Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BR2515

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
21-07-2011
Zaaknummer
92630 FT-RK 11.5161
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afwijzing dwangakkoord. 2 schuldeisers waarvan 1 bijna afgelost. Weigerende schuldeiser 99,2 % van totale schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummers: 92630 FT-RK 11.5161

afwijzing verzoek dwangakkoord

Op 3 mei 2011 is ter griffie binnengekomen een verzoekschrift van:

[verzoeker],

wonende te [adres]

tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet om ING, vertegenwoordigd door Fiditon, postbus 2290, 1000 CG Amsterdam, die weigert mee te werken aan de door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen met deze regeling in te stemmen. Schuldeiser heeft aan haar weigering ten grondslag gelegd dat zij de in het akkoord voor haar voorziene uitkering te laag acht. Daarbij is schuldeiser van oordeel dat de Regionale Sociale Dienst het vrij te laten bedrag onjuist heeft berekend. Bovendien zal de afloscapaciteit van verzoeker binnenkort drastisch lager worden aangezien de inwonende dochter van verzoeker op 13 juli 2011 de leeftijd van 18 jaar bereikt waardoor de WWB-uitkering van verzoeker verlaagd zal worden. Daarnaast heeft schuldeiser de verwachting dat de heer Uni op korte termijn zal kunnen re-integreren op de arbeidsmarkt waardoor hij een hogere afloscapaciteit zal krijgen.

Vaststaande feiten

Bij de beoordeling van het onderhavige verzoek gaat de rechtbank uit van de navolgende vaststaande feiten.

- Verzoeker heeft twee schuldeisers. De Regionale Sociale Dienst Hoeksche Waard heeft een preferente vordering van € 778,65 op verzoeker en ING heeft een concurrente vordering van € 101.464,47 op verzoeker. De vordering van ING bedraagt 99,2 % van de totale schuldenlast;

- verzoeker heeft op of omstreeks 25 februari 2011 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 2,06 % tegen finale kwijting. Het gedane voorstel is een prognose en gebaseerd op de NVVK-norm;

- genoemde schuldeiser is niet akkoord gegaan met het voorstel;

- verzoeker heeft op 1 april 2011 bovengenoemde schuldeiser verzocht het voorstel te heroverwegen, maar deze heeft niet alsnog met het voorstel ingestemd.

Beoordeling

Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 5 juli 2011. Daarbij is verzoeker gehoord. Namens de afdeling schuldhulpverlening van de Regionale Sociale Dienst Hoeksche Waard is verschenen mevrouw Y. Uyterlinde. Namens schuldeiser zijn mevrouw I.M. Staphorius en de heer C.J.A. Slewe verschenen.

In artikel 287a Fw is bepaald dat het verzoek van verzoeker slechts kan worden toegewezen als schuldeiser in redelijkheid niet tot het onthouden van instemming heeft kunnen komen.

Hierbij wordt in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat schuldeiser heeft bij uitoefening van die bevoegdheid tot weigering, en de belangen van verzoeker of overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.

Het uitgangspunt moet zijn dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van haar vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Aangezien de aangeboden regeling voorziet in een aanzienlijk lagere uitkering dan de volledige vordering van de genoemde schuldeisers, is hun belang tot weigering van die regeling een feit.

Er is in dit geval sprake van een bijzondere situatie. Er zijn twee schuldeisers, Regionale Sociale Dienst Hoeksche Waard en ING. De vordering van de weigerende schuldeiser bedraagt € 101.464,47 en maakt 99,2% uit van de totale schuldenlast van verzoeker. De vordering van Regionale Sociale Dienst Hoeksche Waard van € 778,00 staat qua omvang niet met deze schuld in verhouding. Reeds om die reden is het moeilijk denkbaar dat ING tot instemming met het voorgestelde akkoord zou kunnen worden gedwongen. Daar komt bij dat verzoeker zijn schuld aan Regionale Sociale Dienst Hoeksche Waard aflost door middel van het beslag dat door de Regionale Sociale Dienst Hoeksche Waard op zijn uitkering is gelegd, als gevolg waarvan verwacht kan worden dat deze schuld binnen afzienbare tijd is afgelost. ING zal dan de enige schuldeiser zijn. De regeling in artikel 287a Fw is niet bedoeld voor de situatie waarin er slechts één schuldeiser is. Om deze redenen kan niet worden aangenomen dat ING niet in redelijkheid tot haar weigering van het akkoord kon komen.

Ook indien dit anders zou zijn, heeft ING het akkoord in redelijkheid mogen weigeren. Het aangeboden akkoord dient in beginsel te worden vergeleken met de situatie waarin op verzoeker de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard, zoals subsidiair door hem is gevorderd. Het verweer van schuldeiser dat het inkomen van verzoeker verlaagd zal worden op het moment dat zijn inkomende dochter de leeftijd van 18 jaar bereikt, waardoor verzoeker het aangeboden percentage niet zal kunnen uitbetalen aan schuldeiser, is door verzoeker ter zitting erkend. Dat betekent dat het als prognose aangeboden percentage uiteindelijk (nog) lager zal kunnen uitvallen, indien verzoeker er niet in zal slagen werk te vinden. Verzoeker heeft verklaard dat hij thans bezig is met een re-integratietraject en dat hij solliciteert. Er is derhalve een reële kans dat verzoeker in de nabije toekomst meer afloscapaciteit zal kunnen verwerven, waardoor er, al dan niet in een wettelijke schuldsaneringsregeling, uitzicht is op een hogere aflossing op zijn schuld aan de betrokken schuldeiser, dan nu is aangeboden.

Het akkoord dient te zijn voorzien van waarborgen, die het aannemelijk maken dat verzoeker zich maximaal inspant om een zo hoog mogelijk inkomen te genereren voor zijn schuldeisers. Het aanbod behelst in feite een vergelijkbaar traject als de wettelijke schuldsanering, echter zonder de wettelijke waarborgen die de Faillissementswet biedt. In het wettelijk traject wordt streng op het naleven van de inspanningsverplichting door de schuldenaar toegezien. De schuldhulpverlener in de minnelijke schuldenregeling is, anders dan de bewindvoerder schuldsanering, niet bevoegd om dit toezicht uit te oefenen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat genoemde schuldeiser in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen.

Het verzoek om de betreffende schuldeiser te bevelen in te stemmen met de schuldregeling zal daarom worden afgewezen.

De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Gewezen door mr. A.J. van Spengen en uitge¬spro¬ken ter open¬bare te¬rechtzit¬ting van

5 juli 2011 in tegen¬woor¬dig¬heid van de grif¬fier.