Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BQ9617

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
11/407
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

1. Bezwaarschriften tegen een verleende bouwvergunning door meerdere partijen. Het bezwaar van één van de partijen is niet-ontvankelijk. In de heroverweging naar aanleiding van de wel ontvankelijke bezwaren concludeert het college van B&W dat ontheffing met toepassing van artikel 3.23 van de Wro voor de verleende bouwvergunning benodigd is. Het college van B&W bereidt deze ontheffing voor met de openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. De in bezwaar niet-ontvankelijke partij dient tegen het ontwerp-besluit tijdig een zienswijze in. Tegen de verlening van de bouwvergunning met ontheffing stelt de in bezwaar niet-ontvankelijke partij tijdig beroep in.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de na heroverweging naar aanleiding van de ontvankelijke bezwaren verleende bouwvergunning met ontheffing voor de in bezwaar niet-ontvankelijke partij moet worden aangemerkt als een primair besluit waartegen voor deze partij beroep open stond omdat dit besluit is voorbereid met afdeling 3.4 van de Awb. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, nu het college van B&W op basis van de volgens afdeling 3.4 van de Awb te volgen procedure gehouden was belanghebbenden in de gelegenheid te stellen tegen dat ontwerp-besluit hun zienswijzen in te dienen, de in bezwaar niet-ontvankelijke partij tegen dit ontwerp-besluit mocht opkomen zonder dat die partij op grond van artikel 6:13 van de Awb een verwijt kon worden gemaakt tegen de eerder verleende bouwvergunning niet te zijn opgekomen. Het beroep van de in bezwaar niet-ontvankelijke partij tegen het (voor deze partij) primaire besluit tot het verlenen van bouwvergunning met ontheffing is dan ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontvankelijk.

2. Verzoek om voorlopige voorziening ingediend binnen de beroepstermijn in samenhang met een beroep tegen een aanlegvergunning ingevolge artikel 3.16 van de Wro en een bouwvergunning met ontheffing ingevolge artikel 3.23 van de Wro.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het kennelijke betoog van het college van B&W ter zitting dat de voorzieningenrechter niet kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de bestreden besluiten wegens het ontbreken van spoedeisend belang aan de zijde van verzoekers omdat de aanlegsteiger inmiddels is gerealiseerd, faalt. In afwijking van de algemene systematiek voor de inwerkingtreding van besluiten als neergelegd in de Awb, treden de verleende ontheffing en de verleende aanlegvergunning pas in werking met ingang van de zevende week na de dag waarop zij zijn bekendgemaakt. Bovendien wordt de inwerkingtreding van die besluiten verder opgeschort indien binnen de bezwaar- of beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingediend, dus onafhankelijk van de vraag of sprake is van een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. Die schorsing wordt verder ingevolge artikel 8:4 van de Wro niet eerder opgeheven dan met een uitspraak van de voorzieningenrechter. Volgens de systematiek van de Wro kan een bestreden besluit dus eerst in werking treden na een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid ervan door de voorzieningenrechter. Deze door de wetgever beoogde, van de algemene systematiek van de Awb afwijkende regeling brengt met zich, dat het ontbreken van spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81van de Awb niet in de weg kan staan aan een inhoudelijke beoordeling van de bestreden besluiten door de voorzieningenrechter.

3. Ontheffing met toepassing van artikel 3.23 van de Wro in samenhang met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bro verleend voor een ponton van 158 m2 met een loopbrug van 24 m2, die in onderlinge samenhang fungeren als aanlegsteiger. Niet in geschil is dat de aanlegsteiger in zijn geheel moet worden aangemerkt als één bouwwerk (geen gebouw zijnde).

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het kennelijke betoog van verzoekers dat ingevolge artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bro geen vrjjstelling kan worden verleend voor een gedeelte van een bouwwerk, geen doel treft. De voorzieningenrechter acht die uitleg te beperkt in het licht van de strekking van de regeling voor buitenplanse vrijstellingen in hoofdstuk 4 van de Wro, bezien in samenhang met hetgeen overigens in artikel 4.1.1, eerste lid, van het Bro is geregeld. Nu alleen de loopbrug, en wel uitsluitend voor zover deze op de oever wordt gerealiseerd, in strijd is met de voor de oever geldende bestemmingen “Groenvoorzieningen” en “Waterstaatsdoeleinden” en dit strijdige oppervlak minder dan 50 m2 beslaat, was het college van B&W bevoegd de bestreden vrijstelling te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummers:

- verzoek om voorlopige voorziening AWB 11/407 hangende het beroep AWB 11/406

- verzoek om voorlopige voorziening AWB 11/505 hangende het beroep AWB 11/504

- verzoek om voorlopige voorziening AWB 11/572 hangende het beroep AWB 11/571

- verzoek om voorlopige voorziening AWB 11/613 hangende het beroep AWB 11/573

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

1. [verzoeker sub 1], wonende te [woonplaats],

verzoeker sub 1,

gemachtigde: mr. F.K.H. van Oostveen, juridisch adviseur bij werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand te Tilburg,

2. [verzoeker sub 2], zetelend te [plaatsnaam], verzoekster sub 2,

gemachtigde: mr. S. Essakkili, juridisch adviseur bij DAS Rechtsbijstand te Zaandam,

3. [verzoeker sub 3], wonende te [woonplaats],

verzoeker sub 3,

gemachtigde: mr. S. Essakkili, juridisch adviseur bij DAS Rechtsbijstand te Zaandam,

4. [verzoeker sub 4], wonende te [woonplaats],

verzoeker sub 4,

gemachtigde: mr. K. de Wit, juridisch adviseur bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden,

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oud-Beijerland,

verweerder.

Derde partij:

gemeente Oud-Beijerland, vergunninghoudster.

1. Ontstaan en loop van de gedingen

Op 18 augustus 2010 heeft vergunninghoudster verweerder verzocht om een bouwvergunning voor de bouw van een aanlegsteiger in het Spui, kadastraal bekend gemeente Oud-Beijerland, sectie D, nummers 06232 en 06233. Bij besluit van 17 september 2010 heeft verweerder vergunninghoudster de gevraagde bouwvergunning verleend.

Op 13 september 2010 heeft vergunninghoudster verweerder verzocht om een aanlegvergunning voor diezelfde aanlegsteiger. Bij besluit van 20 oktober 2010 heeft verweerder vergunninghoudster de gevraagde aanlegvergunning verleend.

Tegen de verleende bouwvergunning en de verleende aanlegvergunning heeft verzoeker sub 1 bij brief van 10 november 2010, ingekomen op 12 november 2010, bezwaar gemaakt bij verweerder.

Tegen de verleende bouwvergunning heeft [naam 1], wonende te [woonplaats], namens verzoekster sub 2 bij ongedateerde brief, ingekomen op 29 oktober 2010, bezwaar gemaakt bij verweerder.

Tegen de verleende bouwvergunning en de verleende aanlegvergunning heeft verzoeker sub 3 bij brief van 27 oktober 2010, ingekomen op 29 oktober 2010, bezwaar gemaakt bij verweerder.

Tegen de verleende bouwvergunning en de verleende aanlegvergunning heeft verzoeker sub 4 bij brief van 4 november 2011, ingekomen op 10 november 2011, bezwaar gemaakt bij verweerder.

Op 4 januari 2011 heeft de adviescommissie bezwaarschriften verweerder geadviseerd de bezwaren tegen bouwvergunning en aanlegvergunning gegrond te verklaren.

Op 21 januari 2011 heeft verweerder zijn voornemen bekend gemaakt om aanlegvergunning te verlenen voor de bouw van een aanlegsteiger in het Spui, kadastraal bekend gemeente Oud-Beijerland, sectie D, nummers 06232 en 06233, en het ontwerp-besluit ter inzage gelegd.

Tegen dit ontwerp-besluit van 21 januari 2011 heeft verzoekster sub 2 bij brief van 18 maart 2011, ingekomen op diezelfde datum, een zienswijze ingediend.

Op 4 februari 2011 heeft verweerder zijn voornemen bekend gemaakt om ontheffing krachtens artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en bouwvergunning te verlenen voor diezelfde aanlegsteiger en het ontwerp-besluit ter inzage gelegd.

Tegen dit ontwerp-besluit van 4 februari 2011 heeft verzoekster sub 2 bij brief van 2 maart 2011, ingekomen op 4 maart 2011, een zienswijze ingediend. Verzoekers sub 1, sub 2, en sub 4 hebben daartegen eveneens een zienswijze ingediend.

Bij besluit van 30 maart 2011 heeft verweerder de bezwaren van verzoekers tegen de verleende bouwvergunning en de verleende aanlegvergunning gegrond verklaard, de bouwvergunning van 17 september 2010 en de aanlegvergunning van 20 oktober 2010 herroepen, en voor zijn beslissingen op de aanvragen verwezen naar zijn besluiten van 29 (lees: 30) maart 2011 om ontheffing krachtens artikel 3.23 van de Wro, bouwvergunning en aanlegvergunning te verlenen voor een aanlegsteiger in het Spui, onder afwijzing van de ingebrachte zienswijzen tegen de ontwerp-besluiten van 21 januari 2011 en 4 februari 2011 afgewezen.

Tegen het besluit van 30 maart 2011 tot het verlenen van ontheffing, bouwvergunning en aanlegvergunning heeft verzoeker sub 1 bij brief van 31 maart 2011 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht, geregistreerd onder procedurenummer AWB 11/406.

Bij brief van eveneens 31 maart 2011 heeft verzoeker sub 1 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht, geregistreerd onder procedurenummer AWB 11/407.

Tegen het besluit van 30 maart 2011 tot het verlenen van ontheffing en bouwvergunning heeft verzoekster sub 2 bij brief van 14 april 2011 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht, geregistreerd onder procedurenummer AWB 11/504.

Tegen het besluit van 30 maart 2011 tot het verlenen van aanlegvergunning heeft verzoekster sub 2 bij brief van 10 mei 2011 bezwaar gemaakt bij verweerder. Dit bezwaarschrift is door verweerder als beroepschrift aangemerkt en ter behandeling doorgezonden aan de rechtbank Dordrecht. De rechtbank heeft dit beroepschrift, als zijnde gericht tegen de beslissing op bezwaar van 30 maart 2011, toegevoegd aan het dossier AWB 11/504.

Bij brief van 14 april 2011 heeft verzoekster sub 2 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht, geregistreerd onder procedurenummer AWB 11/505.

Tegen het besluit van 30 maart 2011 tot het verlenen van ontheffing en bouwvergunning heeft verzoeker sub 3 bij brief van 10 mei 2011, ingekomen op 10 mei 2011, beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht, geregistreerd onder procedurenummer AWB 11/571.

Bij brief van eveneens 10 mei 2011 heeft verzoeker sub 3 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht, geregistreerd onder procedurenummer AWB 11/572.

Tegen het besluit van 30 maart 2011 tot het verlenen van ontheffing, bouwvergunning en aanlegvergunning heeft verzoeker sub 4 bij brief van 9 mei 2011, ingekomen 10 mei 2011, beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht, geregistreerd onder procedurenummer AWB 11/573.

Bij brief van 16 mei 2011 heeft verzoeker sub 4 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht, geregistreerd onder procedurenummer AWB 11/613.

De verzoeken om voorlopige voorziening zijn op 17 mei 2011 ter zitting behandeld.

Verzoeker sub 1 is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Namens verzoekster sub 2 zijn verschenen verzoeker sub 1 en [naam 2] in hun hoedanigheid van bestuurslid, bijgestaan door de gemachtigde van verzoekster sub 2.

Verzoeker sub 3 is verschenen bij gemachtigde.

Verzoeker sub 4 is in persoon verschenen, zonder+ gemachtigde.

Namens verweerder en vergunninghoudster zijn verschenen [naam 3] en [naam 4], beide werkzaam bij de gemeente Oud-Beijerland.

2. Overwegingen

2.1. Het wettelijk kader

2.1.1. Algemene wet bestuursrecht

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Indien een verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan hangende beroep bij de rechtbank en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan de voorzieningenrechter op de voet van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Ingevolge artikel 3:10, eerste lid, van de Awb is afdeling 3.4 "Uniforme openbare voorbereidingsprocedure" van de Awb van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van afdeling 3.4 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4.

2.1.2. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend.

2.1.3. Bestemmingsplan "Centrum"

Ter plaatse van het bouwplan geldt het bestemmingsplan "Centrum" (hierna: het bestemmingsplan).

De aanlegsteiger is geprojecteerd op gronden met de bestemmingen "Groenvoorzieningen", "Waterstaatsdoeleinden" en "Water".

Ingevolge artikel 23 "Groenvoorzieningen", eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften (hierna: de planvoorschriften) zijn de op de kaart aangewezen voor "groenvoorzieningen" aangewezen gronden, voor zover van belang, bestemd voor parken, plantsoenen, groenstroken en bermen en fiets- en voetpaden, met daarbij behorende bouwwerken.

Ingevolge artikel 24 "Water", eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor "water" aangewezen gronden, voor zover van belang, bestemd voor ligplaatsen voor recreatieschepen en oeverstroken en oeverbindingen, met daarbij behorende bouwwerken.

Ingevolge artikel 25 "Waterstaatsdoeleinden", eerste lid, eerste zinsnede, van de planvoorschriften, voor zover van belang, zijn de op de kaart voor "waterstaatsdoeleinden" aangewezen gronden primair bestemd voor een waterkering.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover van belang, is op gronden met deze bestemming die samenvallen met, voor zover hier van belang, de in artikel 23 en 24 geregelde bestemmingen, bebouwing slechts toegestaan voor zover de waterstaatsbelangen niet worden geschaad.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, onder 2.1, van de planvoorschriften is het, voor zover van belang, verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders op of in de in artikel 25 "Waterstaatsdoeleinden" bedoelde gronden heiwerkzaamheden uit te voeren of op andere wijze voorwerpen in de grond de grond te drijven, oppervlakteverhardingen aan te brengen en graafwerkzaamheden te verrichten.

2.1.4. Woningwet

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 1, van de Woningwet, voor zover van belang, wordt voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde verstaan onder bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, voor zover hier van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet wordt de aanvraag om bouwvergunning tevens aangemerkt als een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 van de Wro.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel wordt in dat geval de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning voorbereid overeenkomstig de procedure die van toepassing is op de voorbereiding van de beslissing omtrent de aanvraag om een ontheffing.

Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Woningwet, voor zover van belang, wordt de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning en een beslissing omtrent een aanvraag om een ontheffing, voor zover deze beslissing ziet op het bouwen waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht als één besluit aangemerkt.

2.1.5. Wro

Ingevolge artikel 3.16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro, voor zover van belang, mag de aanlegvergunning alleen en moet deze worden geweigerd indien het werk of de werkzaamheid in strijd is met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 3.16, vierde lid, van de Wro treedt de aanlegvergunning, onverminderd het bepaalde in artikel 8.4, derde lid, in werking met ingang van de zevende week na de dag waarop zij is bekendgemaakt.

Artikel 3.23 van de Wro bepaalt:

1. Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.

2. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld die in acht genomen moeten worden alvorens ontheffing mag worden verleend. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling alsmede omtrent de overdraagbaarheid van de ontheffing.

Artikel 3.24 van de Wro bepaalt, voor zover van belang:

(...)

3. Op de voorbereiding van een besluit omtrent een ontheffing als bedoeld in artikel (...) 3.23 is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders binnen vier weken na afloop van de termijn van terinzageligging beslissen. (...)

5. De ontheffing treedt, onverminderd het bepaalde in artikel 8.4, derde lid, in werking met ingang van de zevende week na de dag waarop zij is bekendgemaakt.

Artikel 8.4, derde lid, van de Wro bepaalt, voor zover van belang:

Indien gedurende de bezwaar- of beroepstermijn met betrekking tot een besluit tot het verlenen van een aanleg(...)vergunning dan wel de beroepstermijn met betrekking tot een besluit tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel (...) 3.23 een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, wordt de werking van het besluit opgeschort totdat op het verzoek is beslist.

2.1.6. Besluit op de ruimtelijke ordening

Ingevolge artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) komt voor de toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de wet in aanmerking een bouwwerk, geen gebouw zijnde: 1e. waarvan het bruto oppervlak niet groter is dan 50 m2, en 2e. dat gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 10 m.

2.2. Het bestreden besluit

Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag dat ter bevordering van de recreatieve aantrekkelijkheid van de gemeente Oud-Beijerland behoefte is aan een aanlegsteiger juist buiten de haven van Oud-Beijerland voor de wat grotere plezierschepen (langer dan 10,5) omdat die in de haven van Oud-Beijerland niet kunnen aanmeren. Verweerder is van opvatting dat de steiger als zodanig in overeenstemming is met het bestemmingsplan, maar dat de loopbrug naar de wal in strijd is met de planvoorschriften voor de bestemmingen "Groenvoorzieningen" en "Waterstaatsdoeleinden" die gelden voor de oever. Voor deze strijdigheid met het bestemmingsplan van de loopbrug kon en mocht in redelijkheid ontheffing krachtens artikel 3.23 juncto artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bro worden verleend, aldus verweerder. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de criteria voor ontheffing slechts behoefden te worden getoetst voor dat deel van het bouwwerk dat in strijd is met het bestemmingsplan en verwijst voor dat standpunt naar de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 1 september 2010, LJN BN5722. Verweerder is van opvatting dat, nu de verleende ontheffing ziet op de loopbrug, geen beperking kon worden verbonden aan de ontheffing voor een gebruik van de steiger als zodanig voor schepen van maximaal 100 ton. Overigens zal verweerder het aanmeren voor schepen zwaarder dan 100 ton verbieden door het plaatsen van een verbodsbord op de steiger en handhaven via de Havenverordening. Verweerder is voorts van opvatting dat de aanlegsteiger geen relevante toename van parkerende auto's en verkeersbewegingen tot gevolg zal hebben. Alleen in incidentele gevallen zullen volgens verweerder recreanten met de auto naar de aanlegsteiger komen om daar op een aangemeerde boot te stappen. Ook voor die incidentele gevallen voorziet verweerder geen problemen, omdat afdoende parkeergelegenheid in de directe nabijheid voorhanden is. Verweerder is van opvatting dat van het beoogde gebruik als aanlegsteiger geen relevante overlast valt te verwachten voor omwonenden. Voor zover mocht blijken dat de aanlegsteiger door hangjeugd oneigenlijk en overlastgevend zal worden gebruikt, zal daartegen volgens verweerder handhavend worden opgetreden. Overigens is verweerder van opvatting de locatie voor hangjeugd al minder aantrekkelijk te hebben gemaakt door het verwijderen van een fietsenhok en een wachtruimte voor de pont. Verweerder is van opvatting dat het algemeen belang om op deze plaats een aanlegvoorziening voor langere schepen in Oud-Beijerland te hebben, zwaarder weegt dan het verlies aan woongenot van omwonenden.

Nu de strijd van de aanlegsteiger met het bestemmingsplan door het verlenen van ontheffing krachtens artikel 3.23 van de Wro is weggenomen, diende daarvoor volgens verweerder bouwvergunning en aanlegvergunning te worden verleend.

Verweerder stelt zich op het standpunt, onder verwijzing naar het positieve advies van de welstandscommissie van 8 september 2010, dat het bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand.

2.3. De standpunten van de verzoekers

Verzoekers betogen dat de aanlegsteiger niet kan worden bezien als twee bouwwerken. Omdat de loopburg met steiger een oppervlak heeft van meer dan 50 m2, was verweerder niet bevoegd ontheffing krachtens artikel 3.23 van de Wro voor de strijdigheid met het bestemmingsplan te verlenen. Daarmee is volgens verzoekers de strijd met het bestemmingsplan niet weggenomen, zodat geen bouwvergunning en geen aanlegvergunning mocht worden verleend.

Voor zover al verweerder bevoegd was ontheffing krachtens artikel 3.23 van de Wro voor de aanlegsteiger te verlenen, had verweerder volgens verzoekers een beperking moeten opnemen bij die ontheffing dat aanmeren beperkt is voor schepen tot 100 ton. Voorts betogen verzoekers dat ten onrechte geen maatregelen zijn getroffen om overlast als gevolg van een toename van te parkeren auto's en van verkeersbewegingen in de wijk tegen te gaan van bezoekers van de aan te meren schepenen en verder niet om overlast tegen te gaan van hangjongeren op de aanlegsteiger. Ook heeft verweerder volgens verzoekers bij zijn besluit tot verlenen van ontheffing onvoldoende gewicht toegekend aan de aantasting van het woongenot van verzoekers. Verzoekers zullen als gevolg van (het gebruik van) de aanlegsteiger verlies aan uitzicht en overlast ondervinden, en daardoor zullen hun woningen in waarde dalen. Verzoekers menen dat verweerder, ingegeven door subsidievoorwaarden, overhaast en daardoor onzorgvuldig te werk is gegaan en alternatieven voor de plaats van de aanlegsteiger onvoldoende heeft onderzocht. Overigens betwijfelen verzoekers de noodzaak van de aanlegsteiger en de financiële haalbaarheid daarvan.

Ten slotte betogen verzoekers dat de aanlegsteiger in strijd is met redelijke eisen van welstand. Het positieve welstandsadvies is volgens verzoekers ondeugdelijk reeds omdat daarin niet de aan te meren schepen zijn betrokken. Ter zitting hebben verzoekster sub 2 en verzoeker sub 3 verklaard niet langer van plan te zijn een deskundig tegenadvies op het punt van welstand in te brengen.

2.4. De beoordeling door de voorzieningenrechter

Inzake de ontvankelijkheid

2.4.1. Het belang van alle verzoekers is rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Verzoekers sub 1, 3 en 4 en de leden van verzoekster sub 2 wonen in de directe nabijheid van de aanlegsteiger en hebben daarop zicht.

2.4.2. De beroepen van verzoekers sub 1, sub 3 en sub 4 tegen het bestreden besluit van verweerder van 30 maart 2011 om hun bezwaren ongegrond te verklaren en opnieuw bouwvergunning, thans met ontheffing, en aanlegvergunning te verlenen, zijn ontvankelijk. Weliswaar zijn de bezwaarschriften van verzoeker sub 1 en verzoeker sub 4 door verweerder ontvangen na 29 oktober 2010, de dag waarop uiterlijk een bezwaarschrift tegen de verleende bouwvergunning van 17 september 2010 kon worden ingediend, maar de voorzieningenrechter acht deze termijnoverschrijding verschoonbaar. Verweerder heeft verzuimd zijn besluit tot verlening van de bouwvergunning te publiceren en gesteld noch gebleken is dat verzoekers niet binnen 14 dagen nadat zij met die verlening bekend waren geworden, daartegen hun bezwaarschrift hebben ingediend. Daarmee is sprake van een ontvankelijk verzoek om voorlopige voorziening in samenhang met de beroepen van verzoekers sub 1, sub 3 en sub 4 tegen de beslissing op hun bezwaar van 30 maart 2011.

Ter zitting is vastgesteld dat het bestuur van verzoekster sub 2 pas dan bevoegd is een juridische procedure namens verzoekster sub 2 te voeren, als de ledenvergadering daartoe heeft besloten. De ledenvergadering van verzoekster sub 2 heeft op 10 februari 2011 besloten haar bestuur te machtigen een juridische procedure te voeren tegen verweerders besluiten over de in geding zijnde aanlegsteiger. Hieruit volgt dat [naam 1] op 29 oktober 2010 onbevoegd namens verzoekster sub 2 bezwaar heeft gemaakt tegen de verleende bouwvergunning van 17 september 2010. Het bezwaar van verzoekster sub 2 tegen de verleende bouwvergunning van 17 september 2010 was om die reden dus niet-ontvankelijk.

Vervat in de beslissing op bezwaar zijn echter tevens twee nieuwe besluiten: een besluit tot het verlenen van bouwvergunning en ontheffing en een besluit tot het verlenen van aanlegvergunning. Verweerder heeft, met toepassing van afdeling 3.4 "Uniforme openbare voorbereidingsprocedure" van de Awb op grond van artikel 3.24, derde lid, van de Wro juncto artikel 46 van de Woningwet, een nieuw besluit tot verlening van bouwvergunning en ontheffing voorbereid en, eveneens met toepassing van afdeling 3.4 "Uniforme openbare voorbereidingsprocedure" van de Awb, een nieuw besluit tot verlening van aanlegvergunning voorbereid. Tegen zowel het ontwerp-besluit tot verlening van bouwvergunning en ontheffing als tegen het ontwerp-besluit tot verlening van aanlegvergunning heeft verzoekster sub 2 tijdig en na verkregen volmacht daartoe van haar ledenvergadering een zienswijze ingediend. De voorzieningenrechter ziet hierin grond om deze nieuwe besluiten tot bouwvergunning/ontheffing en aanlegvergunning van 30 maart 2011 voor verzoekster sub 2 aan te merken als primaire besluiten waartegen voor haar beroep open stond omdat deze zijn voorbereid met afdeling 3.4 van de Awb. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, nu verweerder op basis van de volgens afdeling 3.4 van de Awb te volgen procedure gehouden was belanghebbenden in de gelegenheid te stellen tegen die ontwerp-besluiten hun zienswijzen in te dienen, verzoekster sub 2 tegen deze ontwerp-besluiten mocht opkomen zonder dat haar op grond van artikel 6:13 van de Awb een verwijt kon worden gemaakt tegen de eerder verleende bouwvergunning en de eerder verleende aanlegvergunning niet te zijn opgekomen. Het beroep van verzoekster sub 2 tegen de (voor haar) primaire besluiten van 30 maart 2011 tot het verlenen van bouwvergunning en ontheffing en tot het verlenen van aanlegvergunning is dan ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontvankelijk. Daarmee is eveneens sprake van een ontvankelijk verzoek om voorlopige voorziening in samenhang met dit beroep van verzoekster sub 2.

Inzake het spoedeisend belang

2.4.3. Verweerders kennelijke betoog ter zitting dat de voorzieningenrechter niet kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de bestreden besluiten wegens het ontbreken van spoedeisend belang aan de zijde van verzoekers omdat de aanlegsteiger inmiddels is gerealiseerd, faalt. In afwijking van de algemene systematiek voor de inwerkingtreding van besluiten als neergelegd in de Awb, treden de ontheffing krachtens artikel 3.23 van de Wro en de aanlegvergunning pas in werking met ingang van de zevende week na de dag waarop zij zijn bekendgemaakt. Bovendien wordt de inwerkingtreding van die besluiten verder opgeschort indien binnen de bezwaar- of beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingediend, derhalve onafhankelijk van de vraag of sprake is van een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. Die schorsing wordt verder ingevolge artikel 8:4 van de Wro niet eerder opgeheven dan met een uitspraak van de voorzieningenrechter. Volgens de systematiek van de Wro kan een bestreden besluit derhalve eerst in werking treden na een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid ervan door de voorzieningenrechter. Deze door de wetgever beoogde, van de algemene systematiek van de Awb afwijkende regeling brengt met zich, dat het ontbreken van spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81van de Awb niet in de weg kan staan aan een inhoudelijke beoordeling van de bestreden besluiten door de voorzieningenrechter. Dit oordeel wordt niet anders door het feit dat verweerder de vergunde aanlegsteiger welbewust heeft gerealiseerd voordat het bestreden besluit werking had, hoezeer ook uit ander oogpunt achter dat feit vraagtekens kunnen worden geplaatst.

Inzake de vrijstelling

2.4.4. De vergunde aanlegsteiger of aanmeervoorziening bestaat uit een ponton van 45 meter bij 3,5 meter dat wordt gefixeerd door twee verticale buispalen. Het ponton komt 16 meter uit de wal te liggen en wordt met de wal verbonden met een scharnierende loopbrug van 16 meter lang en 1,5 meter breed. Ponton en loopbrug vormen tezamen een bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet. Blijkens het bestreden besluit als toegelicht ter zitting is dit ook het standpunt van verweerder.

2.4.5. Het overgrote deel van dit bouwwerk (het ponton) is in overeenstemming met de bestemming "Water" volgens artikel 23 van de planvoorschriften en voor het overige (de loopbrug) in strijd met de voor de oever geldende bestemmingen "Waterstaatsdoeleinden" volgens artikel 24 en "Groenvoorzieningen" volgens artikel 25 van de planvoorschriften. Deze uitleg van de planvoorschriften door verweerder is niet in geschil. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding af te wijken van die uitleg.

2.4.6. Het kennelijke betoog van verzoekers dat ingevolge artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bro geen vrjjstelling kan worden verleend voor een gedeelte van een bouwwerk, treft geen doel. De voorzieningenrechter acht die uitleg te beperkt in het licht van de strekking van de regeling voor buitenplanse vrijstellingen in hoofdstuk 4 van de Wro, bezien in samenhang met hetgeen overigens in artikel 4.1.1, eerste lid, van het Bro is geregeld. Nu alleen de loopbrug, en wel uitsluitend voor zover deze op de oever wordt gerealiseerd, in strijd is met de voor de oever geldende bestemmingen "Groenvoorzieningen" en "Waterstaatsdoeleinden" en dit strijdige oppervlak minder dan 50 m2 beslaat, was verweerder bevoegd de bestreden vrijstelling te verlenen.

2.4.7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kunnen maken. Daartoe stelt de voorzieningenrechter voorop dat de gemeentelijke ruimtelijke ordening een vrije bevoegdheid is van het gemeentebestuur, zodat de keuzen die het gemeentebestuur daarin maakt door de bestuursrechter slechts terughoudend kunnen worden getoetst. Dat de aanlegsteiger het algemeen belang dient hebben verzoekers niet, althans niet genoegzaam gemotiveerd, betwist. Mede gelet daarop staat bij een terughoudende toetsing de vraag of er een alternatief is voor de gekozen locatie van de aanlegsteiger, in beginsel niet ter beantwoording aan de voorzieningenrechter. Omstandigheden die nopen tot afwijking van dit beginsel zijn gesteld noch anderszins gebleken. Verder heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat de aanlegsteiger financieel haalbaar is.

Verweerder heeft het algemeen belang in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan

het belang van het woongenot van verzoekers, dat volgens hen wordt aangetast door het verdwijnen van uitzicht op open water, het gebruik van de vergunde aanlegsteiger en de parkeeroverlast. Verweerder heeft daarbij van belang kunnen achten dat de appartementsgebouwen waarin verzoekers wonen, zijn gelegen op een dijk en dat bij hoogwater de kruin van de dijk 3 meter hoger ligt dat het wateroppervlak. De schepen die kunnen en mogen aanmeren aan de aanlegsteiger, betreffen volgens verweerder zeilboten en kleinere partyschepen, die naar hun aard niet hoog zijn opgebouwd en ook geen lichthinder teweegbrengen. Bovendien is de afstand tussen het dichtstbij gelegen appartement en de aanlegsteiger (die zestien meter uit de wal ligt) ongeveer vijftig meter. Ook ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat met een verbodsbord en via toezicht op grond van de Havenverordening onvoldoende is gewaarborgd dat alleen de door verweerder beoogde schepen gebruik zullen maken van de aanlegsteiger. Het gebruik van de aanlegsteiger door hangjongeren is, zo heeft verweerder terecht overwogen, oneigenlijk gebruik waarvan de gevolgen bij de vraag of medewerking aan deze aanlegsteiger op zijn plaats was, niet behoefde te worden betrokken. Verder heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat er in de omgeving van de aanlegsteiger een incidentele verkeersdrukte afdoende kan worden opgevangen.

Ten aanzien van de door verzoekers gestelde, maar overigens niet onderbouwde waardevermindering van hun woningen overweegt de voorzieningenrechter dat in Afdeling 6.1 van de Wro een regeling is neergelegd voor vergoeding van planschade, voor zover die schade redelijkerwijs niet voor rekening van verzoekers behoort te blijven en tegemoetkoming in die schade niet voldoende anderszins is verzekerd.

Inzake de bouwvergunning

2.4.8. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Verweerder heeft aan zijn standpunt dat de aanlegsteiger niet strijdig is met redelijke eisen van welstand, het advies van de welstandscommissie van 8

september 2010, een zogenoemd stempeladvies, ten grondslag mogen leggen. Het betoog van verzoekers dat dit advies ondeugdelijk is, omdat de welstandscommissie alleen het bouwwerk op zichzelf in ogenschouw heeft genomen en niet ook daarbij de aan te meren boten heeft betrokken, indien al juist, faalt. Ter plaatse van het ponton is volgens de planvoorschriften een aanmeervoorziening toegestaan. Het aanmeren van boten kan reeds om die reden niet uit welstandsoogpunt worden beperkt. Verder hebben verzoekers ter zitting verklaard geen tegenadvies te zullen overleggen van een op welstandsgebied deskundig te achten persoon of instantie.

2.4.9. Uit het voorgaande volgt dat zich geen weigeringsgrond voordeed waarop de gevraagde bouwvergunning diende te worden geweigerd. Verweerder was dan ook, gelet op het imperatief-limitatieve stelsel van artikel 44 van de Woningwet, gehouden deze te verlenen.

Inzake de aanlegvergunning

2.4.10. Uit het voorgaande volgt dat zich geen weigeringsgrond voordeed waarop de gevraagde aanlegvergunning diende te worden geweigerd. Verweerder was dan ook, gelet op het imperatief-limitatieve stelsel van artikel 3.16 van de Wro, gehouden deze te verlenen.

Slotoverwegingen

2.4.11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaken. De voorzieningenrechter zal met gebruikmaking van zijn bevoegdheid op grond van artikel 8:86 van de Awb, als door partijen ter zitting verzocht, onmiddellijk uitspraak doen op de beroepen. De voorzieningenrechter verklaart deze ongegrond.

Gelet op deze uitspraken in de hoofdzaak, wijst de voorzieningenrechter de verzoeken om voorlopige voorzieningen af. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat daarmee de verleende bouwvergunning en ontheffing van 30 maart 2011 en de verleende aanlegvergunning van 30 maart 2011 in werking zullen treden.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzieningenrechter, en door deze en mr. M. Lammerse, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzieningenrechter,