Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BR5531

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
05-08-2011
Datum publicatie
23-08-2011
Zaaknummer
94092 / HA RK 11-2047
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gesteld treuzelen door de gewraakte rechter in een procedure over vreemdelingenbewaring en procesbeslissingen van deze rechter die ten nadele van verzoeker uitvallen, rechtvaardigen geen wrakingsverzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK DORDRECHT

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: 94092 / HA RK 11-2047

Beslissing van 5 augustus 2011

op het verzoek tot wraking ex artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak met kenmerk AWB 11/21439 van

[Verzoeker]

gemachtigde mr. F. Wassenaar, advocaat te Rotterdam.

Het verzoek strekt tot wraking van

[rechter X]

rechter in de vreemdelingenkamer van deze rechtbank.

1. Het procesverloop

1.1. Bij faxbericht van 2 augustus 2011 heeft de gemachtigde van verzoeker een verzoek gedaan tot wraking van [rechter X] (hierna: de gewraakte rechter).

1.2. Het verzoek om wraking is door een meervoudige kamer van de rechtbank (hierna: de wrakingskamer) behandeld ter openbare terechtzitting van 5 augustus 2011, alwaar zijn verschenen en gehoord:

- de gemachtigde van verzoeker,

- de gewraakte rechter.

De wederpartij in de onderliggende procedure (de Minister van Immigratie en Asiel, hierna te noemen: verweerder) heeft de rechtbank telefonisch medegedeeld niet te zullen verschijnen ter zitting van de wrakingskamer.

1.3. Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft de voorzitter van de wrakingskamer meegedeeld dat de uitspraak zal plaatsvinden op dezelfde dag, 5 augustus 2011.

1.4. De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- het voormelde wrakingsverzoek,

- het onderliggende procesdossier.

2. Het verzoek

2.1. De gemachtigde van verzoeker heeft aan het verzoek tot wraking het volgende ten grondslag gelegd. De gewraakte rechter heeft na de zitting van 22 juli 2011 aan verweerder de gelegenheid geboden om haar standpunt schriftelijk toe te lichten. Verweerder heeft dit vervolgens gedaan op 26 juli 2011. Dat was nadat de gestelde termijn al was verstreken. Na ontvangst van die reactie heeft de gewraakte rechter aan partijen ex art. 8:64, vijfde lid, Awb gevraagd of zij instemden met het achterwege laten van een nieuwe zitting. De gewraakte rechter deed dit verzoek echter pas een week na afloop van de reactietermijn. Dit was onnodig later dan had gekund. Door zolang te dralen met het doen van dit verzoek, heeft de gewraakte rechter de schijn van partijdigheid gewekt. Ter zitting van de wrakingskamer heeft de gemachtigde van verzoeker verklaard dat dit het belangrijkste verwijt is dat verzoeker aan de gewraakte rechter maakt. Het lijkt volgens verzoeker de gewraakte rechter niet te deren dat [verzoeker] al die tijd moest wachten op een uitspraak, dit terwijl [verzoeker] ondertussen van zijn vrijheid is beroofd. Het recht op een speedy trial ex art. 5 EVRM is geschonden. De procedure duurt veel te lang. Verzoeker heeft meermaals aan zijn gemachtigde zijn ongenoegen geuit over het trage verloop van de procedure. Het onderhavige beroep van [verzoeker] tegen het voortduren van zijn bewaring was al eerder door een andere rechter op een zitting behandeld, t.w. op 14 juli 2011. De zaak is toen geschorst voor nader onderzoek. Daarna is de zaak opnieuw op zitting behandeld op 22 juli 2011, ditmaal door de gewraakte rechter. De gewraakte rechter bleek niet goed op de hoogte van de reden van schorsing. De zaaksoverdracht aan de gewraakte rechter door de vorige rechter, die met vakantie was gegaan, was niet goed geregeld. Op de tweede zitting van 22 juli 2011 verscheen namens de IND een andere procesvertegenwoordiger dan de eerste keer. De nieuwe procesvertegenwoordiger bleek niet bekend te zijn met de inhoud van de zaak. De gewraakte rechter had er toen voor kunnen kiezen om dit voor risico van verweerder te laten komen. [verzoeker] heeft de stellige indruk dat de organisatie van de rechtbank in deze zaak niet op orde is. [verzoeker] geeft de rechtbank in overweging de zaak over te dragen aan een andere rechtbank.

3. Het standpunt van de rechter wiens wraking is verzocht

3.1. De gewraakte rechter heeft niet in de wraking berust. De gewraakte rechter heeft ter zitting van de wrakingskamer mondeling zijn standpunt toegelicht. De gewraakte rechter heeft gesteld dat de uitnodiging voor de zitting van 22 juli 2011 pas op 21 juli 2011 is uitgegaan. Vervolgens bleek ter zitting dat de procesvertegenwoordiger van verweerder niet op de hoogte was van de inhoud van de zaak. Het zou bij die stand van zaken veeleer van partijdigheid hebben getuigd als aan verweerder géén mogelijkheid was geboden om nog schriftelijk te mogen reageren. Voorts heeft de gewraakte rechter gesteld dat, zo al van onjuist handelen sprake zou zijn, dit nog geen partijdigheid of vooringenomenheid impliceert.

4. De beoordeling

4.1. Ingevolge artikel 8:15 Awb kan elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van het bepaalde in 8:16, eerste lid, Awb dient het verzoek tot wraking te worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Ingevolge het derde lid van dat artikel moeten alle feiten en omstandigheden tegelijk worden voorgedragen.

4.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter is het uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van partijen een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van de betrokken partij dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.

4.3. Naar de wrakingskamer heeft begrepen, was de directe aanleiding voor het wrakingsverzoek dat de gewraakte rechter eerst een week na het verstrijken van de reactietermijn aan partijen heeft gevraagd of een nieuwe zitting achterwege kan blijven. Dit is een procesbeslissing. Het nemen van een procesbeslissing ten nadele van één der partijen getuigt op zich nog niet van vooringenomenheid. Hetzelfde geldt voor het tijdstip waarop een dergelijke beslissing wordt genomen. Of het recht op een spoedige rechterlijke toets van een vrijheidsontneming is geschonden, staat niet ter beoordeling van de wrakingskamer, maar van de rechter die de onderliggende zaak behandelt. Irritatie en ongenoegen van verzoeker over de gestelde trage gang van zaken rechtvaardigt geen wraking. Dat de gewraakte rechter aan verweerder een nadere reactietermijn heeft geboden, was eveneens een procesbeslissing. Als de vorige rechter die de zaak heeft behandeld niet goed duidelijk heeft gemaakt wat de reden was om de behandeling van de zaak aan te houden, dan mag dat niet aan de gewraakte rechter worden verweten.

4.4. De wrakingskamer heeft geen bevoegdheid om te oordelen over de gedane suggestie om de onderliggende zaak door een andere rechtbank te laten behandelen. Een gegronde wraking zou slechts resulteren in een andere rechter, niet in een andere rechtbank.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat het verzoek tot wraking ongegrond is en afgewezen dient te worden.

5. De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking van [rechter X] af.

Deze beslissing is genomen door mrs. A.P. Hameete, M.G.L. de Vette en A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2011.