Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BQ2717

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
26-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
11-860031-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de zaak waarin de verdenking bestond dat twee bedrijven in Schelluinen betrokken waren bij wietteelt en -handel heeft de rechtbank Dordrecht vandaag uitspraak gedaan.

Het ene bedrijf (een vennootschap) en de eigenaar daarvan zijn vrijgesproken omdat de rechtbank onvoldoende overtuigend bewijs aanwezig acht.

De eigenaar van het andere bedrijf (een eenmanszaak) is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden. De rechtbank heeft hem schuldig bevonden aan de verkoop van hennepstekken en de inkoop van henneptoppen, deelname aan een criminele organisatie en het witwassen van geld met een criminele herkomst.

Een andere persoon die bij laatstgemeld bedrijf betrokken was, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar. Ook hij werd schuldig bevonden aan de verkoop van hennepstekken en de inkoop van henneptoppen en deelname aan een criminele organisatie, en verder aan vuurwapenbezit, het voorhanden hebben van versnijdingsmiddelen voor harddrugs, het kweken van hennepplanten en de daarmee verband houdende diefstal van elektriciteit.

Tenslotte werd een persoon veroordeeld tot een gevangenisstraf van 95 dagen voor betrokkenheid bij hennepkwekerijen in Streefkerk en Leerdam en voor het bezit van hennep. Van deelname aan een criminele organisatie en het witwassen van geld met een criminele herkomst werd deze verdachte vrijgesproken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/860031-10

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 april 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren in 1973 te [geboorteplaats]

wonende te [adres en woonplaats],

hierna: verdachte.

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 31 maart 2011. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 12 april 2011.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven en zoals deze ter terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2 De voorvragen

2.1 De gewijzigde dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

2.2 De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Wat feit 4 betreft heeft de raadsman primair gepleit om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren. De officier van justitie zou met grove veronachtzaming van de rechten van de verdediging hebben nagelaten voldoende onderzoek te verrichten naar de door de raadsman overgelegde stukken en de plausibele stelling dat de stoffen bestemd waren voor de reguliere handel en dat zij een legale bestemming en toepassing hadden. Het verrichte onderzoek zou bovendien ontoereikend en onjuist zijn geweest. De raadsman heeft verwezen naar het arrest van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 12 maart 2008 (LJN: BC6515).

De rechtbank heeft vastgesteld dat de raadsman ter terechtzitting van 22 april 2010 voornoemde standpunten eveneens heeft aangevoerd en dat hij aan zijn toenmalige pleitaantekeningen een aantal stukken heeft gehecht betreffende een Belgische vennootschap, geheten [bedrijfsnaam 3]De officier van justitie heeft vervolgens op basis van het betoog van de raadsman en voornoemde stukken een rechtshulpverzoek naar België doen uitgaan. De resultaten van het rechtshulpverzoek zijn aan het strafdossier toegevoegd.

Vooropgesteld dient te worden dat geen rechtsregel de officier van justitie (of een of meer anderen) ertoe verplicht om een onderzoek in te stellen indien door de verdediging standpunten worden betrokken of stellingen worden geponeerd.

In dit geval heeft de officier van justitie onderzoek laten doen door de Belgische justitie. Dit heeft geleid tot toezending van stukken door het parket van de procureur des Konings te Antwerpen. Deze stukken zijn door de officier van justitie aan het strafdossier van verdachte toegevoegd. De rechtbank verwerpt op basis hiervan dan ook het standpunt van de raadsman dat ‘de officier van justitie zou hebben gehandeld met grove veronachtzaming van de rechten van de verdediging’.

Het standpunt van de verdediging dat het door de officier van justitie gelaste onderzoek door de Belgische justitie onvoldoende, ontoereikend en onjuist is geweest, heeft betrekking op de bewijsbeslissing en kan eventueel tot vrijspraak leiden.

De rechtbank verklaart de officier van justitie ontvankelijk in zijn vervolging van verdachte.

2.4 Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – alle ten laste gelegde feiten bewezen achtend – gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd een gevangenisstraf van drie jaar met aftrek van voorarrest.

3.2 De verdediging

De raadsman heeft – naast het hiervoor genoemde verweer – te kennen gegeven geen opmerkingen te willen maken over de feiten 3, 5 en 6. Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 4 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Daarnaast heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.

4 De bewijsbeslissing

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

op tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 februari 2008 tot en met 18 januari 2010

te Schelluinen, gemeente Giessenlanden, in of nabij een pand aan de [adres1]

telkens tezamen en in vereniging met anderen, telkens in de uitoefening van een bedrijf, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad, hennepplanten/hennepstekken en/of hennep(toppen), zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II

2.

in of omstreeks de periode van 8 februari 2008 tot en met 18 januari 2010 te Schelluinen, gemeente Giessenlanden, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen verdachte en medeverdachten (te weten [ medeverdachte 1]en[medeverdachte 2] ) en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het op bedrijfsmatige wijze opzettelijk verkopen en/of afleveren van hennepplanten.

3.

op 18 januari 2010 te Rotterdam een (vuur)wapen van categorie III, te weten een pistool (merk: Mauser, kaliber: 9mm), en munitie van categorie III, te weten 14 kogelpatronen (kaliber: 9 mm), voorhanden heeft gehad;

4.

op 18 januari 2010 te Vlaardingen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en/of amfetamine en/of heroïne en/of (een) ander(e) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte telkens wist dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten, hebbende verdachte 1075 kg van een materiaal bevattende fenacetine (phenacetin) en 775 kg van een materiaal bevattende coffeïne en 125 kg van een materiaal bevattende lidocaïne en 875 kg van een materiaal bevattende paracetamol, telkens bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van cocaïne en/of amfetamine en/of heroïne en/of (een) ander(e) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voorhanden gehad;

5.

in de periode van 11 november 2009 tot en met 18 januari 2010 te Rotterdam (in een woning gelegen aan de [adres 12]) opzettelijk heeft geteeld 72 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II

6.

in de periode van 11 november 2009 tot en met 18 januari 2010 te Rotterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een pand gelegen aan de [adres 12]heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Stedin en/of ENECO Netbeheer BV, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.3 Nadere bewijsoverwegingen

4.3.1 Feiten 1 en 2

De raadsman heeft wat feit 1 betreft gesteld – kort samengevat – dat er geen bewijsmiddelen voorhanden zijn waaruit zou blijken dat verdachte zelf met hennepstekken te maken had. De verklaringen van de getuige [getuige 1] zouden niet mogen worden gebruikt voor het bewijs omdat deze getuige zijn eerdere verklaring op essentiële punten heeft ingetrokken en deze getuige niet nader op de terechtzitting is gehoord (LJN: AB7528, HR 1-12-1994). Daarnaast heeft de raadsman in het algemeen gesteld dat de afgeluisterde telefoongesprekken waarbij door de tolken/verbalisanten op basis van stemherkenning is geconcludeerd dat verdachte die gesprekken heeft gevoerd, niet zonder meer voor het bewijs zouden mogen worden gebruikt, omdat die conclusies niet op een deugdelijke en (wetenschappelijk) verantwoorde wijze zijn vastgesteld.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] de beschikking had over de sleutel van de bestelbus.

Wat feit 2 betreft heeft de raadsman gesteld – kort samengevat en voor zover relevant – dat er geen bewijsmiddelen voorhanden zijn op grond waarvan kan worden gesproken van een samenwerkingsverband zoals door de wet en de jurisprudentie vereist.

De rechtbank verwerpt het hiervoor genoemde verweer met betrekking tot het gebruik van de verklaringen van de getuige [getuige 1]. De conclusie die de raadsman aan voornoemd arrest heeft verbonden, is slechts ten dele juist. Uit voornoemd arrest blijkt weliswaar hetgeen de raadsman heeft geconcludeerd maar tevens blijkt daaruit dat voornoemde conclusie slechts geldt in het geval de desbetreffende verklaring het enige bewijsmiddel vormt waaruit verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks kan blijken. In dit geval is daar echter geen sprake van nu er meerdere bewijsmiddelen voorhanden zijn waaruit verdachtes betrokkenheid rechtstreeks blijkt.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank de navolgende feiten en

omstandigheden vastgesteld.

Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6] blijkt dat zij allen in de periode 8 februari 2008 tot en met 18 januari 2010 hennepplanten/-stekken hebben gekocht bij of via [bedrijfsnaam](hierna ook: het bedrijf) in Schelluinen en dat zij bij de koop zijn geholpen en geadviseerd door medeverdachte [medeverdachte 1](eigenaar van het bedrijf) en [getuige 2](werknemer bij het bedrijf). Ook de getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij in voornoemde periode hennepplanten/-stekken heeft gekocht bij het bedrijf en dat hij daarover was geïnformeerd door verdachte. Daarnaast hebben de getuigen [getuige 4] en [getuige 6] verklaard dat zij toppen van door hen gekweekte hennepplanten in genoemde periode hebben verkocht aan het bedrijf, met name aan [medeverdachte 1]en [getuige 2]. Tijdens de doorzoeking van het bedrijfspand zijn onder meer een kluis en een verborgen ruimte aangetroffen. In de verborgen ruimte en op andere plaatsen in het pand zijn resten van hennepplanten aangetroffen.

Omtrent de betrokkenheid van verdachte bij het bedrijf heeft de rechtbank het navolgende vastgesteld.

Uit de verklaringen van de getuige [getuige 2]blijkt dat deze getuige vanaf februari/maart 2008 – zijnde het tijdstip van overname van [bedrijfsnaam]door medeverdachte [medeverdachte 1]– in dienst is bij het bedrijf, dat verdachte al sinds die tijd met grote regelmaat maar ook op onregelmatige tijden aanwezig is in het bedrijf en dat verdachte ook werkzaam was achter de balie van het bedrijf. Dit laatste wordt bevestigd door de getuigen [getuige 7] en [getuige 8]. Verdachtes betrokkenheid blijkt tevens uit een tweetal schriftelijke bewijsstukken en uit zijn wetenschap omtrent de kluis van het bedrijf. Uit de gegevens die door [bedrijfsnaam]bij het beveiligingsbedrijf [bedrijfsnaam 5] zijn opgegeven voor een zogenoemde bellijst voor het pand van [bedrijfsnaam]aan de [adres 1] te Schelluinen blijkt dat verdachte op die lijst staat vermeld als functionaris van [bedrijfsnaam]en dat verdachte in geval van alarm kan worden gebeld (op zijn mobiele telefoonnummer [tel.nummer]). Dat dit telefoonnummer aan verdachte toebehoort, blijkt ook uit een door verdachte ingevuld verhuisformulier van 20 maart 2009 van Eneco waarbij door verdachte hetzelfde telefoonnummer is opgegeven. Daarnaast bevindt zich in het dossier een factuur van Overtoom B.V. van 14 juli 2008 gericht aan [bedrijfsnaam] ter attentie van verdachte en met daarop vermeld de naam van verdachte als contactpersoon. Uit het afgeluisterde telefoongesprek van 10 juni 2009 (dossierpagina 1111) – bezien in combinatie met hetgeen medeverdachte [medeverdachte 1]heeft verklaard over de kluiscode – blijkt dat verdachte de code van de in het bedrijf aangetroffen kluis wist. De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] dat medeverdachte [medeverdachte 1]en verdachte ‘in de zaak ([bedrijfsnaam]) zijn gekomen’ bevestigt ook de lezing van voornoemde getuigen.

Dat verdachte tevens betrokken was bij de verkoop van hennepplanten/-stekken bij [bedrijfsnaam]blijkt uit de verklaringen. Hij heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte in wietplanten doen en dat de hennepplanten/-stekken bij aanlevering in een bestelbus werden geplaatst. Tijdens de doorzoeking is op het terrein van het bedrijf een min of meer voor hennepplanten/-stekken geprepareerde bestelbus aangetroffen, die op naam stond van verdachte. In deze bestelbus zijn henneptoppen en delen van hennepplanten aangetroffen. De getuigen [getuige 2] en [getuige 6] hebben verklaard dat de hennepplanten/-stekken bij verkoop uit de bestelbus werden gehaald. Getuige [getuige 2]heeft tevens verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] de beschikking had over de sleutel van de bestelbus. In de kluis van het bedrijf zijn de autopapieren en de sleutel van de bestelbus aangetroffen. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij beide goederen op verzoek van verdachte in de kluis van zijn bedrijf heeft gelegd. Gelet op het vorenstaande kan het dan ook niet anders zijn dan dat verdachte het afgeluisterde telefoongesprek van 4 oktober 2009 (dossierpagina 1112) heeft gevoerd met medeverdachte [medeverdachte 1] over de sleutel van het (bestel)busje. Uit het telefoongesprek blijkt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] beiden beschikken over een sleutel van het busje. In het begin van voornoemd telefoongesprek is naar het oordeel van de rechtbank sprake van versluierd taalgebruik als verdachte spreekt over ‘lira’. Uit het totale telefoongesprek blijkt dat verdachte medeverdachte [medeverdachte 1] op de hoogte brengt dat iemand 75 hennepplanten/-stekken kan leveren en dat medeverdachte [medeverdachte 1] ze alleen wil kopen als hij een klant daarvoor heeft. Uit het telefoongesprek blijkt ook dat medeverdachte [medeverdachte 1] een leidinggevende rol had. Over de onderlinge verhoudingen in/bij het bedrijf heeft getuige [getuige 2] bovendien verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] de eigenaar en de baas was van het bedrijf, dat [medeverdachte 1] de stekken regelde, dat [medeverdachte 1] hem opdrachten gaf en dat als [medeverdachte 1] en verdachte afwezig waren, getuige [getuige 2] verantwoordelijk was voor de -+-winkel van het bedrijf.

Daargelaten het verweer van de raadsman ter zake de afgeluisterde telefoongesprekken, blijkt naar het oordeel van de rechtbank op grond van hetgeen zij hiervoor heeft vastgesteld, dat verdachte feit 1 tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte 1]en [getuige 2]heeft gepleegd, zoals hiervoor onder 4.1 onder feit 1 bewezen is verklaard.

Ook blijkt uit het vorenstaande dat er sprake was van een duurzaam en georganiseerd samenwerkingsverband tussen verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] en [getuige 2], zoals vereist in de wet en de jurisprudentie en zoals hiervoor onder 4.1 onder feit 2 bewezen is verklaard.

4.3.2 Feit 4

De raadsman heeft (subsidiair) gesteld – kort samengevat – dat er geen bewijsmiddelen voorhanden zijn waaruit kan blijken dat verdachte bezig was met voorbereidingshandelingen in het kader van de Opiumwet noch dat verdachte andere illegale bedoelingen had met de betreffende stoffen.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden vastgesteld.

Op 18 januari 2010 is tijdens de doorzoeking van een door verdachte gehuurde auto, die op het terrein van [bedrijfsnaam] stond, een factuur (betalingsherinnering) aangetroffen afkomstig van het bedrijf [bedrijfsnaam 2] De factuur stond op naam van verdachte en had betrekking op de huur van een garagebox. Tijdens de doorzoeking van deze garagebox zijn de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheden en soorten stoffen aangetroffen. Uit afgeluisterde telefoongesprekken (dossierpagina’s 1109 en 1110) blijkt dat verdachte (wederom met gebruikmaking van zijn mobiele nummer [tel.nummer]) op 12 januari 2010 heeft gebeld met een leverancier en aldaar 1000 kilo fenacetine heeft besteld. Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte is een vrachtbrief aangetroffen gedateerd 14 januari 2010 waarop stond vermeld dat er 40 drums phenacetin zijn vervoerd naar en afgeleverd bij het bedrijf [bedrijfsnaam 3]in België. Uit de stukken afkomstig van het rechtshulpverzoek uit België blijkt dat het bedrijf [bedrijfsnaam 3]nog steeds actief is en dat zij de volgende activiteiten verricht:

- groothandel in huishoudtextiel en beddengoed (hoofdactiviteit);

- groothandel in elektrische huishoudelijke apparaten en audio- en videoapparatuur (nevenactiviteit).

Tevens blijkt uit laatstgenoemde stukken dat als gedelegeerde bestuurders van [bedrijfsnaam 3]zijn aangesteld de Stichting [bedrijfsnaam 6]en de Stichting [bedrijfsnaam 4](vertegenwoordigd door de heer [naam verdachte]), beide gevestigd te Roermond. Uit onderzoek dat aansluitend op het rechtshulpverzoek is verricht, blijkt dat verdachte bestuurder was van de Stichting [bedrijfsnaam 4]en dat voornoemde stichtingen beide in december 2006 zijn ontbonden.

Naast het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat het inmiddels een feit van algemene bekendheid is dat de stoffen genoemd in de tenlastelegging worden gebruikt bij de versnijding van harddrugs. Dit blijkt ook uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 7 april 2010. Uit voornoemd rapport en een bericht van het Trimbos Instituut blijkt bovendien dat sinds 1984 het gebruik van fenacetine (phenacetin) in Nederland is verboden vanwege de schadelijke bijwerkingen. De stof fenacetine (phenacetin) kan in Nederland derhalve geen legale bestemming hebben.

Verdachte heeft zich steeds beroepen op het aan hem toekomende en te respecteren zwijgrecht. De raadsman heeft geen nadere stukken overgelegd ter opheldering van de situatie rondom [bedrijfsnaam 3]en heeft zich steeds beroepen op de – in de ogen van de verdediging – legale handel met betrekking tot de tenlastegelegde stoffen.

De hiervoor door de rechtbank vastgestelde en voor verdachte bezwarende feiten en omstandigheden wijzen naar het oordeel van de rechtbank op betrokkenheid van verdachte bij het aan hem ten laste gelegde feit. Dit maakt dat verdachtes zwijgende houding een niet langer houdbare positie is geworden. Van verdachte mag in deze situatie verlangd worden, dat hij enige verklaring geeft over de vastgestelde bezwarende feiten en omstandigheden.

Het feit dat verdachte zich desondanks is blijven beroepen op zijn zwijgrecht en het feit dat er ook overigens door de raadsman geen ontlastende feiten en omstandigheden zijn aangevoerd, maakt dat de rechtbank het verweer van de raadsman verwerpt.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1. MEDEPLEGEN VAN: IN DE UITOEFENING VAN EEN BEDRIJF OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3, ONDER B, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD

en/of

MEDEPLEGEN VAN: OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3, ONDER C, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD;

2. DEELNEMEN AAN EEN ORGANISATIE DIE TOT OOGMERK HEEFT HET PLEGEN VAN EEN MISDRIJF ALS BEDOELD IN ARTIKEL 11, DERDE LID, VAN DE OPIUMWET;

3. HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE EN HET FEIT BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN VUURWAPEN VAN CATEGORIE III

en

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE;

4. OM EEN FEIT, BEDOELD IN HET VIERDE OF VIJFDE LID VAN ARTIKEL 10 VAN DE OPIUMWET, VOOR TE BEREIDEN OF TE BEVORDEREN, STOFFEN, WAARVAN HIJ WEET DAT ZIJ BESTEMD ZIJN TOT HET PLEGEN VAN DAT MISDRIJF, VOORHANDEN HEBBEN;

5. OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3, ONDER B, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD;

6. DIEFSTAL WAARBIJ DE SCHULDIGE HET WEG TE NEMEN GOED ONDER ZIJN BEREIK HEEFT GEBRACHT DOOR MIDDEL VAN VERBREKING, MEERMALEN GEPLEEGD.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De redenen die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zestal strafbare feiten.

Verdachte en zijn mededaders hebben gedurende een periode van bijna twee jaar deelgenomen aan een criminele organisatie die tot doel had het bedrijfsmatig opzettelijk verkopen en afleveren van hennepplanten/-stekken. Daarnaast hebben zij in die periode door thuiskwekers geoogste hennep ingekocht.

Verdachte heeft werkzaamheden verricht ten behoeve van genoemde organisatie die zich op grote schaal bezighield met het illegaal verkopen van hennepplanten/-stekken.

Dit blijkt uit de in het bedrijfspand van verdachte aangetroffen agenda en de verklaringen van de mededader [getuige 2].

Verdachte was naast baliemedewerker ook de eigenaar van het bestelbusje van waaruit (onder meer) de hennepplanten/-stekken werden verkocht; hij kocht ook de hennepplanten en de aangeboden geoogste hennep van thuiskwekers in.

Het spreekt voor zich dat het kweken van een softdrug als hennep, zeker in een omvang als hier sprake van is, een strafbaar feit is dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Dit is de reden dat de verstrekking van softdrugs aan banden is gelegd. Door de handelwijze van verdachte wordt dit restrictieve beleid doorkruist.

Daarnaast heeft verdachte gedurende een periode van ruim twee maanden een hennepplantage met 72 hennepplanten geëxploiteerd in zijn woning. Daarbij werd tevens op illegale wijze elektriciteit onttrokken aan het net. De elektrische installatie was ondeskundig aangelegd en leverde dan ook brandgevaar op voor de omgeving.

Het lijkt er sterk op dat verdachte zich in alle voornoemde gevallen op geen enkele manier om de gevolgen van de strafbare feiten en de neveneffecten daarvan heeft bekommerd en dat hij steeds slechts gehandeld heeft uit winstbejag.

Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. Verdachte heeft hiertoe in totaal ongeveer 2850 kilo van verschillende soorten stoffen voorhanden gehad waarvan hij wist dat deze bestemd waren voor het versnijden van cocaïne, heroïne en amfetamine. De productie van en handel in harddrugs en aanverwante producten dient krachtig te worden bestreden in verband met de schadelijkheid voor de volksgezondheid van harddrugs. Het is algemeen bekend dat ook het gebruik van harddrugs een onaanvaardbaar gevaar oplevert voor de volksgezondheid en dat dit direct en indirect oorzaak is van vele vormen van criminaliteit. Verdachte heeft door zijn handelen aangezet tot het in standhouden en verder uitbreiden van de hieraan verwante maatschappelijke problemen.

Ook in dit geval heeft verdachte zich kennelijk niet bekommerd om de gevolgen en was hij slechts uit op winstbejag.

Tot slot heeft verdachte een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. Het onbevoegd voorhanden hebben van een wapen met munitie bergt het risico in zich dat een dergelijk wapen ook zal worden gebruikt, met alle gevolgen van dien. Bovendien veroorzaakt het gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Wapenbezit wordt door de samenleving ten zeerste afgekeurd. Het bovenstaande klemt temeer nu verdachte zich kennelijk – zoals blijkt uit de overige bewezenverklaarde strafbare feiten – ophoudt in het soms gewelddadige drugsmilieu.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst en de omvang van de feiten, slechts een gevangenisstraf passend is.

Bij de bepaling van de duur van die straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden. De rechtbank houdt voorts rekening met de rol van verdachte bij de feiten.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht passend en geboden is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7.2 De inbeslaggenomen voorwerpen

Onder verdachte zijn inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven de navolgende voorwerpen:

- vat met opschrift inositol, 5 stuks (22786);

- vat met opschrift phenacetin, 43 stuks (22787);

- vat met opschrift cafeïne, 31 stuks (22788);

- vat met opschrift lidocaïne, 5 stuks (22789);

- zak met opschrift paracetamol, 15 stuks (22790);

- doos met opschrift paracetamol, 20 stuks (22791);

- jerrycan (blauw) (22792);

- knipbollen hennep, 2 stuks (96557);

- weegschaal (96558);

- strijkijzer (96559);

- rekenmachine (96560);

- kluis met cijferslot (96561);

- auto, kenteken VV-ZP-30, Hyundai H 200 (34385).

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rekenmachine wordt teruggegeven aan verdachte en dat de overige voorwerpen verbeurd worden verklaard.

De raadsman heeft opgemerkt niets te willen zeggen over de inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de rekenmachine nu deze onder verdachte in beslag is genomen.

Voor wat betreft de overige voorwerpen geldt dat de rechtbank aannemelijk acht geworden dat deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en dat de bewezenverklaarde strafbare feiten met betrekking tot of met behulp van deze voorwerpen zijn begaan.

De rechtbank zal dan ook de verbeurdverklaring van voornoemde voorwerpen gelasten.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen berusten op:

- de artikelen 33, 33a, 47, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht;

- de artikelen 3, 10a, 11 en 11a van de Opiumwet;

- de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het tenlastegelegde bewezen op de wijze als hierboven onder 4.1 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) jaar;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak

in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- verklaart verbeurd:

- vat met opschrift inositol, 5 stuks (22786);

- vat met opschrift phenacetin, 43 stuks (22787);

- vat met opschrift cafeïne, 31 stuks (22788);

- vat met opschrift lidocaïne, 5 stuks (22789);

- zak met opschrift paracetamol, 15 stuks (22790);

- doos met opschrift paracetamol, 20 stuks (22791);

- jerrycan (blauw) (22792);

- knipbollen hennep, 2 stuks (96557);

- weegschaal (96558);

- strijkijzer (96559);

- kluis met cijferslot (96561);

- auto, kenteken VV-ZP-30, Hyundai H 200 (34385);

- gelast de teruggave aan verdachte van een rekenmachine (96560).

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter, mr. P. Joele en

mr. M.A.C. Prins, rechters, in tegenwoordigheid van A. Gaal en R. van Andel, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 april 2011.

BIJLAGE 1: De gewijzigde tenlastelegging

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 februari 2008

tot en met 18 januari 2010 te Schelluinen, gemeente Giessenlanden (in of nabij (een) pand(en) aan de [adres 2] en/of de [adres 1]) en/of te Dordrecht ( in (een) woning(en) gelegen aan de [adres 3] en/of de [adres 4] en/of de [adres 5] en/of de [adres 6]) en/of te Meerkerk (in een woning gelegen aan de [adres 7]) en/of

te Vuren, gemeente Lingewaal (in een woning gelegen aan de [adres 8]) en/of te Zwijndrecht (in een woning gelegen aan [adres 9]) en/of te Streefkerk (in een woning gelegen aan de [adres 10])en/of te Leerdam (in een woning gelegen aan de [adres 11]), althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) in de uitoefening van een beroep of een bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) hennepplanten/hennepstekken en/of (gedroogde) hennep(toppen), en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 Opiumwet

art 47 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 8 februari 2008 tot en met 18 januari 2010 te Schelluinen, gemeente Giessenlanden, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen verdachte en/of (een) medeverdachte(n) (te weten [medeverdachte 4]en/of [getuige 2]en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1]en/of [bedrijfsnaam]en/of een of meer anderen) en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het op beroeps- en/of bedrijfsmatige wijze opzettelijk telen en/of bereiden en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken van (een) grote hoeveelhe(i)d(en) hennepplanten en/of delen daarvan, althans middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet bedoelde lijst(en) I en/of II;

art 11a lid 1 Opiumwet

3.

hij op of omstreeks 18 januari 2010 te Rotterdam een (vuur)wapen van categorie III, te weten een pistool (merk: Mauser, kaliber: 9mm), en/of munitie van categorie III, te weten 14, althans een of meerdere kogelpatro(o)n(en) (kaliber: 9 mm), voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

4.

hij op of omstreeks 18 januari 2010 te Vlaardingen, in ieder geval in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en/of amfetamine en/of heroïne en/of (een) ander(e) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden of te bevorderen, (een) stof(fen) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte (telkens) wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

hebbende verdachte 1075 kg, althans (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende fenacetine (phenacetin) en/of 775 kg, althans (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende coffeïne en/of 125 kg, althans (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende lidocaïne en/of 875 kg, althans (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende paracetamol, (telkens) bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van cocaïne en/of amfetamine en/of heroïne en/of (een) ander(e) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voorhanden gehad;

art 10a Opiumwet

5.

hij in of omstreeks de periode van 11 november 2009 tot en met 18 januari 2010 te Rotterdam (in een woning gelegen aan de [adres 12]) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer) 72 hennepplanten. althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, danwel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

6.

hij in of omstreeks de periode van 11 november 2009 tot en met 18 januari 2010 te Rotterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand gelegen aan de [adres 12]heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, geheel of ten dele toebehorende aan Stedin en/of ENECO Netbeheer BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht.