Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BT6167

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
16-09-2011
Datum publicatie
29-09-2011
Zaaknummer
11/927
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Beëindiging WAO-uitkering wegens onttrekking aan vrijheidsstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 11/927

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[naam verzoeker], verblijfplaats onbekend, verzoeker,

gemachtigde: mr. H.W.F. Klarenaar, advocaat te Dordrecht,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: J.M. de Graaf, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 29 juli 2011 heeft verweerder verzoekers uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) beëindigd met ingang van 1 augustus 2011.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief 12 augustus 2011 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van eveneens 12 augustus 2011 heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 9 september 2011 ter zitting behandeld.

Verzoeker is ter zitting verschenen bij gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 43, vijfde lid, van de WAO wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingetrokken, indien degene die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag dat deze vrijheidsontneming één maand heeft geduurd.

Ingevolge artikel 43, zesde lid, van de WAO wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingetrokken, indien degene die recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.

Ingevolge artikel 43, zevende lid, van de WAO eindigt voor de verzekerde die op de dag voorafgaande aan de vrijheidsontneming geen recht heeft op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van het zesde lid, het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering, in afwijking van het vijfde lid, vanaf de dag dat de vrijheidsontneming ingaat.

Ingevolge artikel 47c van de WAO heeft de persoon, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 43, zesde lid, is ingetrokken, vanaf de dag dat hij zich niet langer onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel met inachtneming van de bepalingen van deze wet aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op die dag arbeidsongeschikt is.

Ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder h, van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (hierna: Wet SUWI) worden alle gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taken, aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt door de minister van Veiligheid en Justitie voor zover het betreft de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen of de persoon die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.

2.2. Aan het bestreden besluit dat strekt tot intrekking van de WAO-uitkering van verzoeker per 1 augustus 2011 ligt ten grondslag dat verzoeker zich aan een op 27 februari 2008 opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel heeft onttrokken.

Ter zitting heeft verweerder ter toelichting op dat standpunt verklaard dat op 1 juli 2011 door het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB) namens de minister van Veiligheid en Justitie een lijst aan verweerder is overgelegd van personen die bij Justitie staan geregistreerd omdat zij zich hebben onttrokken aan een opgelegde vrijheidstraf of vrijheidsbenemende maatregel en van wie via bestandsvergelijking is gebleken dat zij van verweerder een uitkering ontvangen. Dit betreft de lijst die in het dossier zit als gedingstuk B7. Uit die lijst valt volgens verweerder op te maken dat verzoeker zich heeft onttrokken aan een aan hem op 27 februari 2008 opgelegde vrijheidstraf of vrijheidsbenemende maatregel.

2.3. Verzoeker kan zich niet verenigen met de intrekking van zijn WAO-uitkering per 1 augustus 2011. Hij betwist niet dat op 27 februari 2008 de aan hem opgelegde taakstraf is omgezet in hechtenis, maar betoogt dat die omzetting ten onrechte is. Verzoeker stelt zich op het standpunt zich niet te hebben onttrokken aan de opgelegde taakstraf, die het Gerechtshof 's-Gravenhage hem bij vonnis van 7 november 2007 heeft opgelegd. Om die reden heeft verzoeker dan ook bij brief van 12 augustus 2011 bezwaar gemaakt bij het Gerechtshof 's-Gravenhage tegen het bevel tot tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis. Verweerder heeft zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat verzoeker zich heeft onttrokken aan een aan hem opgelegde vrijheidsbenemende maatregel. Verweerder had zich niet op de enkele mededeling van de minister van Veiligheid en Justitie dat dat wel het geval was, mogen baseren.

2.4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Verzoeker heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij geen aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet Werk en Bijstand kan indienen en derhalve niet in aanmerking kan komen voor toekenning van een bijstandsuitkering, zodat sprake is van een spoedeisend belang dat een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van de intrekking van de WAO-uitkering rechtvaardigt.

Per 1 januari 2011 is het in geding zijnde zesde lid toegevoegd aan artikel 43 van de WAO. Achtergrond hiervan is dat tot genoemde datum de uitkering wel werd beëindigd in geval van detentie, maar niet als iemand zich aan de hem opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel onttrok. Door de toevoeging van het zesde lid aan artikel 43 wordt de uitkering voortaan ook ingetrokken vanaf de dag waarop iemand zich aan de tenuitvoerlegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf en/of vrijheidsbenemende maatregel onttrekt. In dit kader is tevens de in artikel 54, derde lid, aanhef en onder h, van de Wet SUWI voor de minister van Veiligheid en Justitie opgenomen verplichting om gegevens en inlichtingen te verstrekken per 1 januari 2011 uitgebreid met de verplichting om ook de opgaven en inlichtingen te verstrekken aan verweerder die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de WAO ten aanzien van personen die zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Door deze aanpassing van artikel 54 van de Wet SUWI kan verweerder dus gebruik maken van gegevens van de minister van Veiligheid en Justitie om te bepalen welke personen behoren tot de groep die zich ontrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.

De lijst waarop verweerder zich baseert, betreft een uitdraai die niet kenbaar is als afkomstig van de minister van Veiligheid van Justitie dan wel van een onder zijn ministerie vallende dienst. Op deze lijst zijn onder meer vermeld het bsn-nummer van de betrokkene, diens geboortedatum, de datum van de strafoplegging (in dit geval 27 februari 2008), het registratienummer waaronder de betrokkene bij verweerder bekend is en de uitkering die de betrokkene ontvangt.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter betoogt verzoeker terecht dat uit deze lijst niet kenbaar is dat deze gegevens van de minister van Veiligheid en Justitie afkomstig zijn. Voorts is niet kenbaar op welke gronden de minister tot de conclusie is gekomen dat de betrokkene zich na de strafoplegging aan de opgelegde straf heeft onttrokken. Deze gebreken kunnen echter in bezwaar worden hersteld.

De voorzieningenrechter ziet daarin thans onvoldoende aanleiding te betwijfelen dat gedingstuk B7 de door verweerder bedoelde lijst van de minister van Veiligheid en Justitie betreft. Voorts ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik had mogen maken van verzoekers vermelding door de minister van Veiligheid en Justitie op deze lijst. Verzoeker betoogt in dat verband dat hem niet kan worden verweten voor Justitie niet bereikbaar te zijn geweest voor het afhandelen van de taakstraf (en vervolgens ook niet voor het omzettingsbesluit van de taakstraf in vervangende hechtenis) omdat hij niet over een correspondentieadres beschikte. Verzoeker kan in dat betoog niet worden gevolgd. Verzoekers is immers wel in staat gebleken met verweerder te corresponderen. Verder ziet de voorzieningenechter ook in het door verzoeker ter zitting overgelegde vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 7 augustus 2008 geen grond om in dit geval te oordelen dat verweerder niet hadden mogen uitgaan van het omzettingsbesluit van 27 februari 2008.

Gelet op het voorgaande, zal het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar stand kunnen houden. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, en door deze en mr. M. Lammerse, griffier, ondertekend.