Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BT2323

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
22-09-2011
Datum publicatie
22-09-2011
Zaaknummer
94295 / HA RK 11-2052
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK DORDRECHT

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: 94295 / HA RK 11-2052

Beslissing van 22 september 2011

op het verzoek tot wraking ex artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in de zaak met kenmerk 273686 CV EXPL 11-1272

in de zaak van

[VERZOEKER],

wonende te Oud-Beijerland,

verzoeker,

verschenen in persoon.

Het verzoek strekt tot wraking van:

[Rechter X], rechter in de sector kanton van deze rechtbank,

hierna aangeduid als de gewraakte rechter.

1. Het procesverloop

1.1. De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- het wrakingsverzoek gedateerd 16 augustus 2011,

- de mededeling van de gewraakte rechter dat zij niet in de wraking berust,

- de brief van [verzoeker] gedateerd 20 augustus 2011.

2. Het verzoek

2.1. In de brief van [verzoeker] van 16 augustus 2011 waarin hij zijn wrakingsverzoek doet staat:

“Reden hiervoor is dat de e.a. rechter, mevrouw [rechter X], op de zelfde wijze met mijn rechten omgaat als in 1992, toen ik van haar hartstikke dood mocht vallen als ik mijn klauwen niet naar beneden deed, toen ik zwoer dat ik de waarheid sprak, terwijl zij de dood van mijn zoon [zoon ] aan het onderzoeken was.

Ook nu weigert zij elke kant van mijn verhaal, en gaat met een vooringenomenheid tewerk die zijn weerga niet kent. Accepteert handelingen die mijn privacy schenden, maar erger: mij geen gelegenheid geven daar op te reageren. En dit heeft mijns inziens niets met rechtspraak te maken.

Hier is geen blinddoek noch weegschaal, aangezien uit alles blijkt dat ik al veroordeeld ben zonder proces, en dat is de rechtstaat Nederland onwaardig.

Mag ik u verzoeken mijn bewering te onderzoek,”

Ter zitting heeft [verzoeker] verklaard dat hij zijn wrakingsverzoek (mede) heeft ingediend omdat hij op de zitting van de gewraakte rechter van 17 mei 2011 onvoldoende zijn standpunt naar voren heeft kunnen brengen.

2.2. Het verzoek om wraking is door een meervoudige kamer van de rechtbank (hierna: de wrakingskamer) behandeld ter openbare terechtzitting van 16 september 2011, alwaar zijn verschenen en gehoord:

- verzoeker,

- de gewraakte rechter.

2.3. Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft de wrakingskamer medegedeeld dat de uitspraak zal plaatsvinden ter zitting van 22 september 2011 om 13.15 uur.

3. Het standpunt van de rechter wiens wraking is verzocht

3.1. De gewraakte rechter heeft niet in de wraking berust.

4. De beoordeling

4.1. Ingevolge artikel 36 Rv kan de rechter die een zaak behandelt op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van het bepaalde in artikel 37 lid 1 Rv dient het verzoek tot wraking te worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Ingevolge het derde lid van dat artikel moeten alle feiten en omstandigheden tegelijk worden voorgedragen.

4.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van partijen een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van de betrokken partij dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.

4.3. Ter zitting van de wrakingskamer heeft de gewraakte rechter verklaard dat zij pas in 2008 rechter is geworden, zodat zij niet betrokken geweest kan zijn bij de gebeurtenissen in 1992 waar [verzoeker] aan refereert. Hierop heeft [verzoeker] deze grond van zijn wrakingsverzoek laten vallen, zodat deze geen bespreking meer behoeft.

4.4. Ter zitting van de wrakingskamer is aan [verzoeker] de vraag voorgelegd waarom hij pas bij brief van 16 augustus 2011 een wrakingsverzoek heeft ingediend naar aanleiding van hetgeen is gebeurd op een zitting van de gewraakte rechter op 17 mei 2011. [verzoeker] heeft verklaard dat hij pas een maand na deze zitting tot de overtuiging kwam dat de gewraakte rechter dezelfde rechter was als waarmee hij in 1992 te maken heeft gehad. De wrakingkamer is van oordeel dat [verzoeker] te laat zijn wrakingsverzoek heeft ingediend. Zoals blijkt uit het in rov. 4.1 opgenomen artikel 37 Rv, moet een wrakingsverzoek worden ingediend zodra de feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Aan die eis is niet voldaan. Het wrakingsverzoek dateert van bijna drie maanden na de zitting van 17 mei 2011 en [verzoeker] heeft, nadat hij tot voormelde overtuiging kwam, twee maanden gewacht voordat hij het wrakingsverzoek indiende. Dit is te laat. Het wrakingsverzoek zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.5. Zou het wrakingsverzoek wel tijdig zijn ingediend, dan zou afwijzing in plaats van niet-ontvankelijkverklaring zijn gevolgd. Vast staat dat de gewraakte rechter niet de rechter was waarmee [verzoeker] in 1992 te maken heeft gehad. Het is voorts niet gebleken dat [verzoeker] op de zitting van de gewraakte rechter van 17 mei 2011 onvoldoende is gehoord. Deze zitting is uitgemond in een vorm van een schikking. Er zijn toen afspraken gemaakt tussen partijen om te bezien hoe zij in onderling overleg alsnog tot een oplossing konden komen. De zaak is toen verwezen naar de rolzitting van 18 augustus 2011 voor uitlating of de procedure kon worden geroyeerd dan wel vonnis werd verlangd. [verzoeker] heeft deze schikking ondertekend. Dat wijst er niet op dat [verzoeker] onvoldoende is gehoord. De verklaring van [verzoeker] dat hij achteraf spijt heeft dat hij de schikking heeft ondertekend, kan niet tot een ander oordeel leiden.

5. De beslissing

De rechtbank:

verklaart het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is genomen door mr. R.R. Roukema, mr. E.D. Rentema en mr. M.G.L.

de Vette en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2011.?