Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BQ9843

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
23-06-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
270255 CV EXPL 10-12663
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Concurrentiebeding. Belang van werkgeefster bij naleving concurrentiebeding kan ook worden ingevuld door concernbelang. Geen beperking van het recht op vrije arbeidskeuze (artikel 19 lid 3 Grondwet). Het concurrentiebeding is taalkundig niet helder geformuleerd maar de bedoeling is duidelijk. Vergelijking van de functie bij aanvang en einde dienstverband is op zichzelf genomen onvoldoende om vast te stellen dat er een ingrijpende functiewijziging heeft plaatsgevonden. Ook aan het zwaarder drukken-criterium is niet voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0544
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector kanton

Locatie Dordrecht

kenmerk: 270255 CV EXPL 10-12663

vonnis van de kantonrechter te Dordrecht van 23 juni 2011

in de zaak van:

[naam],

wonende te [woonplaats]

eiser,

gemachtigde: mr. M. Vissers,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Sarens Nederland B.V.,

kantoorhoudende te Dordrecht en statutair gevestigd te [adres],

gedaagde,

gemachtigde: mr. E.W. Spreij.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] en Sarens Nederland.

1. Verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

1. de dagvaarding van 30 november 2010;

2. de conclusie van antwoord;

3. de brief van 14 maart 2011 met producties;

4. de fax van 23 maart 2011 met producties;

5. de fax van 25 maart 2011 met een productie;

6. de door beide partijen overgelegde producties;

7. de aantekening van de griffier dat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 april 2011.

2. Omschrijving van het geschil

De feiten

Als gesteld door de ene partij en niet of onvoldoende weersproken door de andere partij, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1. De activiteiten van Sarens Nederland betreffen de verhuur en bediening van mobiele kranen en daarmee verband houdende montagewerkzaamheden, waaronder de bouw en montage van windturbines. De activiteiten in de windbranche worden sinds enkele jaren verricht vanuit Sarens Wind.

2.2. [eiser] is op 6 november 1996 in dienst getreden bij de rechtsvoorgangster van Sarens Nederland, Kraanbedrijf De Kil B.V. in de functie van aankomend binnendienst medewerker engineering.

2.3. In de arbeidsovereenkomst van [eiser] d.d. 21 oktober 1996 is in artikel 8 opgenomen:

“8a. Het is de werknemer niet toegestaan tijdens het dienstverband of tot 5 jaar erna, zonder schriftelijke goedkeuring van de werkgever, direct of indirect belang te hebben bij werken of aanbestedingen van/of leverancier of diensten die aan of door de werkgever wordt verricht.(..)

8.c. Het is de werknemer verboden belangen te hebben bij ondernemingen of zaken die werkzaam zijn op het terrein waar werkgever werkzaam is of dergelijke ondernemingen of zaken met raad en daad bij te staan.(..)

8.e. Het is de werknemer verboden, hetzij gedurende de dienstbetrekking, hetzij na beëindiging hiervan, op enigerlei wijze aan derden direct, of indirect, in welke vorm dan ook, mededeling te doen van of over bijzonderheden werkgeverszaken betreffende of zaken die daarmede verband houden.”

2.4. Sedert de oprichting van Sares Wind B.V. is [eiser] ingezet bij Sarens Wind B.V., laatstelijk in de functie van ‘Manager Wind’, tevens lid van het managementteam van Sarens Wind B.V.

2.5. Bij brief van 30 augustus 2009 heeft [eiser] zijn arbeidsovereenkomst met Sarens Nederland opgezegd. Hierbij heeft [eiser] bericht:

“Met deze brief wil ik u schriftelijk bevestigen dat ik mijn dienstverband bij Sarens Nederland BV wil beëindigen. Zoals inmiddels mondeling besproken zal mijn laatste werkdag voor Sarens Nederland BV 30 september 2009 zijn. Reden voor beëindiging van mijn dienstverband is een onoverkomelijk verschil van inzicht tussen ondergetekende en de huidige CEO van de Sarens Groep over hoe Sarens Wind BV in de toekomst zou moeten worden gemanaged, zoals aan mij mede gedeeld in een persoonblijk gesprek met de CEO op 11 augustus 2009.”

2.6. [eiser] is op 1 maart 2010 in dienst getreden van Ter Linden Craning B.V., hierna te noemen: Ter Linden. Deze vennootschap, die is opgericht op 30 november 2009, is een directe concurrent van Sarens Nederland. Ter Linden is gelieerd aan Ter Linden Transport B.V. Sarens Nederland en Ter Linden Transport B.V. hebben in het verleden veelvuldig met elkaar samengewerkt in de windbranche.

2.7. [eiser] is in zijn functie als lid van het managementteam van Sarens Wind betrokken geweest bij het opstellen c.q. uitbrengen van een bieding teneinde het project Valorem van REpower gegund te krijgen. Dit project betrof de bouw van 21 windturbines in Normandië, waarmee een omzet was gemoeid van € 1,6 miljoen. Na vertrek van [eiser] bij Sarens Nederland is dit project, ook voor wat betreft kraanwerkzaamheden, gegund aan Ter Linden Transport B.V.

2.8. Sarens Nederland en Ter Linden hebben beiden biedingen uitgebracht teneinde de projecten “Baudignecourt” en “Dampierre” (deze projecten betreffen eveneens de bouw van windturbineparken in Frankrijk) van REpower gegund te krijgen. Deze twee projecten zijn uiteindelijk gegund aan het Ierse bedrijf McNally.

3. De vordering

3.1. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I.

Primair:

voor recht te verklaren dat het non-concurrentiebeding dat is opgenomen in de arbeidsovereenkomst tussen partijen van 6 november 1996 is vervallen bij gebrek aan belang bij handhaving daarvan aan de zijde van Sarens Nederland en Sarens Nederland te veroordelen om binnen twee dagen na dit vonnis aan [eiser] te hebben vergoed € 2.000,- bruto per maand vanaf 20 oktober 2010 tot aan de dag van dit vonnis, althans een zodanig bedrag als de kantonrechter juist acht, vermeerderd met 8% vakantietoeslag en de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW vanaf 20 oktober 2010 tot de dag der algehele voldoening, althans te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2010, althans vanaf een datum die de kantonrechter juist acht, althans een zodanige maatregel te nemen die de kantonrechter juist acht.

Subsidiair:

Het non-concurrentiebeding dat is opgenomen in de arbeidsovereenkomst tussen partijen van 6 november 1996 geheel te vernietigen en Sarens Nederland B.V. te veroordelen om binnen twee dagen na dit vonnis aan [eiser] te hebben vergoed € 2.000,- bruto per maand vanaf 20 oktober 2010 tot aan de dag van dit vonnis, vermeerderd met 8% vakantietoeslag althans een zodanig bedrag als de kantonrechter juist acht, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW vanaf 20 oktober 2010 tot de dag der algehele voldoening, althans vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, althans vanaf een datum die de kantonrechter juist acht, althans een zodanige maatregel te nemen die de kantonrechter juist acht.

Meer subsidiair:

Het non-concurrentiebeding dat is opgenomen in de arbeidsovereenkomst tussen partijen van 6 november 1996 te matigen in tijd tot 1 jaar na datum einde dienstverband, i.e. 1 oktober 2009 tot 1 oktober 2010, althans een zodanige termijn als de kantonrechter juist acht, onder gelijktijdige toekenning aan [eiser] van een bedrag van € 2.000,- bruto per maand, indien de door de kantonrechter bepaalde matiging ertoe leidt dat eiser ook vanaf 20 oktober 2010 gehouden wordt aan het non-concurrentiebeding, althans een zodanig bedrag als de kantonrechter juist acht, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW vanaf 20 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, althans een zodanige datum die de kantonrechter juist acht, althans een zodanige maatregel te nemen die de kantonrechter juist acht.

II.

Sarens te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering -samengevat- het volgende ten grondslag.

Het non-concurrentiebeding is opgenomen in de eerste- tijdelijke – arbeidsovereenkomst voor de duur van 12 maanden. Daarna is deze arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het was niet de bedoeling dat dit concurrentiebeding in het contract voor onbepaalde tijd de rechtsverhouding van partijen zou gaan beheersen. Het concurrentiebeding had, om na ommekomst van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gelding te hebben, opnieuw schriftelijk overeengekomen moeten worden. De heer [naam], leidinggevende van [eiser], heeft na de opzegging van [eiser] op 9 september 2009 gezegd dat hij [eiser] niet aan het concurrentiebeding kon houden omdat het te oud was. [leidinggevende] heeft niet gezegd: “Wij zullen je niet aan het concurrentiebeding houden”. Sarens Nederland heeft geen belang (artikel 3:303 BW) bij handhaving van het non-concurrentiebeding nu er geen activiteiten worden verricht vanuit Sarens Wind en ook niet vanuit Sarens Nederland. Sarens Nederland kan geen nakoming vorderen van een verbintenis waarbij zij geen partij was. Daarom behoort Sarens Nederland niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het concurrentiebeding moet worden vernietigd omdat Sarens Nederland aan [eiser] een dringende reden voor opzegging heeft gegeven en daarom schadeplichtig is. De dringende reden bestaat erin dat [eiser] ongeoorloofd onder druk is gezet door de directie met een onwettig tot stand gekomen reorganisatie. Verder heeft Sarens Nederland gewacht met het aanspannen van een kort geding totdat de termijn ex art 7:683 BW voor een geslaagd beroep op schadevergoeding ex artikel 7:653 lid 3 BW was verlopen. De inhoud van het concurrentiebeding is onduidelijk, dit dient voor rekening van de werkgever te komen en kan [eiser] niet aan het concurrentiebeding worden gehouden. Het concurrentiebeding is zwaarder gaan drukken zodat het geheel moet vervallen. De functiewijzigingen waren ingrijpend van aard en niet-voorzienbaar bij het aangaan van het concurrentiebeding. Een belangenafweging dient in voordeel van [eiser] te worden beslecht nu [eiser] onbillijk wordt benadeeld. Hij is zijn baan bij Ter Linden Craning B.V. verloren en ondervindt zeer ernstig nadeel van het beding bij het zoeken naar een passende werkkring. Dit druist in tegen artikel 19 lid 3 Grondwet, het recht op vrije arbeidskeuze. Sarens Nederland heeft bij [eiser] het vertrouwen gewekt dat hij niet meer aan het concurrentiebeding zou worden gehouden. Subsidiair dient het concurrentiebeding te worden gematigd tot de duur van één jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst onder gelijktijdige toekenning van een vergoeding aan [eiser]. Ten aanzien van de vergoeding stelt [eiser] dat hij in belangrijke mate wordt belemmerd om anders dan in dienst van Sarens Nederland werkzaam te zijn.

3.3. Het verweer van Sarens Nederland strekt tot afwijzing van de vordering.

Door voortzetting van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zijn alle voorwaarden van de schriftelijke arbeidsovereenkomst blijven gelden. De voorwaarden van de arbeidsovereenkomst zijn niet gewijzigd. [leidinggevende] heeft geen toezegging gedaan dat hij [eiser] niet aan het concurrentiebeding zou houden. Of Sarens Nederland [eiser] zou houden aan het concurrentiebeding is onderwerp van overleg geweest tussen Sarens Nederland, Ter Linden en [eiser]. Uit dit overleg volgde uiteindelijk dat Sarens Nederland [eiser] zou houden aan het concurrentiebeding. Sarens Nederland heeft groot (concern)belang bij handhaving van het concurrentiebeding. Er worden door Sarens Nederland en Sarens Wind B.V. nog steeds activiteiten verricht. Er was geen dringende reden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst door [eiser]. Het beroep op de CAO Beroepsgoederenvervoer is pas in de procedure aangevoerd. Er is geen sprake van overtreding van CAO-bepalingen. Sarens Nederland heeft [eiser] kort nadat zij ermee bekend was geworden dat [eiser] het concurrentiebeding overtrad, schriftelijk gesommeerd zijn werkzaamheden te staken. Zij heeft niet gewacht. Hoewel het concurrentiebeding taalkundig helderder geformuleerd had kunnen worden is het zelfs in de meest restrictieve uitleg duidelijk dat partijen een vorm van non-concurrentie zijn overeengekomen. Er heeft geen ingrijpende functiewijziging plaatsgevonden waardoor het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken. Ook een belangenafweging kan niet leiden tot vernietiging of matiging van het concurrentiebeding. Er is geen sprake van strijd met artikel 19 lid 3 Grondwet nu dit artikel geen horizontale werking heeft. [eiser] heeft zelf opgezegd. Het had op de weg van [eiser] gelegen om zelf voorafgaand aan zijn opzegging in overleg te treden met Sarens Nederland. Door dit na te laten heeft [eiser] zelf het risico genomen dat hij zou worden gehouden aan het concurrentiebeding. Op grond van 7:653 lid 4 BW komt aan [eiser] geen vergoeding toe nu hij zelf heeft gekozen voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst zonder noodzaak. Betwist wordt dat [eiser] niet elders aan de slag zou kunnen tegen een vergelijkbaar of zelfs hoger salaris. Niet duidelijk is waarom dit tot op heden nog niet is gelukt. Er is geen ruimte voor een vergoeding op basis van artikel 6:162 of 6:248 BW, noch is er aanleiding tot matiging.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Indien een tijdelijke arbeidsovereenkomst zonder tegenspraak onder dezelfde voorwaarden wordt voortgezet behoudt het bij de eerste overeenkomst schriftelijk overeengekomen concurrentiebeding in beginsel zijn geldigheid. Daarvoor is niet nodig dat het concurrentiebeding opnieuw schriftelijk wordt overeengekomen voor de voortzetting. De stelling van [eiser] dat het niet de bedoeling was dat dit concurrentiebeding de rechtsverhouding van partijen in het contract voor onbepaalde tijd zou gaan beheersen is, gelet op de gemotiveerde betwisting door Sarens Nederland, onvoldoende onderbouwd en wordt gepasseerd.

4.2. Weliswaar is de tekst van het concurrentiebeding taalkundig niet volledig helder, de bedoeling is dat wel, namelijk het voorkomen dat [eiser] bij een concurrent gaat werken, gebruik makend van de kennis en kunde opgedaan bij Sarens Nederland. Vaststaat dat Sarens Nederland, als onderdeel van het Sarens-concern, zich beweegt in een beperkt marktsegment, namelijk de markt van windturbines. Dat Sarens Nederland in een dergelijk marktsegment door middel van een concurrentiebeding beoogt te vermijden dat voormalige werknemers met de bij Sarens opgedane kennis omtrent de bedrijfsactiviteiten van Sarens in dienst treden bij een concurrent, is niet onbegrijpelijk. Op grond van het voorgaande faalt de stelling van [eiser] dat het beding onduidelijk is en daarom ten nadele van de werkgever dient te worden uitgelegd c.q. terzijde dient te worden gesteld. Ook het beroep op artikel 19 lid 3 van de Grondwet wordt gepasseerd. De wetgever heeft door de regeling van het concurrentiebeding (in artikel 7:653 BW) in de wet op te nemen bewust gepoogd de spanning weg te nemen tussen het grondrecht op vrijheid van arbeidskeuze enerzijds en de rechtmatige bescherming van de bedrijfsbelangen van de werkgever anderzijds. [eiser] kent in zijn betoog een verdergaande horizontale werking aan de door hem genoemde bepaling toe dan dat daaraan toekomt (zie HR 1 juli 1997, NJ 1997, 685, LJN: ZC2410).

4.3. Sarens Nederland heeft zich bereid getoond de duur van het concurrentiebeding te beperken tot 1 oktober 2011 en de werking van het concurrentiebeding te beperken tot het verrichten van werkzaamheden ten aanzien van de windbranche op het land. Deze beperkte uitleg van het concurrentiebeding wordt in deze procedure bij de beoordeling tot uitgangspunt genomen.

4.4. [eiser] stelt dat Sarens Nederland geen beroep meer kan doen op het concurrentiebeding omdat het vervallen was. Ter onderbouwing heeft [eiser] aangevoerd dat [leidinggevende] na de opzegging van [eiser] op 9 september 2009 heeft gezegd dat hij [eiser] niet aan het concurrentiebeding kon houden omdat het te oud was. Dit is door [leidinggevende] ter zitting gemotiveerd betwist. Partijen zijn het er wel over eens dat [leidinggevende] niet heeft gezegd: “Wij zullen je niet aan het concurrentiebeding houden”. Uit het voorgaande vloeit voort dat toen [eiser] zijn arbeidovereenkomst bij brief van 30 augustus 2009 heeft opgezegd, hij geen reden had om aan te nemen dat Sarens Nederland hem niet aan het concurrentiebeding zou houden. [eiser] en [leidinggevende] hebben hierover pas op 9 september 2009 voor het eerst gesproken, zodat [eiser] dit ook niet bij zijn beslissing over opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft kunnen betrekken. [eiser] behoorde er op het moment van opzegging vanuit te gaan dat hij gebonden was aan het concurrentiebeding. Echter ook na de opzegging, op 9 september 2009, had [eiser] op grond van het vorenstaande geen aanleiding om aan te nemen dat er aan hem een toezegging was gedaan dat hij niet aan zijn concurrentiebeding zou worden gehouden. Dit volgt immers ook niet uit hetgeen [leidinggevende] volgens [eiser] gezegd heeft, als dat al zou komen vast te staan. Aan bewijslevering wordt om die reden niet toegekomen. Partijen zijn het er immers over eens dat [leidinggevende] niet heeft toegezegd dat Sarens Nederland [eiser] niet aan het concurrentiebeding zou houden. Bovendien zijn partijen na 9 september 2009 in overleg getreden met concurrent Ter Linden over de mogelijkheid van indiensttreding van [eiser] en zijn collega [eiser] bij Ter Linden, zoals blijkt uit de onbestreden gebleven e-mail, overgelegd als productie 18 bij conclusie van antwoord. Na een bespreking op 14 oktober 2009 was het resultaat dat Sarens Nederland [eiser] aan het concurrentiebeding zou houden. Een dergelijk overleg was niet nodig geweest als er een toezegging zou zijn gedaan dat [eiser] niet aan zijn concurrentiebeding zou worden gehouden. Uit het voorgaande volgt dat Sarens niets heeft ondernomen op grond waarvan [eiser] mocht aannemen dat hij ontslagen zou zijn uit zijn verplichtingen krachtens het concurrentiebeding.

4.5. [eiser] stelt dat Sarens Nederland geen belang heeft bij naleving van het concurrentiebeding. Alle werkzaamheden in de windbranche zijn door Sarens Wind B.V. en Sarens Nederland per 1 januari 2010 overgedragen aan Sarens N.V. te België. Sarens Nederland heeft dit gemotiveerd betwist. Zij stelt dat na de herstructurering in 2009 de business unit Sarens Wind operationeel wordt aangestuurd door Sarens N.V. (de moedervennootschap). De business unit Sarens Wind is derhalve nog altijd actief. Contracten worden gesloten op naam van Sarens N.V. en/of Sarens Wind. Er is bij Sarens Wind B.V. nooit personeel in dienst geweest. Personeel werd aangenomen door Sarens Nederland. In het zakelijk verkeer trad en treedt, afhankelijk van de situatie, de ene of een andere vennootschap uit het Sarens concern op. Sarens Nederland en het Sarens-concern houden derhalve belang bij handhaving dit concurrentiebeding.

Vooropgesteld wordt dat de rechter terughoudend dient te zijn met het afwijzen van een vordering op de grond dat er niet voldoende belang zou zijn (HR 17 september 1993, NJ 194, 118). Vast staat dat [eiser] in dienst was bij Sarens Nederland en tijdens dit dienstverband werkzaamheden verrichtte voor Sarens Wind B.V., een andere vennootschap behorend tot het Sarens-concern. Dat Sarens Nederland geen eigen belang heeft bij nakoming van het concurrentiebeding is niet juist nu de belangen van Sarens Nederland onlosmakelijk zijn verbonden met het Sarens-concern en de invulling van de belangen van Sarens Nederland daardoor (mede) wordt bepaald. De stelling dat Sarens Wind B.V. een lege vennootschap is wordt gepasseerd. Sarens Nederland heeft de jaarstukken van Sarens Wind B.V. over 2010 in het geding gebracht (productie 16 bij conclusie van antwoord). In deze jaarstukken is op blz. 6 vermeld: “Per 31 december 2009 zijn de activiteiten van Sarens Wind B.V. overgedragen aan de lokale entiteiten zoals Sarens Nederland B.V. en Sarens N.V” . Uit deze jaarstukken blijkt dat Sarens Wind B.V. anno 2010 geen lege vennootschap is. De slotsom is dat Sarens Nederland, als deel van het Sarens-concern en de vennootschap waaraan (een deel van) de activiteiten van Sarens Wind B.V. zijn overgedragen, belang houdt bij nakoming van het concurrentiebeding.

4.6. Voorts heeft [eiser] gesteld dat Sarens Nederland geen nakoming kan vorderen van een beding waarbij zij een partij is en dat Sarens Nederland daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Deze stelling is onbegrijpelijk nu Sarens Nederland een arbeidsovereenkomst met [eiser] heeft gesloten waarin het concurrentiebeding was opgenomen en Sarens Nederland in deze procedure geen vordering aanhangig heeft gemaakt zodat voor niet-ontvankelijkverklaring geen ruimte is.

4.7. [eiser] stelt bij dagvaarding dat Sarens Nederland hem een dringende reden heeft gegeven voor opzegging van de arbeidsovereenkomst omdat zij voornemens was een reorganisatie door te voeren die in strijd zou zijn met diverse bepalingen uit de CAO Beroepsgoederenvervoer en de WOR. Uit de opzeggingsbrief van [eiser] van 28 augustus 2009 (zie 2.4.) blijkt niet dat [eiser] dit ten grondslag heeft gelegd aan zijn opzegging. Er is derhalve geen sprake van een dringende reden, omdat daarvan ook in geval een werknemer op die grond ontslag neemt, onverwijld mededeling dient te worden gedaan. De stelling van [eiser] dat Sarens Nederland onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] door in het kader van de (voorgenomen) reorganisatie in strijd te handelen met de CAO en de WOR is, gelet op de gemotiveerde betwistign door Sarens Nederland, onvoldoende onderbouwd en wordt om die reden gepasseerd. Sarens Nederland is derhalve niet schadeplichtig en kan aan het concurrentiebeding rechten ontlenen.

4.8. [eiser] stelt dat Sarens Nederland onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst 7 maanden te wachten met het starten van een kort geding nu een rechtsvordering krachtens artikel 7:683 BW verjaart na verloop van zes maanden. De eerste aanmaning van Sarens Nederland was al op 28 oktober 2009 aan [eiser] gezonden en [eiser] werd pas eind mei 2010 in kort geding gedagvaard. Deze stelling komt er op neer dat [eiser] Sarens Nederland verwijt dat zij hem niet eerder in rechte heeft betrokken. Niet valt in te zien waarom dit onrechtmatig zou zijn, zodat deze stelling wegens gebrek aan onderbouwing wordt gepasseerd. Daarenboven was [eiser] na het stuklopen van het overleg tussen hem, Sarens Nederland en Ter Linden reeds duidelijk dat Sarens Nederland [eiser] aan het concurrentiebeding wilde houden en lag het op zijn weg actie te ondernemen tot behoud van rechten.

4.9. Vervolgens komt de stelling aan de orde dat het concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk is vervallen omdat door ingrijpende functiewijzigingen het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken. Het gaat [eiser], blijkens zijn stellingen, om de invloed van de functiewijzigingen op zijn mogelijkheden om na beëindiging van de arbeidsovereenkomst elders aan de slag te gaan.

De enkele omstandigheid dat zich een ingrijpende wijziging van de arbeidsverhouding heeft voorgedaan, is in het algemeen onvoldoende voor het aannemen van een causaal verband met het zwaarder gaan drukken van het beding. Sarens Nederland heeft gesteld dat [eiser] bij De Kil, de rechtsvoorganger van Sarens Nederland, in dienst is getreden omdat hij wilde doorgroeien naar de functie uitvoerder hijswerken en hij daarvoor bij De Kil mogelijkheden zag, dat sprake is geweest van een geleidelijk carrièreverloop over de periode van 1996 tot 2008 (van medewerker binnendienst tot manager Sarens Wind) en dat er geen functies zijn overgeslagen en er geen onverwachte “carrieremoves” zijn geweest. Dit heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd weersproken. Op grond hiervan kan weliswaar worden geconcludeerd dat de functie van [eiser] bij indiensttreding aanzienlijk verschilt van zijn functie bij uitdiensttreding, doch dit carrièreverloop (met bijbehorende salariëring) werd door [eiser] bij indiensttreding beoogd en was voorzienbaar. Derhalve is geen sprake van een ingrijpende functiewijziging. Ook is de arbeidsmarktpositie van [eiser] door dit carrièreverloop niet in belangrijke mate verslechterd. Sarens Nederland heeft onbetwist gesteld dat [eiser] op diverse andere terreinen kennis en kunde heeft opgedaan (leidinggeven en ervaring in diverse functies in de hijsbranche ook buiten de windbranche). Uitgaande van de beperkte uitleg van het concurrentiebeding als omschreven sub 4.3 is er geen belemmering deze kennis en kunde aan te wenden op de arbeidsmarkt zolang dat niet in de windbranche gebeurt. Van een verslechterde arbeidsmarktpositie is derhalve geen sprake. Daarbij komt dat Sarens Nederland een aantal vacatures heeft overgelegd waarvan zij onweersproken heeft gesteld dat [eiser] op deze functies kon solliciteren en deze functies gelijkwaardig zijn aan de functie die [eiser] bij Sarens Nederland vervulde. Op grond hiervan moet de stelling van [eiser] dat hij ernstig nadeel ondervindt bij het zoeken naar een andere werkkring, worden gepasseerd.

4.10. Tenslotte dient op grond van een belangenafweging te worden beoordeeld of het concurrentiebeding moet worden vernietigd op de grond dat, in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld. [eiser] heeft voorafgaand aan zijn opzegging van de arbeidsovereenkomst geen overleg gepleegd met Sarens Nederland over het concurrentiebeding. Daardoor heeft hij zelf het risico genomen dat hij aan het concurrentiebeding zou worden gehouden. Bij de belangenafweging wordt uitgegaan van de beperkte uitleg van het concurrentiebeding als hierboven vermeld sub 4.3., de door Sarens Nederland gestelde belangen ten aanzien van de kleine windbranche en de belangen van [eiser]. Mede gelet op de door Sarens Nederland in het geding gebrachte vacatures die door [eiser] zouden kunnen worden vervuld (hetgeen door [eiser] niet is betwist) valt derhalve ook bij een belangenafweging niet in te zien dat [eiser] niet gehouden kan worden aan het verbod om gedurende twee jaar na beeindiging van zijn arbeidsovereenkomst, namelijk tot 1 oktober 2011, in de windbranche actief te zijn. Van een onbillijke benadeling is geen sprake.

4.11. Subsidiair heeft [eiser] een beroep op matiging gedaan. In dit verband heeft [eiser] aangevoerd dat daarbij in het bijzonder moet worden gelet op de lengte van het diensverband, zijn kansen op de arbeidsmarkt, de wijze waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, het niet aanbieden van een vergoeding door Sarens Nederland en de wijze waarop het concurrentiebeding tot stand is gekomen. De lengte van het dienstverband op zichzelf genomen en in samenhang met de overige reeds besproken omstandigheden maken de belangenafweging als vermeld sub 4.10 niet anders.

4.12. [eiser] heeft een vergoeding gevorderd ex artikel 7: 653 BW. Slechts in het geval een concurrentiebeding de werknemer in belangrijke mate belemmert om anders dan in dienst van de werkgever werkzaam te zijn, kan de rechter bepalen dat de werkgever voor de duur van de beperking aan de werknemer een vergoeding moet betalen, welke vergoeding met het oog op de omstandigheden van het geval naar billijkheid wordt vastgesteld. Dat sprake is van een concurrentiebeding dat [eiser] in belangrijke mate belemmert om anders dan in dienst van Sarens Nederland werkzaam te zijn is niet gebleken, althans onvoldoende gesteld en onderbouwd. Niet gereageerd is op de overgelegde vacatures waarop [eiser] had kunnen solliciteren om anders dan in de windbranche werkzaam te zijn. Doch ruimte voor een vergoeding ontbreekt indien de werknemer wegens de wijze waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, schadeplichtig is. Nu [eiser] zelf ontslag heeft genomen wordt derhalve aan een vergoeding niet toegekomen.

4.13. Uit het vorenstaande volgt dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

4.14. Nu [eiser] in het ongelijk wordt gesteld, zal hij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Sarens Nederland begroot op € 1.200,- (2 punten à € 600,-).

5. Beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van het geding, aan de zijde van Sarens Nederland begroot op € 1.200,--;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Gaertman, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.