Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BQ2722

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
26-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
11-510275-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de zaak waarin de verdenking bestond dat twee bedrijven in Schelluinen betrokken waren bij wietteelt en -handel heeft de rechtbank Dordrecht vandaag uitspraak gedaan.

Het ene bedrijf (een vennootschap) en de eigenaar daarvan zijn vrijgesproken omdat de rechtbank onvoldoende overtuigend bewijs aanwezig acht.

De eigenaar van het andere bedrijf (een eenmanszaak) is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden. De rechtbank heeft hem schuldig bevonden aan de verkoop van hennepstekken en de inkoop van henneptoppen, deelname aan een criminele organisatie en het witwassen van geld met een criminele herkomst.

Een andere persoon die bij laatstgemeld bedrijf betrokken was, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar. Ook hij werd schuldig bevonden aan de verkoop van hennepstekken en de inkoop van henneptoppen en deelname aan een criminele organisatie, en verder aan vuurwapenbezit, het voorhanden hebben van versnijdingsmiddelen voor harddrugs, het kweken van hennepplanten en de daarmee verband houdende diefstal van elektriciteit.

Tenslotte werd een persoon veroordeeld tot een gevangenisstraf van 95 dagen voor betrokkenheid bij hennepkwekerijen in Streefkerk en Leerdam en voor het bezit van hennep. Van deelname aan een criminele organisatie en het witwassen van geld met een criminele herkomst werd deze verdachte vrijgesproken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/510275-08

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 april 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren in1968

wonende te [adres en woonplaats],

hierna: verdachte.

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 31 maart 2011. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 12 april 2011.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven en zoals deze ter terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2 De voorvragen

De gewijzigde dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – het ten laste gelegde onder feit 1 primair en 2 primair bewezen achtend – gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd een gevangenisstraf van dertig maanden met aftrek van voorarrest.

3.2 De verdediging

De raadsman heeft algehele vrijspraak bepleit.

4 De bewijsbeslissing

4.1 Vrijspraken

4.1.1 Feit 1

De rechtbank acht op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen onvoldoende overtuigend bewijs aanwezig voor zodanige betrokkenheid van verdachte bij – kort samengevat – het in de ten laste gelegde periode tezamen en in vereniging handelen (beroeps- of bedrijfsmatig) in hennepplanten/-stekken of henneptoppen of het aanwezig hebben daarvan.

De door de officier van justitie aangehaalde getuigenverklaringen acht de rechtbank onvoldoende bruikbaar voor het bewijs.

De verklaringen van de getuige [naam getuige 1]acht de rechtbank niet relevant nu deze getuige uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij geen hennepplanten/stekken heeft betrokken van/via verdachte of zijn bedrijf [bedrijfsnaam]noch dat hij henneptoppen heeft verkocht aan verdachte of zijn bedrijf [bedrijfsnaam]

De verklaringen van de getuige [getuige 2]acht de rechtbank eveneens niet relevant nu uit deze verklaringen slechts blijkt dat de getuige in de betreffende periode hennepplanten/stekken heeft gekocht bij [bedrijfsnaam]

De verklaringen van de getuige [getuige 3], afgelegd bij de politie, de rechter-commissaris en ter terechtzitting, acht de rechtbank onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te kunnen gebruiken.

De verklaringen van de getuige [getuige 4]acht de rechtbank onvoldoende specifiek en duidelijk om te kunnen gebruiken voor het bewijs.

Ook acht de rechtbank op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen onvoldoende overtuigend bewijs voorhanden voor betrokkenheid van de rechtspersoon [bedrijfsnaam]bij

– kort samengevat – het tezamen en in vereniging (beroeps- of bedrijfsmatig) handelen in hennepplanten/stekken of henneptoppen of het aanwezig hebben daarvan waartoe verdachte opdracht zou hebben gegeven of waaraan hij leiding zou hebben gegeven.

De rechtbank heeft ambtshalve ook geen andere bewijsmiddelen aangetroffen die tot een bewezenverklaring kunnen leiden.

Verdachte zal daarom van feit 1 primair en subsidiair worden vrijgesproken.

4.1.2 Feit 2

De rechtbank acht op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen onvoldoende overtuigend bewijs aanwezig van deelname van verdachte aan – kort samengevat – een organisatie (een samenwerkingsverband) die (dat) tot oogmerk had het (beroepsmatig- of bedrijfsmatig) opzettelijk telen, bereiden, verwerken, verkopen, afleveren of verstrekken van hennepplanten.

De officier van justitie heeft de betrokkenheid van verdachte met name gebaseerd op afgeluisterde telefoongesprekken, waaruit zou blijken dat verdachte een leidende rol had als organisator doordat hij contact had met leveranciers van hennepplanten en contacten onderhield met de medeverdachten [medeverdachte 1]en[medeverdachte 2], die beiden kunnen worden gekoppeld aan de [bedrijfsnaam], aldus de officier van justitie.

De door de officier van justitie genoemde afgeluisterde telefoongesprekken zijn onvoldoende duidelijk en specifiek en daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat de gesprekken gaan over hennepplanten noch blijkt daaruit de rol van verdachte zoals door de officier van justitie geschetst.

Ook acht de rechtbank op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen onvoldoende overtuigend bewijs voorhanden voor deelname van de rechtspersoon [bedrijfsnaam] aan

– kort samengevat – een organisatie (een samenwerkingsverband) die (dat) tot oogmerk had het (beroeps- of bedrijfsmatig) opzettelijk telen, bereiden, verwerken, verkopen, afleveren of verstrekken van hennepplanten waartoe verdachte opdracht zou hebben gegeven of waaraan hij leiding zou hebben gegeven.

De rechtbank heeft ambtshalve ook geen andere bewijsmiddelen aangetroffen die tot een bewezenverklaring kunnen leiden.

Verdachte zal daarom van feit 2 primair en subsidiair worden vrijgesproken.

5 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en subsidiair en 2 primair en

subsidiair ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter, mr. P. Joele en

mr. M.A.C. Prins, rechters, in tegenwoordigheid van A. Gaal en R. van Andel, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 april 2011.

BIJLAGE 1: De gewijzigde tenlastelegging

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2006 tot en met 18 januari 2010

te Schelluinen, gemeente Giessenlanden (in of nabij (een) pand(en) aan de [adres 1] en/of de [adres 2]) en/of

te Dordrecht ( in (een) woning(en) gelegen aan de [adres 3] en/of de [adres 4] en/of [adres 5] en/of de [adres 6]) en/of

te Meerkerk (in een woning gelegen aan [adres 7]) en/of te Vuren, gemeente Lingewaal (in een woning gelegen aan de [adres 8]) en/of te Zwijndrecht (in een woning gelegen aan het [adres 9]) en/of te Streefkerk (in een woning gelegen aan de [adres 10]) en/of te Leerdam (in een woning gelegen aan de [adres 11]), althans in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) in de uitoefening van een beroep of een bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) hennepplanten/hennepstekken en/of (gedroogde) hennep(toppen), en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 Opiumwet

art 47 lid 1 Wetboek van Strafrecht

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[bedrijfsnaam]op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 3 mei 2007 tot en met 18 januari 2010

te Schelluinen, gemeente Giessenlanden (in of nabij (een) pand(en) aan de [adres 1] en/of de [adres 2]) en/of

te Dordrecht ( in (een) woning(en) gelegen aan de [adres 3]en/of de [adres 4]en/of [adres 5] en/of de [adres 6]) en/of

te Meerkerk (in een woning gelegen aan de [adres 7]) en/of te Vuren, gemeente Lingewaal (in een woning gelegen aan de [adres 8]) en/of te Zwijndrecht (in een woning gelegen aan het [adres 9]) en/of te Streefkerk (in een woning gelegen aan de [adres 10])en/of te Leerdam (in een woning gelegen aan de [adres 11]), althans in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) in de uitoefening van een beroep of een bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) hennepplanten/hennepstekken en/of (gedroogde) hennep(toppen), en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) hij, verdachte, (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;

art 3 Opiumwet

art 47 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 51 lid 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2006 tot en met 18 januari 2010 te Schelluinen, gemeente Giessenlanden, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen verdachte en/of (een) medeverdachte(n) (te weten [medeverdachte 3]en/of [medeverdachte 4]en/of [medeverdachte 1]en/of [medeverdachte 2]en/of [bedrijfsnaam]en/of een of meer anderen) en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het op beroeps- en/of bedrijfsmatige wijze opzettelijk telen en/of bereiden en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken van (een) grote hoeveelhe(i)d(en) hennepplanten en/of delen daarvan, althans middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet bedoelde lijst(en) I en/of II;

art 11a lid 1 Opiumwet

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[bedrijfsnaam]in of omstreeks de periode van 3 mei 2007 tot en met 18 januari 2010 te Schelluinen, gemeente Giessenlanden, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen [bedrijfsnaam] en/of (een) medeverdachte(n) ( te weten [medeverdachte 3]en/of [medeverdachte 4]en/of [medeverdachte 1]en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer anderen) en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het op beroeps- en/of bedrijfsmatige wijze opzettelijk telen en/of bereiden en/of

verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken van (een) grote

hoeveelhe(i)d(en) hennepplanten en/of delen daarvan, althans middelen als

bedoeld in de bij de Opiumwet bedoelde lijst(en) I en/of II,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) hij, verdachte, (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;

art 51 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 11a lid 1 Opiumwet.