Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BR5095

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
16-08-2011
Datum publicatie
16-08-2011
Zaaknummer
11-712275-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een krantenbezorgster aangesproken en haar vervolgens vanuit het niets gezoend en onzedelijk betast. Het slachtoffer kampt na een jaar nog steeds met de gevolgen hiervan en durfde lange tijd de straat niet op. De rechtbank heeft verdachte, die zwakbegaafd is, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden, met verplichte begeleiding door de reclassering. Om de ernst van het feit te benadrukken moet verdachte ook nog een werkstraf van tachtig uren uitvoeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/712275-09 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats en datum] 1960,

wonende te [adres en woonplaats],

hierna: verdachte.

Raadsman Mr. S. Kandemir, advocaat te Dordrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 2 augustus 2011, waarbij de officier van justitie mr. C. de Kimpe, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 9 september 2009 te Dordrecht [benadeelde partij] (hierna: aangeefster) heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegd wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangifte, de processen-verbaal van bevindingen betreffende verklaringen van aangeefster en de verklaring van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken wegens het ontbreken van bewijs. Verdachte betwist dat de door hem gegeven zoen tegen de wil van aangeefster was en verdachte ontkent de overige handelingen. De verdediging heeft aangevoerd dat het vanwege de wisselende verklaringen van aangeefster onduidelijk is wat er precies is gebeurd.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de inhoud van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden, die de rechtbank samengevat en zakelijk zal weergeven.

Op 9 september 2009 tussen 17.15 uur en 18.15 uur is aangeefster kranten aan het bezorgen bij een portiekflat op de Brouwersdijk te Dordrecht. Verdachte komt aangefietst en begint een praatje met aangeefster. Verdachte biedt aangeefster een blikje Red Bull aan dat zij accepteert. Iets later in het gesprek zegt verdachte dat hij met aangeefster wil neuken en dat hij bereid is hiervoor te betalen. Aangeefster loopt vervolgens terug naar haar fietstassen om nieuwe kranten te pakken. Wanneer aangeefster de kranten uit de fietstas op haar arm heeft, zoent verdachte haar plotseling op de wang. Zij duwt verdachte weg en zegt dat hij moet stoppen. Verdachte loopt achter aangeefster aan richting de flat en blijft tegen haar praten. Op het moment dat aangeefster zich in de richting van verdachte draait, zoent verdachte aangeefster plotseling vol op de mond. Verdachte heeft daarbij aangeefster vast bij de arm. Ook voelt aangeefster op dat moment een hand, die haar vol in haar kruis pakt. Aangeefster zegt niets, pakt haar fiets en rijdt weg.

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte vanuit het niets een vrouw, die hij op straat tegenkwam, ineens een zoen op de wang heeft gegeven. Door zo te handelen heeft verdachte aangeefster gedwongen deze zoen te ondergaan.

Nadat aangeefster verdachte vervolgens heeft weggeduwd en heeft gezegd dat hij moet stoppen, is verdachte toch verder gegaan met zijn handelingen. Hij heeft aangeefster achtervolgd in de richting van de flat en haar vastgepakt bij haar arm. Op die manier heeft verdachte aangeefster opnieuw met een onverhoedse actie gedwongen meerdere handtastelijkheden te ondergaan.

Verdachte heeft verklaard dat hij de zoen zonder dwang en mede op initiatief van aangeefster heeft gegeven, en dat er geen andere handtastelijkheden hebben plaatsgevonden. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk gelet op het feit dat aangeefster meteen aangifte bij de politie heeft gedaan. Bovendien is uit de processen-verbaal van bevindingen van 11 en 27 september 2009, alsmede uit de letselverklaring van 16 september 2009 gebleken dat de gebeurtenis een traumatiserend effect op aangeefster heeft gehad. Het beschreven effect verhoudt zich niet met het op initiatief van aangeefster krijgen van een enkele zoen op de wang.

In de bewezenverklaring volgt de rechtbank de aangifte. De rechtbank laat de latere (aanvullende) verklaringen van aangeefster, afgelegd op 11 september 2009, 28 september 2009 en 1 juli 2010, buiten beschouwing. De rechtbank overweegt hierbij dat de aangifte van aangeefster, die is opgemaakt enkele uren na de ten laste gelegde gebeurtenis, gedetailleerd is en authentiek overkomt. In haar latere verklaringen is aangeefster niet langer in staat samenhangend en gedetailleerd te verklaren. In haar verklaring van 11 september 2009 kan aangeefster slechts drie zinnen op papier schrijven. Tijdens haar verklaring van 27 september 2009 valt aangeefster soms stil en weet zij zich de gestelde vraag niet meer te herinneren. De verklaring hiervoor kan een seksueel trauma zijn, zoals aangegeven door de forensisch arts J.Akos (letselverklaring d.d. 16 september 2009), nu aangeefster een aantal jaren eerder slachtoffer is geweest van een verkrachting. Daarbij komt aangeefster tot haar nadere verklaring(en) na bemoeienis van haar echtgenoot die haar ook heeft geholpen alles te verwerken. Dit alles samennemend maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het niet is uit te sluiten dat de eerdere traumatische ervaring en/of suggesties van anderen van invloed zijn geweest op de herinnering van aangeefster, waardoor haar latere verklaringen als minder betrouwbaar zijn te beschouwen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 09 september 2009 te Dordrecht, door een

feitelijkheid [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het dulden

van ontuchtige handelingen, bestaande uit

-het onverhoeds zoenen op de wang en vervolgens de mond van die [benadeelde partij] en

-het onverhoeds betasten van haar kruis

en bestaande die feitelijkheid uit het onverhoeds benaderen

van die [benadeelde partij] (zodat zij zich hiertegen niet kon verweren).

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

FEITELIJKE AANRANDING VAN DE EERBAARHEID.

6 De strafbaarheid van de verdachte

6.1 De rapporten van de deskundigen

Uit het door drs. A.K. Wierenga, GZ psycholoog, over verdachte uitgebracht rapport van 11 april 2011 komt onder meer het navolgende naar voren:

Bij verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een verstandelijke beperking. Dit was ook het geval tijdens hetgeen ten laste is gelegd. De gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens heeft de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte beïnvloed ten tijde van het tenlastegelegde, indien bewezen.

Verdachte functioneert op zwakbegaafd, mogelijk licht zwakzinnig niveau. Er is sprake van een zwakke persoonlijkheidsopbouw, die beperkt stressbestendig is en een zwakke afweerfunctie kent. Bij verdachte lijkt sprake van een sterk egocentrisch perspectief, gebrekkige remmingen en een gebrekkige frustratietolerantie. Verder lijkt er ook sprake van narcistische dynamiek en zelfoverschatting. Uitstel van behoeftebevrediging wordt amper verdragen en verdachte kan dan impulsief handelen om zijn behoeften te bevredigen en het zicht op de consequenties en gevolgen van zijn gedrag verliezen.

Verder zijn de copingmechanismen beperkt te noemen, verdachte heeft veel ondersteuning nodig bij zijn dagelijkse leven van de onderburen. Hij kan zijn eigen post nauwelijks lezen en begrijpen door zijn analfabetisme.

Bij verdachte wordt zijn verhouding tot vrouwen in sterke mate bepaald door zijn egocentrisch perspectief. Hij schrijft deze vrouwen dezelfde verlangens toe als hij zelf heeft en handelt vervolgens naar deze misperceptie. Hij legt de oorzaak voor zijn impulsieve handelingen derhalve buiten zichzelf in de ander. Er is sprake van een stoornis in de oordeel- en kritiekfuncties. Verdachte kan de consequenties van zijn handelen niet overzien en begrijpen, hij lijkt zich ook van geen schuld bewust te zijn.

De rapporteur adviseert om verdachte voor het ten laste gelegde, indien bewezen geacht, als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank volgt de conclusie van voormeld rapport op grond van de onderbouwing ervan en legt deze ten grondslag aan haar beslissing. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en het rapport van voornoemde deskundige, voldoende vast is komen te staan dat het ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor het door hem gepleegde strafbare feit.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 200 uur te vervangen door 100 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden met een proeftijd van 3 jaar, onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. De officier van justitie heeft hierbij rekening gehouden met de conclusie in de psychologische rapportage, de gevolgen van het feit voor het slachtoffer, het advies van de reclassering en dat het feit inmiddels bijna 2 jaar geleden heeft plaatsgevonden.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft erop gewezen dat na het ten laste gelegde feit verdachte niet opnieuw in aanraking is gekomen met politie of justitie en dat zijns inziens de kans op recidive nihil is. Hij verzoekt de rechtbank hiermee bij een eventuele strafoplegging rekening te houden.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een vrouw die kranten liep te bezorgen aangesproken en haar vervolgens vanuit het niets gezoend en onzedelijk betast. Verdachte heeft zich daarbij geheel laten leiden door zijn eigen verlangens en heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met wat dit voor invloed zou hebben op het slachtoffer. In dit geval heeft het handelen van verdachte zeer grote gevolgen gehad voor het slachtoffer die hierdoor lange tijd de straat niet op durfde en in belangrijke mate afhankelijk werd van haar echtgenoot. In haar schriftelijke slachtofferverklaring is te lezen dat ook al is er inmiddels een jaar verstreken haar angst voor mannen nog niet helemaal is verdwenen.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat gelet op het gegeven dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een zedendelict. Daarbij kan verdachte voor het door hem gepleegde feit als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de inhoud van het reclasseringsrapport van F. Mansveld van 20 juli 2011, waarin de bevindingen uit de psychologische rapportage worden overgenomen en het recidiverisico als laag tot gemiddeld wordt ingeschat, mits hij de hulp aanvaardt van familieleden en de aanwijzingen van de reclassering opvolgt.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat een gevangenisstraf van vier maanden in voldoende mate recht doet aan de ernst en de gevolgen van het door verdachte gepleegde feit. In de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals omschreven in de rapporten van de psycholoog en de reclassering, vindt de rechtbank aanleiding om deze straf geheel voorwaardelijk op te leggen. De voorwaardelijke straf heeft als doel verdachte er van te doordringen dat hij in de toekomst geen strafbare feiten zal plegen, maar ook om de noodzakelijke begeleiding door de reclassering te verplichten. Nu uit de rapportages is gebleken dat verdachte ook in de toekomst zal moeten worden begeleid en de reeds aangevangen begeleiding door de reclassering door verdachte als positief wordt ervaren zal de rechtbank een langere proeftijd dan gebruikelijk aan de voorwaardelijke straf koppelen.

Om de ernst en de gevolgen van het gepleegde feit te benadrukken zal de rechtbank verdachte tevens veroordelen tot een werkstraf van tachtig uren. Verdachte moet, in samenspraak met de reclassering, in staat worden geacht deze straf naar behoren uit te voeren.

8 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van € 1400,= als voorschot op de immateriële schade.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, alsmede tot oplegging van de maatregel tot schadevergoeding.

De raadsman heeft gesteld dat de vordering niet deugdelijk is onderbouwd. Bewijsstukken ontbreken en nu de benadeelde partij heeft afgezien van professionele hulp is de vordering niet eenvoudig van aard. De vordering moet worden afgewezen.

De rechtbank acht aannemelijk dat de impact van het handelen van verdachte op het slachtoffer groot is en dat dit gepaard gaat met gevoelens van angst en wantrouwen en problemen met intimiteit. Hierbij houdt de rechtbank er wel rekening mee dat die gevoelens mogelijk verergerd zijn door eerdere nare ervaringen op seksueel gebied. Naar redelijkheid en billijkheid zal de rechtbank daarom een bedrag van € 700,= toewijzen ter zake van voorschot op vergoeding van immateriële schade.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor dat deel zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 700,=.

9 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen en maatregel berusten op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen op de wijze als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5 vermelde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 3 (drie) jaren;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of niet een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 80 (tachtig) uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 (veertig) dagen;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij], p/a [adres] Rotterdam, van € 700,=, ter zake van voorschot op de vergoeding van immateriële schade.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], woonplaats gekozen hebbende te Rotterdam aan de [adres], € 700,= te betalen, bij niet betaling te vervangen door 14 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C. van Walree, voorzitter, mr. H.C.A. de Groot en mr. R.E. Drenth, rechters, in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 augustus 2011.

Mr. Drenth is door afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De gewijzigde tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 09 september 2009 te Dordrecht, door geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden

van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit

-het blijven achtervolgen, danwel volgen van die [benadeelde partij] terwijl zij hem had

toegevoegd/gezegd weg te gaan en/of (vervolgens)

-het overhoeds zoenen (op de wang) (en/of) (de mond) van die [benadeelde partij] en/of (vervolgens)

-het oververhoeds betasten en/of knijpen in/van haar (rechter)borst(en) en/of (vervolgens)

-onverhoeds onder de (boven)kleding en/of (bedekte) vagina en/of in/op haar (onder)broek

en/of haar kruis

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het onverhoeds (be)naderen

van die [benadeelde partij] (zodat zij zich hiertegen niet kon verweren);

Parketnummer: 11/712275-09

Vonnis d.d. 16 augustus 2011