Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BR6988

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
06-09-2011
Datum publicatie
13-09-2011
Zaaknummer
10/954 - 10/955 - 10/956 - 10/957 - 10/958 - 10/991
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BV6553, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning windturbines / Crisis- en herstelwet / geen beroepsmogelijkheid voor een bestuursorgaan / gebruikmaking van verklaring van geen bezwaar ten behoeve van vrijstelling bestemmingsplan / wijziging provinciaal beleid

De rechtbank stelt vast dat het bouwplan voorziet in de realisatie van drie windturbines met een capaciteit van in totaal 9 MW. Gelet op artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, bezien in samenhang met artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) en categorie 1.1 van bijlage 1 van de Chw, is de rechtbank van oordeel dat de oprichting van een windpark met een capaciteit van 5 tot 100 MW - en dus ook dit windpark - onder de reikwijdte van de Chw valt. Gelet op artikel 1.4 van de Chw kan het college van burgemeester en wethouders van de naburige gemeente geen beroep instellen tegen de het besluit op zijn bezwaar.

Ten tijde van het verlenen van de verklaring van geen bezwaar was het bouwplan naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met het provinciaal beleid, zoals dat op dat moment in ontwikkeling was. Na het verlenen van de verklaring van geen bezwaar door gedeputeerde staten en voor het nemen van de bestreden besluiten door verweerder, hebben zich evenwel ontwikkelingen voorgedaan ten aanzien van de hier aan de orde zijnde windturbines, die uiteindelijk hebben geleid tot wijziging van het provinciaal beleid. Weliswaar is de vaststelling van de Provinciale Structuurvisie, waarin uitdrukkelijk is opgenomen dat de plaatsing van windturbines aan de randen van het Groene Hart is uitgesloten, van na de bestreden besluiten, maar de voorbereiding van deze structuurvisie heeft geruime tijd geduurd en het was ten tijde van de bestreden besluiten al duidelijk dat op provinciaal niveau discussie was ontstaan over de plaatsing van de onderhavige windturbines, zodat verweerder rekening diende te houden met de mogelijkheid van een verdere provinciale beleidswijziging dienaangaande. Het had dan ook op de weg van verweerder gelegen om zich in het kader van de heroverweging rekenschap te geven van de gewijzigde inzichten van provinciale staten en de gevolgen daarvan voor het onderhavige bouwplan. Hierbij acht de rechtbank ook van belang dat eisers in hun bezwaren heel nadrukkelijk hebben gewezen op de gewijzigde inzichten bij provinciale staten. Bij verweerder had dan ook ernstige twijfel moeten zijn ontstaan over de vraag of het provinciale beleid het nog wel zou toestaan om op de onderhavige locatie windturbines op te richten. Verweerder heeft zich daarbij niet zonder meer op het standpunt kunnen blijven stellen dat de verklaring van geen bezwaar overeenkomstig het (destijds) geldende provinciale beleid was afgegeven en dat de verleende vrijstelling derhalve kon worden gehandhaafd. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder uit een oogpunt van zorgvuldigheid, hetzij de naderende vaststelling van de Provinciale Structuurvisie moeten afwachten, hetzij zich met gedeputeerde staten moeten verstaan over het (blijven) gebruiken van de verklaring van geen bezwaar. Aan de bestreden besluiten, en daarmee aan de handhaving van de verleende vrijstelling en bouwvergunning, ligt derhalve geen deugdelijke voorbereiding en motivering ten grondslag. De beroepen zijn dan ook gegrond.

Nu verweerder bij het nemen van nieuwe beslissingen op bezwaar rekening moet houden met de op 2 juli 2010 vastgestelde Provinciale Structuurvisie en de op 26 januari 2011 vastgestelde Nota Wervelender, waarin de hier aan de orde zijnde locatie als locatie voor windenergie is geschrapt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen gebruik meer kan maken van de op 1 december 2009 verleende verklaring van geen bezwaar en de vrijstelling en de verleende bouwvergunning ook niet meer in stand kunnen blijven. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het primaire besluit van 9 december 2009 te herroepen en te bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.

Wetsverwijzingen
Crisis- en herstelwet
Crisis- en herstelwet 1.1
Crisis- en herstelwet 1.4
Elektriciteitswet 1998
Elektriciteitswet 1998 9e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/270
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummers: AWB 10/954, AWB 10/955, AWB 10/956,

AWB 10/957, AWB 10/958 en AWB 10/991

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

in de gedingen tussen

1. het college van burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam,

gemachtigden: A. Franken en mr. J.M. van Noord-Markesteijn, beiden werkzaam bij de

gemeente Hardinxveld-Giessendam,

2. Vereniging Hart voor het Groene Venster, gevestigd te [vestigingsplaats1],

gemachtigde: mr. H.S. Weeda, werkzaam bij WDAdvising B.V. te Dordrecht,

3. [naam1], wonende te [woonplaats1],

gemachtigde: mr. L. Boer, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp te Assen,

4. [naam2], wonende te [woonplaats1],

gemachtigde: mr. L. Boer, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp te Assen,

5. [naam3], wonende te [woonplaats 2],

gemachtigde: mr. H.S. Weeda, werkzaam bij WDAdvising B.V. te Dordrecht,

6. [naam4], wonende te [woonplaats1],

gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden,

tezamen: eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Giessenlanden, verweerder,

gemachtigde: mr. drs. M.E.F. Staal, werkzaam bij DHV B.V. te Amersfoort.

Aan welke gedingen voorts als partij deelneemt:

Giessenwind B.V., gevestigd te [vestigingsplaats2], vergunninghoudster,

gemachtigde: mr. ir. A.P.J. Timmermans, werkzaam bij Timmermans Juridisch Advies te Baexem.

1. Ontstaan en loop van de gedingen

Verweerder heeft bij besluit van 9 december 2009 naar aanleiding van de op 27 juni 2008 ingediende aanvraag vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en een bouwvergunning verleend aan vergunninghoudster voor het oprichten van drie windturbines ten behoeve van het opwekken van elektriciteit op de locatie ten zuiden van de [straatnaam] te [plaatsnaam].

Tegen dit besluit hebben het college van burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam bij brief van 8 januari 2010, Vereniging Hart voor het Groene Venster bij brief van 19 januari 2010, [naam1] bij brief van 13 januari 2010, [naam2] bij brief van 13 januari 2010, [naam3] bij brief van 20 januari 2010 en [naam4] bij brief van 20 januari 2010 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij afzonderlijke besluiten van 28 en 29 juni 2010 heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten hebben het college van burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam bij brief van 4 augustus 2010 (procedurenummer AWB 10/954), Vereniging Hart voor het Groene Venster bij brief van 4 augustus 2010 (procedurenummer AWB 10/955), [naam1] bij brief van 4 augustus 2010 (procedurenummer AWB 10/956), [naam2] bij brief van 4 augustus 2010 (procedurenummer AWB 10/957),

[naam3] bij brief van 6 augustus 2010 (procedurenummer AWB 10/958) en [naam4] bij brief van 5 augustus 2010 (procedurenummer AWB 10/991) beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

De zaken zijn op 27 juli 2011 ter zitting van een meervoudige kamer gevoegd behandeld.

Het college van burgemeester en wethouders Van Hardinxveld-Giessendam is ter zitting verschenen bij gemachtigden. Verening Hart voor het Groene Venster is verschenen bij gemachtigde, vergezeld van drs. M.H. Struijk, voorzitter van het bestuur van de vereniging. [naam1] is verschenen bij gemachtigde, vergezeld van [naam6 ].

[naam2] is in persoon verschenen, vergezeld van zijn gemachtigde. [naam3] is verschenen bij gemachtigde. [naam4] is verschenen bij mr. K. de Wit, kantoorgenoot van zijn gemachtige.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde, vergezeld van mr. drs. A. van Dijk-van den Hoef en [naam wethouder], wethouder van de gemeente.

Vergunninghoudster is verschenen bij gemachtigde, vergezeld van ing. W. Meerkerk.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.1.2. Artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) bepaalt dat Afdeling 2 ('Procedures') van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing is op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.

Ingevolge artikel 1.4 van de Chw kan in afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb een niet tot de centrale overheid behorende rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld of een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan geen beroep instellen tegen een besluit, indien dat besluit niet is gericht tot die rechtspersoon of tot een orgaan van die rechtspersoon, onderscheidenlijk tot dat bestuursorgaan of tot de rechtspersoon waartoe dat bestuursorgaan behoort.

Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

Ingevolge artikel 5.3, eerste lid, van de Chw zijn de artikelen 1.4 en 1.6 tot en met 1.9 niet van toepassing indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit dat is bekendgemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, dan wel hoger beroep wordt ingesteld tegen een uitspraak die voor dat tijdstip is bekendgemaakt.

Bijlage I bij de Chw vermeldt - voor zover in dit geval van belang - onder meer de volgende categorie ruimtelijke en infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Chw:

1. duurzame energie

1.1. aanleg of uitbreiding van productie-installaties voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998.

2.1.3. Ingevolge artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 zijn Provinciale staten bevoegd voor de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5 maar niet meer dan 100 MW, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, gronden aan te wijzen en daarvoor een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening vast te stellen.

Ingevolge artikel 9e, tweede lid, eerste volzin, van de Elektriciteitswet 1998 geven Provinciale staten in ieder geval toepassing aan de bevoegdheid op grond van het eerste lid indien een producent een voornemen tot de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid schriftelijk bij hen heeft gemeld en de betrokken gemeente een aanvraag van die producent tot vaststelling dan wel wijziging van een bestemmingsplan met betrekking tot de gronden, bedoeld in het eerste lid, heeft afgewezen.

2.1.4. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag voor de bouwvergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend.

2.1.5. Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden en is de WRO ingetrokken.

Ingevolge artikel 9.1.2, eerste lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (hierna; Invoeringswet Wro), voor zover hier van belang, wordt een streekplan als bedoeld in artikel 4a van de WRO gelijkgesteld met een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2 van de Wro.

Ingevolge artikel 9.1.2, vierde lid, van de Invoeringswet Wro blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro van toepassing ten aanzien van een streekplan als bedoeld in artikel 4a van de WRO.

Ingevolge artikel 9.1.10, eerste lid, van de Invoeringswet Wro blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.

Ingevolge artikel 9.5.1 van de Invoeringswet Wro blijft de Woningwet zoals die gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een besluit omtrent een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet waarvan de aanvraag is ingekomen voor dat tijdstip.

De onderhavige aanvraag om bouwvergunning (en vrijstelling) zijn bij verweerder ingekomen op 27 juni 2008, zodat in het onderhavige geval, voor zover het de Woningwet en de WRO betreft, het recht van toepassing is zoals dat gold voor inwerkingtreding van de Wro en de Invoeringswet Wro. In het navolgende wordt dan ook uitgegaan van de wettelijke bepalingen ten tijde hier van belang.

2.1.6. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, voor zover thans van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet wordt de verlening van de vrijstelling geacht voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Awb deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft.

2.1.7. Op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders, na delegatie van de bevoegdheid daartoe door de gemeenteraad, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.

Ingevolge artikel 19, vierde lid, aanhef en onder a, van de WRO wordt vrijstelling krachtens het eerste lid niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is herzien, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

Ingevolge artikel 19a, achtste lid, van de WRO wordt het besluit omtrent de verklaring van geen bezwaar, bedoeld in artikel 19, eerste lid, of in voorkomend geval tweede lid, binnen acht weken na ontvangst van de desbetreffende aanvraag bekendgemaakt. Van het besluit wordt onverwijld mededeling gedaan aan de inspecteur. Artikel 10:31, tweede en derde lid, van de Awb is niet van toepassing. Gedeputeerde staten kunnen de verklaring weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. Indien gedeputeerde staten binnen de gestelde termijn geen besluit aan de gemeenteraad, of in voorkomend geval burgemeester en wethouders hebben bekendgemaakt, wordt dit gelijkgesteld met een besluit tot weigering van de verklaring.

Ingevolge artikel 55, aanhef en onder a, van de WRO, voor zover thans van belang, worden voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Awb een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19, eerste lid, en het besluit waarop de verklaring betrekking heeft als één besluit aangemerkt.

2.1.8. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied" (1998) (hierna: het bestemmingsplan) rust op de gronden waarop het bouwplan is voorzien de bestemming "Agrarische doeleinden (A)".

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften), voor zover thans van belang, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor Agrarische doeleinden (A) bestemd voor de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven en voor kleinschalige natuur- en landschapsontwikkeling, met in achtneming van de kenmerkende openheid.

Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de planvoorschriften zijn op de in lid 1 bedoelde gronden uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken toegestaan waaronder windturbines, voeder- en mestsilo's, die noodzakelijk zijn voor de in lid 1 bedoelde bedrijfsvoering alsmede ten hoogste twee bedrijfswoningen met bijbehorende gebouwen een en ander met dien verstande dat kassen niet zijn toegestaan.

Ingevolge artikel 14, derde lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen de ingevolge het bepaalde in lid 2 toelaatbare gebouwen uitsluitend worden gebouwd binnen bouwvlakken of bouwsteden van 1 ha ter plaatse van de daartoe op de kaart aangegeven aanduidingen [sterretje] en [sterretje in een driehoek].

Ingevolge artikel 14, achttiende lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften mogen windturbines uitsluitend binnen de bouwsteden worden gebouwd tot een aantal van niet meer dan één windturbine per bouwstede, waarbij het volgende in acht dient te worden genomen:

- de bouw van windturbines is niet toegestaan:

- binnen de gebieden met subbestemming Aln;

- binnen de op de plankaart aangegeven straalverbindingen;

- binnen de op de plankaart aangegeven bebouwingslinten;

- binnen de milieubeschermingsgebieden voor stilte, zoals aangegeven op de tekening die als bijlage onderdeel uitmaakt van deze voorschriften;

- in weidevogelgebieden zoals aangegeven op de tekening die als bijlage onderdeel uitmaakt van deze voorschriften, mag de hoogte van een windturbine niet meer dan 40.00 m bedragen en in de overige gebieden niet meer dan 60.00 m;

en met dien verstande dat:

- de afstand van de windturbines tot gronden met de bestemming Verkeersdoeleinden ten minste 15.00 m moet bedragen, gerekend vanaf het hart van de mast van de turbine;

- de gebruiksmogelijkheden overeenkomstig de bestemming op andere percelen dan die waarop de aanvraag van een windturbine betrekking heeft, niet onevenredig mogen worden aangetast ten gevolge van de aanwezigheid van de windturbine.

Ingevolge artikel 14, eenentwintigste lid, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 18 sub d ten behoeve van windturbines gelegen in weidevogelgebieden tot een hoogte van maximaal 60.00 m, zulks voorzover overwegingen van landschappelijke aard zich daartegen niet verzetten.

Alvorens omtrent toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de agrarische deskundige en de natuur- en landschapsdeskundige.

2.1.9. Op 12 november 2003 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland (hierna: provinciale staten) het Streekplan Zuid-Holland Oost 2003 (hierna: het streekplan) vastgesteld.

Op 22 oktober 2003 hebben provinciale staten de Nota WindEnergie: Ruimtelijke Visie En

Locatiekaart (Wervel) (hierna: Nota Wervel) vastgesteld.

Op 26 april 2006 hebben provinciale staten de Nota Wervel geactualiseerd.

2.2. Crisis- en herstelwet

2.2.1. Vergunninghoudster heeft zich op het standpunt gesteld dat de Chw van toepassing is op de hier aan de orde zijnde beroepen. Op 31 maart 2010 is de Chw in werking getreden. Het primaire besluit dateert van 9 december 2009 (vóór de inwerkingtreding van de Chw) en de bestreden besluiten zijn bekendgemaakt op 29 juni 2010 (na de inwerkingtreding van de Chw). De inhoudelijke bepalingen van de Chw hebben volgens de hoofdregel van het overgangsrecht onmiddellijke werking voor de onder de reikwijdte van deze wet vallende besluiten. De rechtbank ziet geen grond voor de toepassing van de in artikel 5.3 van de Chw opgenomen uitzonderingen op deze hoofdregel.

2.2.2. De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of het hier aan de orde zijnde project en daarmee de bestreden besluiten onder de reikwijdte vallen van de Chw.

De rechtbank beantwoordt die vraag, in tegenstelling tot het in haar brief van 17 november 2010 ingenomen voorlopige standpunt, bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

De vraag die voorligt is, of in het onderhavige geval sprake is van de aanleg van een productie-installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998, zoals vermeld in categorie 1.1 van Bijlage 1 van de Chw.

De rechtbank stelt vast dat het bouwplan voorziet in de realisatie van drie windturbines met een capaciteit van in totaal 9 MW. Gelet op artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, bezien in samenhang met artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw en categorie 1.1 van bijlage 1 van de Chw, is de rechtbank thans van oordeel dat de oprichting van een windpark met een capaciteit van 5 tot 100 MW - en dus ook dit windpark - onder de reikwijdte van de Chw valt. De omstandigheid dat provinciale staten in dit geval geen inpassingsplan als bedoeld in artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998 hebben vastgesteld, is naar het oordeel van de rechtbank niet doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of de Chw van toepassing is op een dergelijk project. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in categorie 1.1 van bijlage 1 van de Chw als beoordelingscriterium voor de vraag of de Chw van toepassing is, expliciet wordt verwezen naar de installatie zelf en niet naar de bevoegdheid van provinciale staten om een inpassingsplan vast te stellen. Ook in de totstandkomingsgeschiedenis van de Chw zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de aanwending van de bevoegdheid door provinciale staten en niet louter de aard van de productie-installatie bepalend is voor de toepasselijkheid van de Chw. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van onder meer de rechtbank Utrecht van 4 mei 2011, LJN BQ5252, en de uitspraak van de rechtbank Roermond van 8 juli 2011, LJN BR2711.

2.2.3. Nu de beroepen op grond van de bepalingen van Afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw moeten worden beoordeeld overweegt de rechtbank dat het college van burgmeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan is. De verleende vrijstelling en bouwvergunning voor de windturbines is geen besluit dat tot het college van burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam is gericht. Gelet op artikel 1.4 van de Chw kan het college dan ook geen beroep instellen tegen het bestreden besluit. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 1 april 2011, LJN BQ0269, waaruit volgt dat in een geval als de onderhavige geen beroepsmogelijkheid bestaat.

Hetgeen het college van burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam in beroep hebben aangevoerd doet aan de beperking van artikel 1.4 van de Chw niet af. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid, zoals ter zitting naar voren gebracht, dat het college van burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam wel bezwaren hebben kunnen indienen tegen de verleende vrijstelling en de windturbines.

Het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam is dan ook niet-ontvankelijk.

2.2.4. Ingevolge artikel 1.6a van de Chw, dat onderdeel uitmaakt van afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw, kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd. Vast staat dat niet alle eisers hun gronden hebben ingediend vóór het aflopen van de beroepstermijn. De rechtbank zal, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2011, LJN BR0561, dat evenwel niet aan eisers tegenwerpen. De bekendmaking van de bestreden besluiten heeft plaatsgevonden voordat het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet op 17 juli 2010 in werking is getreden, zodat geen wettelijke plicht bestond om daarbij in de bestreden besluiten te vermelden dat afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing is en dat beroepsgronden na afloop van de beroepstermijn niet meer kunnen worden aangevuld.

Het ligt evenwel op de weg van het bestuursorgaan om duidelijkheid te verschaffen over de rechtsmiddelen tegen een onder de reikwijdte van de Chw vallend besluit. Indien in de rechtsmiddelenverwijzing, zoals in dit geval, niet is vermeld dat de Chw van toepassing is en dat daarom na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden kunnen worden aangevuld, en de rechtbank ook niet meteen heeft onderkend dat deze wet van toepassing is, kan een belanghebbende, nu in de Chw wordt afgeweken van de Awb, in beginsel niet worden tegengeworpen dat hij na afloop van de beroepstermijn de beroepsgronden heeft aangevuld. Dit is slechts anders indien aannemelijk is dat de belanghebbende anderszins wist of kon weten dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen gronden kunnen worden aangevoerd. Die situatie doet zich hier niet voor.

2.3 Belanghebbende

2.3.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat Vereniging Hart voor het Groene Venster geen belanghebbende is. De rechtbank dient dan ook de vraag te beantwoorden of de vereniging als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt.

2.3.2. De rechtbank stelt vast dat Vereniging Hart voor het Groene Venster is opgericht op 9 september 2009. Dat is niet gebeurd bij een notariële akte. Eerst op 8 februari 2010 zijn de statuten van de vereniging opgenomen in een notariële akte.

2.3.3. In het verenigingsrecht worden twee verenigingen onderscheiden, te weten de vereniging waarvan de statuten zijn opgenomen in een notariële akte en de vereniging waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Beide verenigingen zijn rechtspersoon. De laatstbedoelde vereniging wordt wel aangeduid als informele vereniging, vereniging zonder volledige rechtsbevoegdheid of vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid.

Het besluit waarbij de vrijstelling en de bouwvergunning zijn verleend, is op 14 december 2009 verzonden naar de vergunninghoudster en is op 17 december 2009 gepubliceerd in "Het Kontakt". De termijn gedurende welke tegen de vrijstelling en de bouwvergunning kon worden opgekomen liep derhalve af op 25 januari 2010. Op het moment dat de bezwaartermijn afliep waren de statuten nog niet neergelegd in een notariële akte en kon Vereniging Hart voor het Groene Venster dus hooguit worden aangemerkt als een informele vereniging.

Om als informele vereniging te kunnen worden aangemerkt, dient Vereniging Hart voor het Groene Venster, gelet op de vaste jurisprudentie van de Afdeling, zie onder meer de uitspraak van 12 maart 2008, LJN BC6406, te voldoen aan de volgende cumulatieve vereisten:

1) er moet een ledenbestand zijn;

2) het moet om een organisatorisch verband gaan dat is opgericht voor een bepaald

doel, zodat sprake moet zijn van regelmatige ledenvergaderingen, een bestuur en een

samenwerking die op enige continuïteit is gericht;

3) de organisatie dient als een eenheid deel te nemen aan het rechtsverkeer.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Vereniging Hart voor het Groene Venster onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij ten tijde van het indienen van bezwaar aan de hier gestelde eisen heeft voldaan. Weliswaar heeft de Vereniging Hart voor het Groene Venster ter zitting gesteld over 120 leden te beschikken, maar zij heeft dat niet aangetoond door middel van bijvoorbeeld het overleggen van een lijst van het ledenbestand zoals dat ten tijde van het indienen van bezwaar bestond. Verder heeft Vereniging Hart voor het Groene Venster ter zitting aangevoerd dat er jaarlijks een Algemene Leden Vergadering wordt gehouden, maar zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat dat ook ten tijde van het instellen van het bezwaar reeds gebeurde. Vereniging Hart voor het Groene Venster kan naar het oordeel van de rechtbank derhalve niet als een belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden aangemerkt. Ook de ter zitting naar voren gebrachte jurisprudentie kan niet tot een ander oordeel leiden, nu deze ziet op wel bij notariële akte opgerichte verenigingen. Ook is de rechtbank, gelet op hetgeen Vereniging Hart voor het Groene Venster naar voren heeft gebracht, niet gebleken dat de vereniging als "entiteit" als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt.

Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verweerder Vereniging Hart voor het Groene Venster ten onrechte heeft ontvangen in haar bezwaar, zodat het beroep van de vereniging gegrond is. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het besluit op het bezwaar van Vereniging Hart voor het Groene Venster te vernietigen.

2.4. De gronden van beroep

De eisers die in hun beroep kunnen worden ontvangen, hebben in beroep het volgende naar voren gebracht.

2.4.1. [naam1] en [naam2] hebben erop gewezen dat het onderhavige gebied in het streekplan is aangewezen als agrarisch gebied met bijzondere waarden: natuur, cultuurhistorie en/of landschap (A+). Voorts is het gebied aanwezen als Top- en Belvederegebied. Het staat vast dat de plaatsing van windturbines in strijd is met het beleid zoals dat is vastgesteld voor A+ gebieden en Top- en Belvederegebieden. Daarbij hebben zij opgemerkt dat het beleid voor deze gebieden met bijbehorende regelgeving als kernpunt in het streekplan is opgenomen onder de nummers 3 en 18. Gedeputeerde staten kunnen in specifieke gevallen besluiten tot van het beleid afwijkend maatwerk, in welk geval een 'procedure afwijking kernpunt' dient te worden gevoerd. Volgens deze eisers houdt die procedure in dat over een voornemen om medewerking te verlenen aan een plan dat afwijkt van het streekplan, de Provinciale Planologische Commissie (hierna: PPC) en de Statencommissie Ruimte en Wonen (hierna: de Statencommissie) moet worden geraadpleegd. Gedeputeerde staten hebben dit in casu verzuimd, zodat de verklaring van geen bezwaar niet afgegeven had mogen worden.

Volgens [naam1] en [naam2] zou de verklaring van geen bezwaar niet zijn afgegeven, indien voormelde procedure wel zou zijn gevoerd. Op 17 maart 2010 heeft de Statencommissie zich bij de bespreking van de Nota Wervelender namelijk nagenoeg unaniem uitgesproken tegen de plaatsing van windturbines op de locatie Giessenlanden. Misverstanden tussen de collega-gedeputeerde en de commissie, alsmede onduidelijkheid over de exacte locatie hebben volgens deze eisers geresulteerd in de afgifte van de verklaring van geen bezwaar. Ook om die reden kan deze niet in stand blijven.

Daar komt bij dat het aanvraagformulier ten behoeve van de verklaring van geen bezwaar niet juist is ingevuld. Het is volstrekt onduidelijk hoe de commissie bezwaarschriften in haar advies tot de conclusie komt dat dit slordig is, maar geen gevolgen heeft voor het primaire besluit.

Voorts wijzen [naam1] en [naam2] erop dat op 1 juni 2010 de ontwerp Nota Wervelender ter inzage is gelegd. In deze nota is bepaald dat alle locaties aan de rand van het Groene Hart (en dus ook de onderhavige locatie) als studielocatie worden aangeduid. Bij een studielocatie staat nog geenszins vast of de locatie geschikt is voor plaatsing van windturbines. Allereerst dient advies te worden gevraagd aan het kwaliteitsteam (Q-team) Groene Hart, waarna provinciale staten zich buigt over de locatie. Voor de onderhavige locatie is nagelaten advies in te winnen en zijn provinciale staten niet op de hoogte gesteld. Indien wel zorgvuldig onderzoek zou zijn gedaan, zou volgens [naam1] en [naam2] geen medewerking zijn verleend van de zijde van de provincie, hetgeen ook blijkt uit het feit dat in de op 2 juli 2010 vastgestelde Provinciale Structuurvisie de plaatsing van windturbines aan de randen van het Groene Hart expliciet wordt uitgesloten.

Verder merken [naam1] en [naam2] nog op dat zij in bezwaar reeds uitdrukkelijk hebben aangegeven dat het door vergunninghoudster overgelegde geluidsrapport niet als betrouwbaar kan worden aangemerkt, daar het geluidsniveau van een ander type windturbine is onderzocht. De desbetreffende locatie is derhalve niet geschikt voor het plaatsen van windturbines en de economische uitvoerbaarheid van het plan staat geenszins vast.

Voorts hebben [naam1] en [naam2] het advies van het Kwaliteitsteam Groene Hart met betrekking tot de Nota Wervelender overgelegd. In dit advies wordt onder meer geadviseerd om in de 'groene vensters' aan de randen van het Groene Hart niet tot plaatsing van windturbines over te gaan.

Tot slot hebben [naam1] en [naam2] de rechtbank verzocht de op 26 januari 2011 vastgestelde Nota Wervelender te betrekken bij de beoordeling van het bestreden besluit. In deze nota is Giessenlanden als studielocatie voor windenergie geschrapt.

2.4.2. In beroep heeft [naam3] naar voren gebracht dat gedeputeerde staten ten onrechte een verklaring van geen bezwaar hebben afgegeven ten behoeve van het onderhavige bouwplan. Hij heeft erop gewezen dat er in provinciale staten grote reserves bestaan ten opzichte van het plaatsen van windturbines in het Groene Hart en dat provinciale staten er dan ook voor hebben gekozen in de Provinciale Structuurvisie neer te leggen dat aan de randen van het Groene Hart geen windturbines mogen worden geplaatst, met, naar zijn mening, als resultaat dat de drie windturbines bij Giessenlanden zijn geschrapt. De Transformatievisie Merwedezone kan de verklaring van geen bezwaar (en het tot [naam3] gerichte bestreden besluit) dan ook niet kan dragen.

Voorts heeft [naam3] zich op het standpunt gesteld dat er in bezwaar geen heroverweging heeft plaatsgevonden. Daarbij heeft hij erop gewezen dat hetgeen hij in bezwaar heeft ingebracht over de standpunten van provinciale staten in het bestreden besluit in het geheel niet aan de orde komt. Verweerder ziet het als een vast gegeven dat er een verklaring van geen bezwaar is en gaat er geheel aan voorbij dat tegen de verklaring van geen bezwaar geen afzonderlijk bezwaar mogelijk is, maar dat dit via de bouwvergunning moet. Daarbij heeft [naam3] opgemerkt dat bij een heroverweging ex nunc moet worden getoetst en er derhalve met gewijzigde omstandigheden rekening moet worden gehouden.

Daarnaast is de gemeente volgens [naam3] onzorgvuldig geweest in de procedure en communicatie. Voor het aanvragen van de verklaring van geen bezwaar is gebruik gemaakt van een verouderd aanvraagformulier en de daarin verstrekte informatie is op onderdelen onjuist. Verder zijn na vergunningverlening niet alle indieners van zienswijzen direct daarvan op de hoogte gebracht.

Voorts heeft [naam3] erop gewezen dat bouwvergunning is verleend voor een nog niet bestaand, en dus ook niet gecertificeerd, type windturbine. Naar zijn mening had met de bouwaanvraag gewacht moeten worden tot dit type wel beschikbaar is en is gecertificeerd. Verder heeft [naam3] zich op het standpunt gesteld dat de locale structuurvisie, waarop het bestreden besluit mede is gebaseerd, onjuist is. Daarbij heeft hij aangevoerd dat de inhoud van het hier relevante onderdeel van deze, op 18 december 2008 vastgestelde, structuurvisie vooral is gebaseerd op de Nota Wervel, waarbij in de actualisatie negen specifieke studielocaties, waaronder die voor het onderhavige bouwplan, zijn genoemd en waarbij de uiteindelijke afweging van die locaties is doorverwezen naar de Transformatievisie Merwede. Nu er echter geen sprake is van een door provinciale staten vastgestelde Transformatievisie, is het volgen van "ambtelijke stukken" zeer voorbarig geweest, hetgeen de Provinciale Structuurvisie overduidelijk aantoont.

[naam3] handhaaft voorts zijn eerdere bezwaren met betrekking tot de aspecten geluid en slagschaduw. Hetzelfde geldt voor de eerdere bezwaren met betrekking tot de aspecten flora en fauna en de Natuurbeschermingswet.

2.4.3. [naam4] heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat verweerder in strijd handelt met de Nota Ruimte en dat het bestreden besluit reeds om die reden niet in stand kan blijven. Daarbij heeft hij erop gewezen dat volgens de Nota Ruimte de Alblasserwaard een nationaal landschap is dat een grote mate van openheid als kernkwaliteit heeft. Verweerder heeft volgens [naam4] onvoldoende acht geslagen op het feit dat door het toestaan van windturbines een precedent wordt geschapen voor de plaatsing van talloze windturbines, aangezien de provincie voor de plaatsing van windturbines zich had dienen te houden aan de kaders zoals vastgelegd in de Nota Ruimte. Daarbij heeft hij erop gewezen dat de provincie ingevolge deze nota moet aangeven welke gebieden zij van landschappelijke en/of culturele waarde beschouwt, waarbij zij nadrukkelijk het hiervoor vastgestelde beleid in de Nota Ruimte in acht neemt. De provincie heeft de gehele Alblasserwaard aangewezen als gebied met cultuurhistorische waarde en heeft de gehele Alblasserwaard, inclusief de randen, daarbij in principe uitgesloten van plaatsing van windturbines. Daarbij merkt [naam4] op dat de provincie tegelijkertijd in de Nota Wervelender (versie 2 maart 2010) de gehele Merwedezone, inclusief een deel van de Alblasserwaard, bestempelt tot een gebied waar plaatsing van windturbines is toegestaan, hetgeen in strijd is met de in de nota opgesomde gebieden waarvan de provincie zelf constateert dat windturbines daarin ongewenst zijn, te weten nationale landschappen (waarbij de provincie de Alblasserwaard vergeet), Natura 2000 gebieden (de windturbines komen in de beschermingszone van de Biesbosch, een Natura 2000 gebied, te liggen) en Topgebieden cultureel erfgoed (de Alblasserwaard is een topgebied cultureel erfgoed). Volgens de Nota Wervelender zou aan de randen van deze gebieden plaatsing van windturbines onder voorwaarden wel mogelijk zijn. Volgens [naam4] vergt dit nader onderzoek, bij voorkeur middels een Milieu Effect Rapportage (hierna: m.e.r.). Bovendien zijn de windturbines volgens hem m.e.r.-plichtig. Daarbij heeft hij erop gewezen dat het Besluit m.e.r. op 16 juni 2010 is aangepast, in die zin dat ook onder de drempelwaarden een m.e.r. beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. De drempelwaarden kunnen door het bevoegd gezag als als handvat worden gebruikt bij de vraag of een m.e.r. gemaakt moet worden.

Verder heeft [naam4] aangevoerd dat er een vergunning op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet had moeten worden aangevraagd. Verweerder gaat hier volgens hem veel te gemakkelijk aan voorbij door te stellen dat van effecten niet is gebleken en ook geen sprake zal zijn. Naar de mening van [naam4] zijn de onderzoeken waar verweerder zich op baseert genoegzaam betwist door de verwijzing naar de "nationale windmolenrisicokaart voor vogels".

2.5. Verklaring van geen bezwaar

2.5.1. Er is geen verschil van mening over dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied". Alvorens vrijstelling van dit bestemmingsplan te verlenen op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO, heeft verweerder een verklaring van geen bezwaar bij gedeputeerde staten gevraagd. Op

1 december 2009 hebben gedeputeerde staten een verklaring van geen bezwaar verleend.

2.5.2. [naam1], [naam2], [naam3] en [naam4] hebben beroepsgronden naar voren gebracht die betrekking hebben op de op 1 december 2009 door gedeputeerde staten verleende verklaring van geen bezwaar.

2.5.3. De rechtbank is van oordeel dat gedeputeerde staten ten tijde van het verlenen van de verklaring van geen bezwaar dat hebben kunnen doen. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Weliswaar hebben gedeputeerde staten niet binnen de in artikel 19a, achtste lid, van de WRO genoemde termijn van acht weken een verklaring van geen bezwaar afgegeven, maar dat maakt niet, zoals uit de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2003, LJN AF8595, volgt, dat zij niet meer bevoegd waren een verklaring van geen bezwaar af te geven.

Evenmin is de rechtbank van oordeel dat, nu verweerder een verouderd formulier zou hebben gebruikt voor het indienen van een aanvraag om een verklaring van geen bezwaar, gedeputeerde staten deze verklaring hadden moeten weigeren. Hetzelfde geldt voor de stelling dat verweerder op het formulier onjuiste gegevens zou hebben ingevuld. Niet is aannemelijk gemaakt dat het vermelden van onjuiste gegevens had moeten leiden tot het weigeren van de verklaring van geen bezwaar.

Ten tijde van het verlenen van de verklaring van geen bezwaar was het bouwplan naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met het provinciaal beleid, zoals dat op dat moment in ontwikkeling was. De rechtbank wijst er daarbij op dat in het streekplan is opgenomen dat de provincie in 2010 tenminste 250 MW aan windturbinevermogen geplaatst wil hebben. Voorts is daarin overwogen dat momenteel daarvan circa 80 MW is gerealiseerd en wordt plaatsing van ongeveer 45 MW binnenkort verwacht. Om de ambitie te realiseren zijn extra inspanningen nodig. Ook binnen Zuid-Holland Oost kan nog ruimte worden gevonden.

De provincie wil dat windturbines zoveel mogelijk in aaneengesloten grootschalige opstellingen worden geplaatst. Voor lijnopstellingen geldt hierbij de volgende rangorde:

1. Eerst lijnopstellingen langs (hoofd)infrastuctuur bij een bedrijventerrein of een glastuinbouwlocatie.

2. Daarna lijnopstellingen langs (hoofd)infrastructuur in agrarisch gebied of recreatiegebied.

3. Daarna lijnopstellingen op een bedrijventerrein of glastuinbouwlocatie, dan wel aan de rand hiervan bij agrarisch gebied of recreatiegebied.

4. Incidenteel langs (hoofd)infrastuctuur in een A+ gebied en/of in een Nationaal Landschap.

Clusteropstellingen in grootschalige open gebieden zonder dominante andere structuren, zoals droogmakerijen, zijn mogelijk. Voorwaarde is daarbij wel dat een cluster door zowel plaatsing als vormgeving als een (zelfstandige) eenheid beleefd kan worden.

Voorts is in het streekplan de randzone Alblasserwaard en Vijfheerenlanden, gelegen tussen de Betuwelijn en de Boven en Beneden Merwede en waarin het bouwplan is voorzien, aangemerkt als transformatiezone. Het gaat hierbij enerzijds om kwaliteitsverbetering binnen de zones zelf door middel van interne herstructurering en het tegengaan van (verdere) verrommeling. Anderzijds gaat het om het onder voorwaarden opvangen van functies die in de andere delen van het plangebied niet gewenst zijn. De provincie zal de transformatieopgaven samen met de betrokken gemeenten uitwerken in (regionale) transformatievisies. Eén van de voorwaarden voor de transformatiezone randzone Alblasserwaard en Vijfheerenlanden is dat aangegeven moet worden hoe invulling gegeven wordt aan het zoekgebied voor windenergie zoals aangegeven in de Nota Wervel. Dit is eveneens verwoord in Kernpunt 37 van het streekplan.

De hier aan de orde zijnde transformatiezone langs de Betuwelijn en de A15 vormt, zo volgt uit het streekplan, een zoekgebied voor (grootschalige) lijnopstellingen van windturbines. Mogelijke locaties sluiten aan bij een bundeling van infrastructuur en deels bij bedrijventerreinen.

In de actualisatie van de Nota Wervel in 2006 zijn in de Merwedezone negen specifieke studielocaties voor grootschalige windenergie opgenomen, waarvan de hier aan de orde zijnde locatie (47-6) er een is.

Verder is in de in juni 2009 vastgestelde Transformatievisie Merwedezone door de Stuurgroep Transformatievisie, waaraan ook de provincie Zuid-Holland deelnam, een nadere invulling gegeven voor de opgave voor windenergie. Hierin is de locatie Giessenlanden als een van de voorkeurslocaties opgenomen.

Het vorenstaande in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat, anders dan eisers stellen, niet kan worden gezegd dat gedeputeerde staten op 1 december 2009 de verklaring van geen bezwaar niet heeft kunnen afgeven.

De rechtbank kan daarbij [naam1] en [naam2] niet volgen in hun stelling dat gedeputeerde staten daarbij zonder overleg met provinciale staten en de PPC is afgeweken van de kernpunten 3 en 18, nu in kernpunt 37 expliciet de hier aan de orde zijnde locatie als zoekgebied voor windturbines is aangewezen. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat gedeputeerde staten met voorbijgaan van provinciale staten tot afgifte van een verklaring van geen bezwaar zijn overgegaan, nu provinciale staten zelf het streekplan en de Nota Wervel en de actualisatie daarop hebben vastgesteld.

2.5.4. De rechtbank stelt voorts vast dat, na het verlenen van de verklaring van geen bezwaar door gedeputeerde staten en voor het nemen van de bestreden besluiten door verweerder, zich ontwikkelingen hebben voorgedaan ten aanzien van de hier aan de orde zijnde windturbines, die uiteindelijk hebben geleid tot wijziging van het provinciaal beleid. Eisers hebben in de bezwaarprocedure ook op deze ontwikkelingen gewezen.

Een bestuursorgaan moet op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Awb tot een volledige heroverweging van zijn eerdere besluit komen op grondslag van de aangevoerde bezwaren. Tevens is het bestuursorgaan ingevolge artikel 7:11 van de Awb verplicht aan de hand van de feiten zoals deze zich voordoen op het moment van de heroverweging, te besluiten. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder ten tijde van het nemen van de beslissingen op bezwaar nog gebruik kon maken van de verleende verklaring van geen bezwaar. Zij overweegt hierover het volgende.

Kort na het verlenen van de verklaring van geen bezwaar en het nemen van het primaire besluit is een ontwerp van de Nota Wervelender, de actualisatie van de Nota Wervel 2006 , in onder meer de Statencommissie van 13 januari 2010 en 17 maart 2010 besproken. Hier is onder meer besproken dat windturbines niet in (de rand van) het Groene Hart zouden moeten worden geplaatst en dat dit ook gevolgen zou moeten hebben voor de locatie Giessenlanden. Tevens is in deze commissievergaderingen besproken dat het met het verlenen van de verklaring van geen bezwaar voor deze locatie niet vlekkeloos was verlopen.

Daarnaast is ter zitting van de zijde van verweerder medegedeeld dat er ook informeel contact is geweest tussen de provincie en verweerder over de gang van zaken rond de hier aan de orde zijnde locatie en de gewijzigde inzichten daarover.

Voorts is op 1 juni 2010, dus vóór het nemen van de bestreden besluiten, het ontwerp van de Nota Wervelender ter inzage gelegd, waarin de hier in geding zijnde locatie nog wel als "te realiseren" is opgenomen, maar daarbij is wel de opmerking geplaatst dat de Statencommissie in meerderheid heeft uitgesproken geen voorstander te zijn van de onderhavige locatie. Tenslotte is op 2 juli 2010 de Provinciale Structuurvisie, een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2. van de Wro, vastgesteld, waarin uitdrukkelijk is opgenomen dat de plaatsing van windturbines aan de randen van het Groene Hart is uitgesloten.

Weliswaar is de vaststelling van de Provinciale Structuurvisie van na de bestreden besluiten, maar de voorbereiding van deze structuurvisie heeft geruime tijd geduurd en het was, gelet op het vorenstaande, ten tijde van de bestreden besluiten al duidelijk dat op provinciaal niveau discussie was ontstaan over de plaatsing van de onderhavige windturbines, zodat verweerder rekening diende te houden met de mogelijkheid van een verdere provinciale beleidswijziging dienaangaande. Het had dan ook op de weg van verweerder gelegen om zich in het kader van de heroverweging rekenschap te geven van de gewijzigde inzichten van provinciale staten en de gevolgen daarvan voor het onderhavige bouwplan. Hierbij acht de rechtbank ook van belang dat eisers in hun bezwaren heel nadrukkelijk hebben gewezen op de gewijzigde inzichten bij provinciale staten. Bij verweerder had dan ook ernstige twijfel moeten zijn ontstaan over de vraag of het provinciale beleid het nog wel zou toestaan om op de onderhavige locatie windturbines op te richten. Verweerder heeft zich daarbij niet zonder meer op het standpunt kunnen blijven stellen dat de verklaring van geen bezwaar overeenkomstig het (destijds) geldende provinciale beleid was afgegeven en dat de verleende vrijstelling derhalve kon worden gehandhaafd. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder uit een oogpunt van zorgvuldigheid, hetzij de naderende vaststelling van de Provinciale Structuurvisie moeten afwachten, hetzij zich met gedeputeerde staten moeten verstaan over het (blijven) gebruiken van de verklaring van geen bezwaar. Aan de bestreden besluiten, en daarmee aan de handhaving van de verleende vrijstelling en bouwvergunning, ligt derhalve geen deugdelijke voorbereiding en motivering ten grondslag. De beroepen van [naam1], [naam2], [naam3] en [naam4] zijn dan ook gegrond, en de tot hen gerichte bestreden besluiten dienen vernietigd te worden wegens strijd met artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

2.6. De rechtbank ziet aanleiding met het oog op de finale geschillenbeslechting met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

2.6.1. Ten aanzien van het beroep van Vereniging Hart voor het Groene Venster ziet de rechtbank met verwijzing naar hetgeen onder 2.3. is overwogen aanleiding het bezwaar van de vereniging van 19 januari 2009 alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

2.6.2. Nu verweerder bij het nemen van nieuwe beslissingen op bezwaar rekening moet houden met de op 2 juli 2010 vastgestelde Provinciale Structuurvisie, waarin de plaatsing van windturbines aan de randen van het Groene Hart uitdrukkelijk is uitgesloten en met de op 26 januari 2011 vastgestelde Nota Wervelender, waarin de hier aan de orde zijnde locatie is geschrapt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen gebruik meer kan maken van de op 1 december 2009 verleende verklaring van geen bezwaar en de vrijstelling en de verleende bouwvergunning ook niet meer in stand kunnen blijven. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het primaire besluit van 9 december 2009 te herroepen en te bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten op de bezwaren van [naam1], [naam2], [naam3] en [naam4].

2.7. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de overige beroepsgronden van eisers te bespreken.

2.8. Nu de beroepen van Vereniging Hart voor het Groene Venster, [naam1], [naam2], [naam3] en [naam4] gegrond worden verklaard, dient verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door deze eisers betaalde griffierecht te vergoeden.

De rechtbank ziet daarin tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die deze eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand van Vereniging Hart voor het Groene Venster, [naam3] en [naam4] worden door de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op afzonderlijk per eiser € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,- en wegingsfactor 1). Ten aanzien van [naam1] en [naam2] neemt de rechtbank in aanmerking dat het hier samenhangende zaken betreft in de zin van artikel 3, eerste lid, van het Bpb. Met toepassing van het Bpb zijn de kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor deze eisers tezamen vastgesteld op

€ 874,- (1 punt voor de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,- en wegingsfactor 1).

Niet is gebleken van andere kosten die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen.

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht,

- verklaart het beroep van het college van burgemeester en wethouders van

Hardinxveld-Giessendam niet-ontvankelijk;

- verklaart de overige beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten voor zover gericht aan Vereniging Hart voor het Groene Venster, [naam1], [naam2], [naam3] en [naam4];

- verklaart het bezwaar van Vereniging Hart voor het Groene Venster van 19 januari 2010 alsnog niet-ontvankelijk;

- herroept het besluit van 9 december 2009, waarbij vrijstelling en bouwvergunning is verleend;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;

- bepaalt dat verweerder voor het betaalde griffierecht aan Vereniging Hart voor het Groene Venster een bedrag van € 298,-, [naam1] een bedrag van € 150,-, [naam2] een bedrag van € 150,-, [naam3] een bedrag van € 150,- en [naam4] een bedrag van € 150,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die deze eisers in verband met de behandeling van hun beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken, welke kosten worden begroot op:

- € 874,- ten behoeve van Vereniging Hart voor het Groene Venster,

- € 437,- ten behoeve van [naam1],

- € 437,- ten behoeve van [naam2],

- € 874,- ten behoeve van [naam3],

- € 874,- ten behoeve van [naam4],

ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus gegeven door mr. M.G.L. de Vette, voorzitter, en mrs. B. van Velzen en

C.F.J. de Jongh, leden, en door de voorzitter en mr. M.J.F.J. van Beek, griffier, ondertekend.