Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BQ9873

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
11/688
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet door de burgemeester van een seksshop waar handelshoeveelheden GHB, XTC en cocaïne zijn aangetroffen.

Nieuwe, strengere gedragslijn door de burgemeester volgens de inzet van het nieuwe gemeentebestuur, maar daarnaast wordt onverkort de oude, minder strenge beleidsregel voor horecagelegenheden door de burgemeester gehanteerd. De burgemeester vindt het onderscheid in sluitingsduur voor horecagelegenheden enerzijds en niet-horecagelegenheden anderzijds zelf onwenselijk. De voorzieningenrechter acht onder die omstandigheden het opleggen van een sluitingsduur volgens het strengere, nieuwe regime alleen omdat in dit geval sprake is van een niet-horecagelegenheid, zonder nadere onderbouwing kennelijk onredelijk.

Tussen constatering van de overtreding en het besluit tot sluiting zijn ruim 6 maanden gelegen. In die periode zijn geen nieuwe overtredingen in de seksshop geconstateerd. Het tijdsverloop is niet (mede) veroorzaakt door de verzoeker. De voorzieningenrechter acht hiermee in beginsel een bijzondere omstandigheid gegeven die diende te leiden tot matiging van de sluitingduur, zodat verweerder het desondanks vasthouden aan zijn vaste gedragslijn diende te motiveren vanuit de belangen die door de burgemeester vanwege het doel van de in artikel 13b van de Opiumwet neergelegde sluitingsbevoegdheid bij de vaststelling van de sluitingsduur mogen worden betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummers: AWB 11/688 (verzoek om voorlopige voorziening)

AWB 11/687 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[naam verzoeker], h.o.d.n. [naam], gevestigd te [vestigingsplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat te Amersfoort,

en

de burgemeester van Dordrecht, verweerder,

gemachtigde: mr. E.A. van Dommelen, werkzaam bij het Juridisch Kenniscentrum Drechtsteden.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 24 februari 2011 heeft het hoofd van de afdeling vergunningen en meldingen van de Omgevingsdienst Zuid-Holland-Zuid namens verweerder verzoeker de sluiting van diens eenmanszaak "[naam]" bevolen voor de duur van 6 maanden met ingang van 4 maart 2011, 18.00 uur.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 3 maart 2011 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van eveneens 3 maart 2011 heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Bij besluit van 10 maart 2011 heeft verweerder met het oog op een ordelijke afhandeling van het verzoek om voorlopige voorziening besloten om verzoeker de sluiting te bevelen met ingang van 18 maart 2011, 18.00 uur.

Bij besluit van 14 maart 2011 heeft verweerder het namens hem genomen besluit van 24 februari 2011 bekrachtigd.

Bij uitspraak van 15 maart 2011, procedurenummer AWB 11/226, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Bij besluit van 12 mei 2011 heeft verweerder, in afwijking van het advies van de bezwaarcommissie van 18 april 2011 en onder verwijzing naar het ambtelijk tegenadvies van 4 mei 2011, verzoekers bezwaar ongegrond verklaard en het bevel tot sluiting gedurende 6 maanden met ingang van 18 maart 2011, 18.00 uur, gehandhaafd. In datzelfde besluit heeft verweerder verzoekers verzoek om vergoeding van diens proceskosten in bezwaar afgewezen onder verwijzing naar het bepaalde onder punt 6 van het advies van de bezwaarcommissie.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft verzoeker bij brief van 10 juni 2011 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

Bij brief van eveneens 10 juni 2011 heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 28 juni 2011 ter zitting behandeld.

Verzoeker is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 5:2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder herstelsanctie in de zin van die wet verstaan: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding

Ingevolge artikel 5:21 Awb wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende: a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 7:11 van de Awb bepaalt:

1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

2. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Ingevolge artikel 8:72, eerste lid, in samenhang gelezen met het vijfde lid, van de Awb kan de rechtbank, indien zij het beroep gegrond verklaart en het bestreden besluit vernietigt, zo nodig een voorlopige voorziening treffen. In dat geval bepaalt de rechtbank het tijdstip waarop de voorlopige voorziening vervalt.

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Indien een verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan hangende beroep bij de rechtbank en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan de voorzieningenrechter op de voet van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.1.2. Ingevolge artikel 13b van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Cocaïne en XTC zijn middelen opgenomen in lijst I van de Opiumwet (zogenoemde "harddrugs").

GHB is een middel opgenomen in lijst 2 van de Opiumwet (zogenoemde "softdrugs").

2.2. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit verwijst verweerder voor zijn motivering van de handhaving van het sluitingsbevel van 6 maanden per 18 maart 2011 naar het ambtelijk tegenadvies van 4 mei 2011.

In het ambtelijk advies wordt het standpunt ingenomen dat verweerders bevoegdheid om te bevelen te sluiten was gegeven met de aangetroffen handelshoeveelheden cocaïne, XTC en GHB in [naam]. Het voorhanden hebben van een handelshoeveelheid van deze middelen impliceert dat die middelen ter plaatse verhandeld worden, zodat daarmee de sluitingsbevoegdheid ingevolge artikel 13b van de Opiumwet is gegeven. Daarnaast is niet vereist dat sprake is van aanvullende aanwijzingen voor verhandeling en/of van gebleken overlast van verhandeling voor de omgeving. Een sluitingsbevel op grond van artikel 13b van de Opiumwet is gericht op het herstel van de openbare orde die reeds verstoord moet worden geacht door het ter verhandeling voorhanden hebben van de middelen als bedoeld in de lijsten I en II van de Opiumwet. Er is dan ook geen sprake van misbruik van deze bevoegdheid bij het ontbreken van deze aanvullende aanwijzingen voor verhandeling en/of van daarnaast gebleken overlast van verhandeling voor de omgeving.

In het ambtelijk tegenadvies wordt voorts het standpunt ingenomen dat verweerder in redelijkheid van zijn sluitingsbevoegdheid ingevolge artikel 13b van de Opiumwet op deze wijze gebruik mocht maken. Niet is vereist dat daarvoor beleidsregels zijn vastgesteld. Het verwijzen naar een vaste gedragslijn volstaat als motivering. Verweerder hanteert als vaste gedragslijn dat bij het verhandelen van middelen genoemd in lijst I, ongeacht de aangetroffen handelshoeveelheid, de omstandigheden van verhandelen of de feitelijke overlast daarvan voor de omgeving, een sluiting voor 6 maanden wordt bevolen, zonder voorafgaande waarschuwing. Deze vaste gedragslijn is niet kennelijk onredelijk. Met het bevel tot sluiting gedurende 6 maanden conform deze vaste gedragslijn van [naam] heeft verweerder beoogd herhaling en voortzetting van de geconstateerde overtreding te voorkomen, de bekendheid van het lokaal in kringen van handelaren en gebruikers als verkooppunt voor (hard)drugs te doen verdwijnen en precedentwerking te voorkomen. Dat het gaat om een vaste gedragslijn blijkt uit verweerders handelwijze bij de sluiting van een belhuis in december 2010 en verder uit verweerders concept-beleidsregels voor coffeeshops. Dat verweerder voor horecagelegenheden beleidsregels hanteert waarin bij deze overtreding een sluiting voor 3 maanden wordt bevolen, doet daaraan niet af. Het verschil in sluitingsduur wordt verklaard uit het feit dat de beleidsregels voor horecagelegenheden zijn opgesteld onder het voormalige gemeentebestuur, dat een minder steng beleid op dit punt voorstond dan het huidige gemeentebestuur, en verweerders vaste gedragslijn voor niet-horecagelegenheden de neerslag is van het strengere beleid dat is ingezet door het huidige gemeentebestuur. De mate waarin het voorhanden zijn in de winkel van de aangetroffen handelshoeveelheden cocaïne, XTC en GHB verzoeker als exploitant valt te verwijten dan wel de financiële gevolgen van de sluiting voor verzoeker als exploitant van de winkel, zijn geen bijzondere omstandigheden zijn die verweerder aanleiding hadden moeten geven de duur van de sluiting te beperken dan wel van sluiting af te zien.

Ten slotte wordt in het ambtelijk tegenadvies het standpunt ingenomen dat, nu er een periode van ruim 6 maanden is gelegen tussen de constatering van de overtreding en het besluit tot sluiting en er in die periode geen nieuwe overtredingen zijn geconstateerd, verweerder in zijn beslissing op verzoekers bezwaar nader zal moeten motiveren dat een sluiting van 6 maanden conform zijn vaste gedragslijn was aangewezen. Ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het tijdsverloop niet zo lang is, dat dit een bijzondere omstandigheid vormde die hem aanleiding had moeten geven de duur van de sluiting te beperken dan wel van sluiting af te zien.

In het bestreden besluit wijst verweerder verzoekers verzoek om vergoeding van diens proceskosten in bezwaar af onder verwijzing naar het bepaalde onder punt 6 van het advies van de bezwaarcommissie van 18 april 2011. Ter zitting heeft verweerder ter toelichting op dit standpunt verklaard dat bedoeld is tot uitdrukking te brengen dat reeds vanwege het ongegrond verklaren van verzoekers bezwaar diens proceskosten in bezwaar niet voor vergoeding in aanmerking konden worden gebracht.

2.3. Standpunt verzoeker

Verzoeker betoogt in de eerste plaats dat verweerder ten onrechte zijn bezwaar ongegrond heeft verklaard, nu hij in bezwaar terecht heeft aangevoerd dat het besluit van 24 februari 2011 onbevoegd werd genomen en verweerder in reactie op dat bezwaar dat gebrek heeft hersteld. Verweerder heeft daarom volgens verzoeker hem ten onrechte de gevraagde vergoeding van in bezwaar gemaakte proceskosten niet toegekend.

Voor zover dit bevoegdheidsgebrek al door bekrachtiging van verweerder zonder het besluit van 24 februari 2011 te herroepen kon worden hersteld, was verweerder volgens verzoeker op grond van de geconstateerde overtreding niet bevoegd de sluiting van [naam] te gelasten. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het bezit van handelshoeveelheden middelen als bedoeld in de lijsten I en II van de Opiumwet de bevoegdheid ingevolge artikel 13b van die wet pas doet ontstaan als daarnaast sprake is van concrete aanwijzingen van verhandeling van die middelen. Als al die bevoegdheid met het enkele bezit van handelshoeveelheden zou ontstaan, dan levert gebruik van die bevoegdheid in zo'n geval volgens verzoeker misbruik van bevoegdheid op.

Voor zover al verweerders bevoegdheid ingevolge artikel 13b van de Opiumwet op grond van de geconstateerde overtreding was gegeven, was verweerder volgens verzoeker in redelijkheid gehouden verzoeker eerst een waarschuwing te geven, alvorens tot een bevel tot sluiting te mogen geven. Verzoeker wijst erop dat in het stappenplan van het Centrum Criminialiteitspreventie en Veiligheid (hierna: CVV) burgemeesters bij de uitoefening van hun bevoegdheid ingevolge artikel 13b van de Opiumwet wordt geadviseerd bij een eerste overtreding een waarschuwing te geven alvorens te bevelen tot sluiting. Volgens verzoeker is dit om die reden ook een gebruikelijke gemeentelijke praktijk. Verweerder heeft om die reden ten onrechte nagelaten te motiveren waarom in het geval van [naam] een sluitingsbevel zonder voorafgaande waarschuwing was aangewezen.

Voor zover verweerder al mocht bevelen tot sluiting zonder voorafgaande waarschuwing, was volgens verzoeker ten tijde van het besluit tot sluiting redelijkerwijs geen belang meer gediend dat met de in artikel 13b van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid wordt beoogd te beschermen. Er zijn ruim 6 maanden gelegen tussen de constatering van de overtreding en het besluit tot sluiting, terwijl in dat tijdvak geen nieuwe overtredingen zijn geconstateerd. Verzoeker wijst er voorts op dat het om één enkele overtreding gaat die slechts ziet op het in bezit hebben van geringe handelshoeveelheden cocaïne, XTC en GHB waarover verzoeker gemotiveerd heeft aangevoerd dat dit bezit hem niet kan worden verweten. Verzoeker is van opvatting dat gelet op die omstandigheden de openbare orde ten tijde van het besluit tot sluiting feitelijk al was hersteld. Daartegenover stond verzoekers belang bij het open kunnen blijven van [naam]. Verzoeker en zijn gezin zijn geheel afhankelijk van de inkomsten uit "[naam]". Als gevolg van de sluiting zijn verzoeker en zijn gezin 6 maanden van inkomsten verstoken, zodat zij hun vaste lasten niet meer kunnen voldoen. Naar verwachting zal voortzetting van de exploitatie van "[naam]" niet meer mogelijk zal zijn, omdat verzoeker na afloop van de sluiting failliet zal zijn. Verweerder had bij afweging van de betrokken belangen daarom het belang van verzoeker doorslaggevend moeten achten en van sluiting moeten afzien.

Voor zover al met de sluiting een belang werd gediend dat met de in artikel 13b van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid wordt beoogd te beschermen, is volgens verzoeker de door verweerder bepaalde sluitingsduur in dit geval onredelijk lang. Voor horecagelegenheden beveelt verweerder op grond van daarvoor vastgestelde beleidsregels in geval van een overtreding als die van verzoeker in beginsel een sluiting van 3 maanden. Verzoeker betwist dat sprake is van een vaste gedragslijn van verweerder om voor niet-horecaelegenheden in geval van een overtreding als die van verzoeker een sluiting van 6 maanden te bevelen. Voor zover er al sprake is van een vaste gedragslijn, had verweerder die volgens verzoeker buiten toepassing moeten laten en aansluiting moeten zoeken bij zijn beleidsregels voor horecagelegenheden. Verzoeker wijst er verder op dat blijkens het ambtelijk tegenadvies verweerder vanwege het tijdsverloop tussen constatering en sluitingsbevel in de nemen beslissing op verzoekers bezwaar nader had moeten motiveren dat een sluiting van 6 maanden conform zijn vaste gedragslijn was aangewezen, hetgeen verweerder in het bestreden besluit heeft nagelaten. Verzoeker betoogt dat reeds daarom het bestreden besluit op dit punt niet in stand kan blijven.

2.4. Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.4.1. De voorzieningenrechter acht een spoedeisend belang bij het verzoek om voorlopige voorziening gegeven, zodat een beoordeling van de daaraan ten grondslag liggende gronden is gerechtvaardigd.

2.4.2. Vast staat dat het bevel tot sluiting op 24 februari 2011 onbevoegd aan verzoeker werd gegeven en dat dit gebrek door verzoekers bezwaar aan het licht is gekomen. Verweerder heeft dit gebrek hangende bezwaar hersteld door het besluit van 24 februari 2011 te bekrachtigen. Daarmee is dit gebrek naar het oordeel van de voorzieningenrechter afdoende hersteld.

De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in beroep geen stand zal kunnen houden reeds omdat verweerder de door verzoeker gevraagde vergoeding van proceskosten in bezwaar vanwege de bekrachtiging van het besluit van 24 februari 2011 heeft afgewezen. Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb bepaalt dat slechts dan aanleiding bestaat voor vergoeding van in bezwaar gemaakte proceskosten indien het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het bestuursorgaan dient volgens artikel 7:11, tweede lid, van de Awb het primaire besluit te herroepen, als de in bezwaar gebleken gebreken in het primaire besluit zodanig zijn dat dit primaire besluit na herstel van die gebreken niet langer als hetzelfde besluit kan worden gehandhaafd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat bekrachtiging van een onbevoegd genomen primair besluit niet maakt dat niet langer sprake is van hetzelfde primaire besluit. Verweerder mocht dan ook het bevoegdheidsgebrek in het besluit van 24 februari 2011 herstellen zonder dat besluit te herroepen. Verweerder mocht daarom de door verzoeker gevraagde vergoeding van proceskosten in bezwaar vanwege de bekrachtiging van het besluit van 24 februari 2011 afwijzen.

2.4.3. Verzoeker exploiteert als eenmanszaak een winkel in erotica, een zogenoemd seksshop, onder de naam "[naam]". Uit de bestuurlijke rapportage horeca van de politie Zuid-Holland Zuid (hierna: de politie) van 25 oktober 2010 is aan het vermoeden van handel in middelen genoemd op de lijsten I en II door verzoeker via [naam] het volgende ten grondslag gelegd.

In april 2010 zijn een man en vrouw door de politie laveloos aangetroffen in een park. De man heeft tegenover de politie verklaard GHB te hebben gebruikt. De man heeft verklaard de dan door hem gebruikte GHB te hebben gekocht van een vrouw bereikbaar via een door hem aan de politie verstrekt telefoonnummer. Tevens heeft de man verklaard ook wel GHB te kopen via een seksshop op een locatie om en nabij de plaats waar verzoekers winkel zich bevindt. In de mobiele telefoon van de man blijken zowel het door hem verstrekte telefoonnummer van de vrouw als het telefoonnummer van [naam] zich te bevinden. De politie heeft de man vervolgens laten bellen met [naam]. De vrouw van wie de man de GHB in april 2010 had gekocht, heeft de telefoon bij [naam] opgenomen. Nader onderzoek van de politie heeft uitgewezen dat de vrouw van wie de man de GHB in april 2010 kocht, af en toe werkt bij [naam]. De politie heeft op basis van deze informatie besloten tot een inval in [naam] op 11 augustus 2010. Bij die inval heeft de politie, voor zover hier van belang, een ongeopend pakket met de naam van verzoeker erop aangetroffen in de winkel. Na opening van dit pakket op last van de rechter-commissaris heeft de politie daarin een fles met een kwart liter GHB aangetroffen en een tiental XTC-pillen. Voorts heeft de politie bij de inval, voor zover hier van belang, 5 gram cocaïne aangetroffen, verborgen achter voorwerpen op een plank in een kantoorruimte van de winkel. De gevonden middelen hebben volgens de politie een seksueel stimuleren werking, hetgeen volgens de politie maakt dat verkoop van deze drugs via seksshops niet ongebruikelijk is en de verkoop daarvan via [naam] verklaart.

De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder in de gegeven omstandigheden de bevoegdheid miste sluiting van [naam] te bevelen dan wel het gebruik van die bevoegdheid door verweerder moet worden beschouwd als misbruik van die bevoegdheid. De in [naam] aangetroffen hoeveelheden GHB, XTC en cocaïne moeten, uitgaande van hetgeen het Openbaar Ministerie voor deze drugs hanteert als voorraad voor eigen gebruik, worden aangemerkt als handelshoeveelheden. Reeds de aanwezigheid van handelshoeveelheden GHB, XTC en cocaïne in een seksshop als [naam] rechtvaardigde het vermoeden dat die hoeveelheden daar aanwezig waren om deze via [naam] te verkopen en/of te verstrekken. Daarmee was verweerders bevoegdheid ingevolge artikel 13b van de Opiumwet tot sluiting van [naam] gegeven. Dat de gevonden middelen via [naam] daadwerkelijk werden verhandeld, is in dit geval des te aannemelijker, nu is verklaard tegenover de politie dat GHB via [naam] werd verkregen en verder de politie, gelet op de werking van deze drugs, heeft verklaard dat de verkoop daarvan via seksshops niet ongebruikelijk is. Daarbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat in het bestuursrecht een gefundeerd vermoeden voldoende is om daarop een bestuurlijke maatregel tot herstel van de openbare orde te mogen baseren. In het bestuursrecht behoeft om van een gefundeerd vermoeden te kunnen spreken, door het bestuursorgaan niet wettig en overtuigend te worden aangetoond dat de betrokkene de desbetreffende middelen heeft verhandeld. Verzoekers betoog in zoverre faalt dan ook.

2.4.4. Het betoog van verzoeker dat verweerder in redelijkheid niet tot sluiting van [naam] had kunnen besluiten zonder voorafgaande waarschuwing, faalt. Noch in artikel 13b van de Opiumwet noch in hetgeen is bepaald in de Algemene wet bestuursrecht over het opleggen van een last onder bestuursdwang is te vinden dat het bestuursorgaan de betrokkene bij constatering van een eerste overtreding in beginsel moet waarschuwen en pas daarna tot het opleggen van een herstelmaatregel mag besluiten. Daarmee is geen grond voor het oordeel dat een gedragslijn die inhoudt om zonder voorgaande waarschuwing sluiting te bevelen, nadere motivering behoeft. De keuze om al dan niet het sluitingsbevel door een waarschuwing vooraf te doen gaan, staat ter vrije beoordeling van het bestuursorgaan. Vast staat dat verweerder als vaste gedragslijn hanteert om in geval van een eerste overtreding zonder voorafgaande waarschuwing direct tot sluiting over te gaan. Verzoekers betoog dat het CVV burgemeesters adviseert om wel eerst te waarschuwen en dat dit om die reden een gebruikelijke gemeentelijke praktijk is, wat daarvan ook zij, kan niet leiden tot het oordeel dat deze wijze van uitoefenen van verweerders bevoegdheid ingevolge artikel 13b van de Opiumwet kennelijk onredelijk is.

2.4.5. De financiële schade die voortvloeit uit de bevolen sluiting, moet in beginsel worden geacht te zijn verdisconteerd in de gedragslijn die de burgemeester hanteert bij de uitoefening van zijn bevoegdheid ingevolge artikel 13b van de Opiumwet en daarmee niet op te wegen tegen het algemeen belang dat met de sluiting wordt gediend. Van dusdanig bijzondere financiële gevolgen voor verzoeker van de sluiting dat verweerder deze in afwijking van dit beginsel zwaarder had moeten laten wegen dat het algemeen belang gediend met sluiting, is de voorzieningenrechter niet gebleken. Het betoog van verzoeker in zoverre treft dan ook geen doel.

2.4.6. Het betoog van verzoeker dat verweerder de duur van de bevolen sluiting van 6 maanden onvoldoende heeft gemotiveerd, slaagt. Tot dat oordeel komt de voorzieningenrechter op grond van de volgende overwegingen.

Bij het bepalen van de duur van de sluiting beschikt de burgemeester over een vrije beoordelingsruimte. Gelet op het doel van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, te weten de preventie en beheersing van de uit het drugsgebruik voortvloeiende risico's voor de volksgezondheid en het voorkomen van nadelige effecten van de handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden, mag de burgemeester bij de vaststelling van de sluitingsduur betrekken de noodzaak om de bekendheid van een inrichting als drugsadres teniet te doen, de rust in de directe omgeving te doen wederkeren of herhaling van ernstige verstoring van de openbare orde te voorkomen alsmede een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen. De sluitingsduur moet erop zijn gericht overtredingen van de Opiumwet zoals door de burgemeester geconstateerd op grond van artikel 13b, eerste lid, van die wet te beëindigen en te voorkomen. Een verdergaande sluitingsduur zou tot gevolg hebben dat de maatregel niet langer het karakter van herstelmaatregel heeft maar een leedtoevoegend karakter krijgt.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende komen vast te staan dat recentelijk met de komst van een nieuw gemeentebestuur verweerder een strenger handhavingsregime ten aanzien van overtredingen als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet heeft ingezet. Dit strengere handhavingsregime van verweerder heeft zijn neerslag gekregen in een vorig jaar ingezette gedragslijn om in geval van sluitingsbevoegdheid ingevolge artikel 13b van de Opiumwet vanwege een middel genoemd op lijst I, een sluiting van 6 maanden te bevelen. In weerwil van deze ingezette, strengere gedragslijn door verweerder, zijn de beleidsregels voor toepassing van verweerders sluitingsbevoegdheid ten aanzien van horecagelegenheden (niet zijnde coffeeshops) die tot stand zijn gekomen onder het vorige gemeentebestuur dat een minder streng handhavingsregime voorstond, gehandhaafd. Op grond van deze beleidsregels beveelt verweerder in geval van een gegeven sluitingsbevoegdheid ingevolge artikel 13b van de Opiumwet vanwege een middel genoemd op lijst I een sluiting van 3 maanden. Ter zitting heeft verweerder verklaard dit verschil in sluitingsduur bij dezelfde overtreding onwenselijk te achten aangezien naar zijn opvatting de inbreuk op de openbare orde door de overtreding als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet vanwege het type lokaal niet anders gewogen dient te worden. Dit is dan ook reden om deze beleidsregel op termijn aan te passen op de vaste gedragslijn die nu wordt gehanteerd voor niet-horecagelegenheden en coffeeshops, aldus verweerder ter zitting.

De voorzieningenrechter stelt op grond van het voorgaande vast dat verweerder van opvatting is dat bij een overtreding als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet een gelijke sluitingsduur is aangewezen voor zowel een horecagelegenheid als een niet-horecagelegenheid. Gelet daarop kan de voorzieningenrechter verweerder niet volgen in zijn betoog dat bij eenzelfde overtreding als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet in geval van een horecagelegenheid een sluiting van 3 maanden volgens het oude, minder strenge beleid redelijk moet worden geacht en in geval van een niet-horecagelegenheid een sluiting van 6 maanden volgens het nieuwe, strenge regime redelijk moet worden geacht. De enkele omstandigheid dat het vorige gemeentebestuur voor horecagelegenheden wel en voor niet-horecagelegenheden geen beleidsregels voor verweerders sluitingsbevoegdheid ingevolge artikel 13b van de Opiumwet heeft vastgesteld, kan daarvoor niet redengevend zijn, nu verweerder deze beleidsregels eenvoudig, al dan niet met toepassing van overgangsrecht, had kunnen intrekken. Zonder nadere onderbouwing acht de voorzieningenrechter de aan verzoeker opgelegde sluitingsduur van 6 maanden, gelet op de sluitingsduur die verweerder zou hebben bepaald indien verzoeker een horecagelegenheid had geëxploiteerd, volgens verweerders nieuwe gedragslijn voor niet-horecagelegenheden kennelijk onredelijk.

De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat tussen de constatering van de overtreding op 11 augustus 2010 en het besluit tot sluiting op 24 februari 2011 meer dan 6 maanden zijn gelegen. In die periode zijn geen nieuwe overtredingen door verzoeker bij de exploitatie van [naam] geconstateerd. Niet is gebleken van omstandigheden die maken dat dit tijdsverloop (mede) door toedoen van verzoeker is veroorzaakt.

In het bestreden besluit ontbreekt op dit punt, in weerwil van het ambtelijk tegenadvies, een nadere motivering, zodat het betoog van verzoeker dat in zoverre het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, doel treft. De ter zitting door verweerder alsnog gegeven motivering is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet toereikend.

Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat het tijdsverloop tussen constatering en besluit in dit geval niet zodanig is, dat de veronderstelling was gerechtvaardigd dat sluiting redelijkerwijs geen enkel effect meer kon sorteren en verweerder in redelijkheid van het opleggen van een maatregel had moeten afzien. De voorzieningenrechter acht echter met dit tijdsverloop bezien in samenhang met de hierboven genoemde feiten, anders dan verweerder, in beginsel een bijzondere omstandigheid gegeven die diende te leiden tot matiging van de sluitingduur, zodat verweerder het desondanks vasthouden aan zijn vaste gedragslijn diende te motiveren vanuit de hierboven geschetste belangen die door de burgemeester vanwege het doel van de in artikel 13b van de Opiumwet neergelegde sluitingsbevoegdheid bij de vaststelling van de sluitingsduur mogen worden betrokken. Het enkele standpunt dat geen sprake was van een bijzondere omstandigheid die verweerder aanleiding gaf tot afwijking, kan niet als een zodanige motivering dienen. De voorzieningenrechter ziet bevestiging voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 8 september 2010, LJN BN6187. Hierin eiste de Afdeling bij een tijdsverloop van 9 maanden tussen constatering en sluitingsbevel een zwaardere motivering onder afweging van voornoemde belangen voor het vasthouden aan de vaste gedragslijn van de burgemeester. De casus waarin volgens de Afdeling het tijdsverloop geen bijzondere omstandigheid vormde die de burgemeester aanleiding had moeten geven om de sluitingsduur volgens zijn vaste gedragslijn nader te bezien, betrof een minder groot tijdsverloop tussen constatering en sluitingsbevel dan hier aan de orde. Zie voor deze casus de uitspraken van de voorzitter van de Afdeling van 25 juni 2009, LJN BJ1109, en van de Afdeling van 23 maart 2011, LJN BP8750.

2.4.7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek na de zitting redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit van 12 mei 2011 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Nu is beslist in de hoofdzaak en daarmee de connexiteit van het verzoek om voorlopige voorziening met het aanhangig beroep is komen te vervallen, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb af.

Wel ziet de voorzieningenrechter in de omstandigheid dat de sluiting al ruim 3 maanden heeft geduurd en de beslissing op bezwaar wordt vernietigd wegens een motiveringsgebrek van de sluitingsduur, na afweging van de betrokken belangen aanleiding om met toepassing van in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb het primaire besluit (het samenstel van besluiten van 24 februari 2011, 10 maart 2011 en 14 maart 2011) bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen totdat verweerder opnieuw op verzoekers bezwaar heeft beslist. De voorzieningen-rechter ziet, eveneens na afweging van de betrokken belangen, daarbij aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen een voorlopig oordeel van de voorzitter van de Afdeling te verkrijgen over deze uitspraak en de schorsing van het primaire besluit bij wijze van voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal daarom bepalen dat het primaire besluit bij wijze van voorlopige voorziening wordt geschorst met ingang van 18 juli 2011.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:82, vierde lid, in samenhang met artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door verzoeker in beroep betaalde griffierecht te vergoeden (€ 152,-).

De voorzieningenrechter ziet in de uitkomst van het geding tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, in samenhang met artikel 8:74, vierde lid, van de Awb te bepalen dat verweerder het door verzoeker in het verzoek om voorlopige voorziening betaalde griffierecht eveneens vergoedt (€ 152,-).

De voorzieningenrechter ziet voorts in de uitkomst van het geding aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:84 in samenhang met artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening heeft gemaakt.

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn de kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1311,- (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,- en wegingsfactor 1). Van overige kosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 12 mei 2011;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb af;

- schorst met ingang van 18 juli 2011 het primaire besluit (het samenstel van besluiten van 24 februari 2011, 10 maart 2011 en 14 maart 2011) bij wijze van voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb totdat verweerder opnieuw op verzoekers bezwaar heeft beslist;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker de door hem betaalde griffierechten ten bedrage van € 304,- (tweemaal € 152,-) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1311,-, welke kosten verweerder aan verzoeker moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. A. Hello, voorzieningenrechter, en door deze en mr. M. Lammerse, griffier, ondertekend.