van [eiser], zoals gewijzigd bij akte na deskundigenbericht, heeft dit de navolgende consequenties.

reparatiekosten [gedaagde]

2.5. [eiser] heeft terecht de reparatieovereenkomst ontbonden. [gedaagde] zal de reparatiesom ad € 69.937,12 aan [eiser] geheel moeten terugbetalen, te vermeerderen met de (gewone) wettelijke rente vanaf de -onweersproken- verzuimdatum van 8 mei 2009. Uit het deskundigenrapport blijkt dat het werk van [gedaagde] geen enkele waarde heeft voor [eiser].

reparatie beschadigde delen

2.6. Over de gevorderde gevolgschade wordt als volgt geoordeeld. De deskundige acht de door begrote herstelkosten ad € 59.931,17 redelijk. [gedaagde] bestrijdt dit. Volgens [gedaagde] ziet dit bedrag op dezelfde werkzaamheden als die [gedaagde] heeft verricht. [gedaagde] betoogt dat zij aldus dubbel zou moeten boeten, in die zin dat zij niet alleen [gedaagde] haar reparatiesom zou moeten terugbetalen, maar ook nog eens de elders verrichte reparatie aan [eiser] zou moeten vergoeden. De rechtbank onderschrijft dit verweer deels, op grond van het volgende.

2.7. Slechts de schade die het gevolg is van de ondeugdelijke reparatie door [gedaagde] komt voor vergoeding in aanmerking. Niet voor vergoeding in aanmerking komen de kosten om het gebrek te herstellen waarmee [eiser] zich (vergeefs) bij [gedaagde] vervoegde. Dat is geen schade die [gedaagde] heeft veroorzaakt zodat die kosten voor rekening van [eiser] blijven. [eiser] onderkent dit. [eiser] vordert geen € 59.931,17 maar € 31.522,05. [eiser] beroept zich hierbij op het deskundigenrapport van expertisebureau Petermann van 15 april 2008. Daarin staat dat van de begrote schade/ de herstelkosten ad € 59.931,17:

- € 31.522,05 betrekking heeft op herstel van de door [gedaagde] veroorzaakte schade,

- de overige € 28.409,12 ziet op brengen van het schip in de conditie die [eiser] voorstond toen hij het schip bij [gedaagde] bracht.

Als verder niet gemotiveerd weersproken zullen de € 31.522,05 worden toegewezen.

expertisekosten

2.8. [eiser] vordert vergoeding van € 4.628 aan gemaakte expertisekosten. Deze kosten zullen worden toegewezen als redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid. Van de kosten is genoegzaam bewijs overgelegd in de vorm van twee facturen van de ingeschakelde experts, van € 2.885 en van € 1.743 (productie 7 bij dagvaarding).

verletschade

2.9. Na zijn eiswijziging vordert [eiser] € 56.824,32 aan verletschade. De rechtbank begrijpt uit de desbetreffende conclusie van [eiser] dat [eiser] in dit verband twee deelbedragen vordert: € 16.983,50 en € 18.625,32. Dat is samen geen € 56.824,32. De rechtbank kan uit de stellingname van [eiser] niet afleiden hoe [eiser] met deze twee deelbedragen op € 56.824,32 uitkomt. Beoordeeld zal mitsdien slechts worden of de

€ 16.983,50 en € 18.625,32 voor toewijzing in aanmerking komen.

-de € 16.983,50

Dit bedrag ziet volgens [eiser] op de schade wegens het stilliggen in de periode 21 mei 2006 tot en met 30 mei 2006 (oorspronkelijke reparatie door [gedaagde]). De rechtbank heeft reeds geoordeeld dat [eiser] over deze periode geen verletschade meer mag vorderen omdat hij daarvoor al een korting van € 10.000 op de oorspronkelijke nota van [gedaagde] heeft aanvaard. Thans stelt [eiser] dat hij heeft gedwaald toen hij deze korting afsprak, dit omdat [eiser] in eerste instantie van [gedaagde] had vernomen dat de reden van stilliggen was dat [gedaagde] “per abuis een verkeerde ring had ingebouwd.” [eiser] stelt pas later te hebben begrepen dat het stilliggen een andere oorzaak had, namelijk een ondeugdelijke reparatie. [eiser] vordert daarom alsnog verletschade over deze periode. De rechtbank gaat aan de eiswijziging van [eiser] voorbij. Er is al een bindende eindbeslissing genomen. De rechtbank heeft geoordeeld dat [eiser] ter zake zijn recht heeft verwerkt. Er bestaat geen reden daar op terug te komen. Er valt niet in te zien wat nu het verschil is: het plaatsen van een verkeerde ring is net zo goed een ondeugdelijke reparatie. De reden van [eiser] om een korting van € 10.000 te aanvaarden is dus niet anders geworden. Het is voorts in strijd met de goede procesorde dat [eiser] pas na het deskundigenrapport zijn eis nog wijzigt. Pas in zijn akte van juni 2011 komt [eiser] met een eisvermeerdering met als reden dat hij “pas” in juni 2008 vernam dat [gedaagde] ondeugdelijk had gerepareerd. Dit terwijl de procedure al in augustus 2010 aanhangig is gemaakt, zodat [eiser] veel eerder in deze procedure de eis had kunnen indienen.

Overigens miskent [eiser] dat bij een succesvol beroep op dwaling nog wel de € 10.000 aan [gedaagde] zou moeten worden terugbetaald.

-de € 18.625,32

Dit betreft volgens [eiser] de schade vanwege het stilliggen en het minder snel kunnen varen in 2007/ 2008. Bij dagvaarding (nr. 20) vorderde nog [eiser] € 92.744,58, voor 143 dagen stilliggen en minder snel kunnen varen. De deskundige heeft echter nadien gerapporteerd dat een goede reparatie circa zes weken vergt. [eiser] heeft daarop haar eis verminderd naar € 18.625,32, dit op basis van een berekening van de accountant van [eiser] dat de stilligschade € 443,32 per dag bedraagt.

Eerder in dit vonnis is geoordeeld dat [eiser] (terecht) slechts een deel van de reparatiekosten vordert, namelijk slechts die kosten die verband houden met reparatie van de gevolgschade die [gedaagde] heeft veroorzaakt. Voor de verletschade maakt [eiser] dit onderscheid -ten onrechte- niet. [eiser] vordert € 18.625,32 voor de volle zes weken dagen stilliggen, derhalve ook voor de tijd die normaliter nodig is om het gebrek te verhelpen waarmee [eiser] zich bij [gedaagde] vervoegde.

De rechtbank kan uit het deskundigenrapport niet (goed) afleiden welk deel van de zes weken reparatietijd betrekking heeft op reparatie van de gevolgschade die [gedaagde] heeft veroorzaakt. Daarom zal de rechtbank de schade schatten. Voldoende daartoe is dat de feiten worden gesteld en komen vast te staan waaruit in het algemeen het geleden zijn van schade kan worden afgeleid. Alsdan staat het de rechter vrij om, mede in aanmerking genomen de aard van de schade, zonder nader bewijs aannemelijk te achten dat schade is geleden en de omvang hiervan vervolgens te schatten (HR 28 juni 1991, NJ 1991, 746).

De rechtbank schat de stilligschade van [eiser] die verband houdt met reparatie van de gevolgschade die [gedaagde] heeft veroorzaakt op € 9.500. Op zich komt een bedrag van € 443,32 per dag aannemelijk voor. De rechtbank neemt voorts aan dat iets meer dan de helft van de zes weken betrekking heeft op de stilligschade die verband houdt met reparatie van de gevolgschade die [gedaagde] heeft veroorzaakt. Immers, van de totale kosten ad € 59.931,17 ziet eveneens iets meer dan de helft (€ 31.255,05) op deze schade. Mitsdien zal € 9.500 worden toegewezen.

buitengerechtelijke kosten

2.10. In zijn conclusie na deskundigenrapport vordert [eiser] alsnog vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering zal worden afgewezen reeds omdat de rechtbank het verweer van [gedaagde] onderschrijft dat uit de stellingen van [eiser] onvoldoende blijkt dat de handelingen van de raadsman van [eiser] verder strekken dan tot instructie van de zaak.

2.11. [eiser] heeft mitsdien recht op € 69.937,12 + € 31.522,05 + € 4.628,00 + € 9.500=

€ 115.587,17.

conservatoire beslagkosten

2.12. [gedaagde] betwist de verschuldigdheid van beslagkosten. [gedaagde] voert aan dat het beslag onnodig is gelegd omdat [eiser] aan [gedaagde] om zekerheid had kunnen vragen. Dit verweer faalt nu “rauwelijkse” beslaglegging in beginsel geoorloofd is. [gedaagde] voert niet aan dat zij voorafgaand aan de beslaglegging al voldoende zekerheid heeft aangeboden aan [eiser].

2.13. De gevorderde conservatoire beslagkosten komen niet separaat voor vergoeding in aanmerking maar als onderdeel van de proceskosten, op na te melden wijze.

2.14. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiser] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 85,98

- beslagkosten 224,44 (159,94 betekening + 64,61 overbetekening)

- griffierecht 4.375,00

-kosten deskundige 9.615,20

- salaris advocaat 4.973,50

Totaal € 19.274,12.

Bij de proceskostenveroordeling is het volgende in acht genomen:

- het griffierecht van het beslagverzoek komt niet separaat voor vergoeding in aanmerking nu dit wettelijk in mindering strekt op het griffierecht in de bodemzaak. De rechtbank stelt vast dat het beslagverzoek is ingediend op 17 juni 2011 bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam. Dat is ná het aanhangig maken van onderhavige bodemprocedure en ook ná betaling van het griffierecht in de bodemzaak. Bij eventuele onduidelijkheden of onjuistheden ter zake van het griffierecht voor het beslagverzoek zal [eiser] zich hebben te verstaan met de griffier van de rechtbank Amsterdam.

- het salaris advocaat bestaat uit 3 ½ punt, waarvan één voor het beslagverzoek, één punt voor de dagvaarding, één punt voor de comparitie en een half punt voor de conclusie na deskundigenbericht. Het toegepaste tarief V (€ 1.421 per punt) is gerelateerd aan het toe te wijzen bedrag.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 115.587,17, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 8 mei 2009 tot de dag van volledige betaling,

3.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op 19.274,12,

3.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Visser en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2011.?