Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BQ2704

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
26-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
11-860018-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de zaak waarin de verdenking bestond dat twee bedrijven in Schelluinen betrokken waren bij wietteelt en -handel heeft de rechtbank Dordrecht vandaag uitspraak gedaan.

Het ene bedrijf (een vennootschap) en de eigenaar daarvan zijn vrijgesproken omdat de rechtbank onvoldoende overtuigend bewijs aanwezig acht.

De eigenaar van het andere bedrijf (een eenmanszaak) is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden. De rechtbank heeft hem schuldig bevonden aan de verkoop van hennepstekken en de inkoop van henneptoppen, deelname aan een criminele organisatie en het witwassen van geld met een criminele herkomst.

Een andere persoon die bij laatstgemeld bedrijf betrokken was, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar. Ook hij werd schuldig bevonden aan de verkoop van hennepstekken en de inkoop van henneptoppen en deelname aan een criminele organisatie, en verder aan vuurwapenbezit, het voorhanden hebben van versnijdingsmiddelen voor harddrugs, het kweken van hennepplanten en de daarmee verband houdende diefstal van elektriciteit.

Tenslotte werd een persoon veroordeeld tot een gevangenisstraf van 95 dagen voor betrokkenheid bij hennepkwekerijen in Streefkerk en Leerdam en voor het bezit van hennep. Van deelname aan een criminele organisatie en het witwassen van geld met een criminele herkomst werd deze verdachte vrijgesproken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/860018-10

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 april 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren in 1980 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres en woonplaats],

hierna: verdachte.

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 31 maart 2011. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 12 april 2011.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven en zoals deze ter terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2. De voorvragen

De gewijzigde dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor feit 3 primair en heeft – de feiten 1, 2 en 3 subsidiair bewezen achtend – gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd een gevangenisstraf van twee jaar met aftrek van voorarrest.

3.2 De verdediging

De raadsman heeft algehele vrijspraak bepleit. Daarnaast heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.

4 De bewijsbeslissing

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

op tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 februari 2008 tot en met 18 januari 2010

te Schelluinen, gemeente Giessenlanden in of nabij een pand aan de [adres 2] telkens tezamen en in vereniging met anderen,telkens in de uitoefening van een bedrijf, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad, hennepplanten/hennepstekken en/of hennep(toppen), zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II

2.

in of omstreeks de periode van 8 februari 2008 tot en met 18 januari 2010 te Schelluinen, gemeente Giessenlanden, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen verdachte en medeverdachten (te weten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2]) en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het op bedrijfsmatige wijze opzettelijk verkopen en/of afleveren van hennepplanten

3.

in of omstreeks de periode van 8 februari 2008 tot en met 18 januari 2010, te Schelluinen, gemeente Giessenlanden, meermalen geldbedragen verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat die geldbedragen -onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.3 Nadere bewijsoverwegingen

4.3.1Feiten 1 en 2

De raadsman heeft wat feit 1 betreft gesteld – kort samengevat – dat er slechts bewijs aanwezig is voor het plegen van het ten laste gelegde in de periode van april tot november 2009.

Wat feit 2 betreft heeft de raadsman gesteld – kort samengevat – dat er geen bewijsmiddelen voorhanden zijn op grond waarvan er sprake is van een georganiseerd, gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband zoals door de wet en de jurisprudentie vereist.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden vastgesteld.

Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat het bedrijf [bedrijfsnaam](hierna ook: het bedrijf), gevestigd aan de [adres 2] te Schelluinen, sinds 8 februari 2008 op naam staat van verdachte en voor zijn rekening wordt gedreven.

Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] blijkt dat zij allen in de periode 8 februari 2008 tot en met 18 januari 2010 hennepplanten/-stekken hebben gekocht bij of via het bedrijf in Schelluinen en dat zij bij de koop zijn geholpen en geadviseerd door [medeverdachte 4] (werknemer bij het bedrijf) en verdachte. Ook de getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij in voornoemde periode hennepplanten/-stekken heeft gekocht bij het bedrijf en dat hij daarover was geïnformeerd door medeverdachte [medeverdachte 2]. Daarnaast hebben de getuigen [getuige 2] en [getuige 4] verklaard dat zij toppen van door hen gekweekte hennepplanten in genoemde periode hebben verkocht aan het bedrijf, met name aan [medeverdachte 4]en verdachte. Tijdens de doorzoeking van het bedrijfspand zijn onder meer een kluis en een verborgen ruimte aangetroffen. In de verborgen ruimte en op andere plaatsen in het pand zijn resten van hennepplanten aangetroffen.

Omtrent de betrokkenheid en rol van verdachte heeft de rechtbank het navolgende vastgesteld.

Uit de verklaringen van de getuige [medeverdachte 4] blijkt dat deze getuige vanaf februari/maart 2008 – zijnde het tijdstip van overname van [bedrijfsnaam] door verdachte – in dienst is bij het bedrijf, dat medeverdachte [medeverdachte 2] al sinds die tijd met grote regelmaat maar ook op onregelmatige tijden aanwezig is in het bedrijf en dat hij ook werkzaam was achter de balie van het bedrijf. Dit laatste wordt bevestigd door de getuigen [getuige 6] en [getuige 7]. Dat medeverdachte [medeverdachte 2] tevens betrokken was bij de verkoop van hennepplanten/-stekken bij [bedrijfsnaam] blijkt uit de verklaringen van [medeverdachte 4]. Hij heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 2] en verdachte in wietplanten doen en dat de hennepplanten/-stekken bij aanlevering in een bestelbus werden geplaatst. Tijdens de doorzoeking is op het terrein van het bedrijf een min of meer voor hennepplanten/-stekken geprepareerde bestelbus aangetroffen, die op naam stond van medeverdachte [medeverdachte 2]. In deze bestelbus zijn henneptoppen en delen van hennepplanten aangetroffen. De getuigen [medeverdachte 4] en [getuige 4], hebben verklaard dat de hennepplanten/-stekken bij verkoop uit de bestelbus werden gehaald. Getuige [medeverdachte 4] heeft tevens verklaard dat verdachte de beschikking had over de sleutel van de bestelbus. Uit het afgeluisterde telefoongesprek van 4 oktober 2009 (dossierpagina 1112) blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 2] en verdachte spreken over de sleutel van het (bestel)busje. Uit het telefoongesprek blijkt dat zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte 2] beschikken over een sleutel van het busje. In het begin van voornoemd telefoongesprek is naar het oordeel van de rechtbank sprake van versluierd taalgebruik als verdachte spreekt over ‘lira’. Uit het totale telefoongesprek blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 2] verdachte op de hoogte brengt dat iemand 75 hennepplanten/-stekken kan leveren en dat verdachte ze alleen wil kopen als hij een klant daarvoor heeft. Uit het telefoongesprek blijkt ook dat verdachte een leidinggevende rol had. Over de onderlinge verhoudingen in/bij het bedrijf heeft getuige [medeverdachte 4] bovendien verklaard dat verdachte de eigenaar en de baas was van het bedrijf, dat verdachte de stekken regelde, dat verdachte hem opdrachten gaf en dat als verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] afwezig waren, getuige [medeverdachte 4] verantwoordelijk was voor de winkel van het bedrijf.

Op grond van hetgeen zij hiervoor heeft vastgesteld, blijkt dat verdachte feit 1 tezamen en in vereniging met medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] heeft gepleegd, zoals hiervoor onder 4.1 onder feit 1 bewezen is verklaard.

Ook blijkt uit het vorenstaande dat er sprake was van een duurzaam en georganiseerd samenwerkingsverband tussen verdachte, medeverdachte [medeverdachte 2]en [medeverdachte 4], zoals vereist in de wet en de jurisprudentie en zoals hiervoor onder 4.1 onder feit 2 bewezen is verklaard.

4.3.2 Feit 3

De raadsman heeft gesteld – kort samengevat – dat er geen bewijs voorhanden is dat verdachte daadwerkelijk gedurende de gehele periode uit misdrijf afkomstige geldbedragen heeft verworven dan wel voorhanden heeft gehad noch dat de aangetroffen geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren.

Uit hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.3.1 heeft vastgesteld en overwogen met betrekking tot feit 1 en de daaruit volgende bewezenverklaring van feit 1 blijkt dat verdachte – kort samengevat – in de periode van 8 februari 2008 tot en met 18 januari 2010 in zijn bedrijf in Schelluinen hennepplanten/-stekken heeft verkocht.

Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte in zijn bedrijf in voornoemde periode ook legale goederen heeft verkocht en daaruit geldbedragen heeft verworven en voorhanden heeft gehad.

Op 18 januari 2010 is tijdens de doorzoeking van het bedrijfspand van verdachte in een kluis een geldbedrag van in totaal

€ 56.608,00 aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat dat geld alleen van hem is, dat hij dat geld heeft verkregen door de verkoop van goederen uit de winkel en dat hij dat geld daarmee in de afgelopen twee jaar heeft opgespaard.

Op dezelfde dag is bij een doorzoeking van de woning van verdachte op verschillende plaatsen een bedrag van in totaal

€ 20.715,00 gevonden. Verdachte heeft hierover verklaard dat het deels ter gelegenheid van zijn huwelijk geschonken geld betreft, deels de opbrengst van een auto van zijn echtgenote betreft, deels opbrengsten van het bedrijf betreft etcetera.

Zoals hiervoor opgenomen heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte naast legale goederen ook verboden goederen heeft verkocht. Het vorenstaande in onderlinge samenhang beschouwd, betekent dit dat verdachte wist dat ten minste een gedeelte van het aangetroffen geldbedrag van € 56.608,00 dat verdachte heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad onmiddellijk of middellijk van een misdrijf afkomstig was.

Ten aanzien van het bedrag van € 20.715,00 geldt dat niet uitgesloten kan worden dat het voor een deel uit legale bronnen afkomstig is. Voor een ander deel van het bedrag geldt ook hier dat het de opbrengst betreft van de verkoop van verboden goederen en dat verdachte dat wist.

De rechtbank acht feit 3 primair dan ook wettig en overtuigend bewezen, zulks met uitzondering van het bestanddeel “van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt”, nu ten aanzien van dat bestanddeel geen bewijsmiddel voorhanden is.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

1. MEDEPLEGEN VAN: IN DE UITOEFENING VAN EEN BEDRIJF OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3, ONDER B, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD

en/of

MEDEPLEGEN VAN: OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 3, ONDER C, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD;

2. DEELNEMEN AAN EEN ORGANISATIE DIE TOT OOGMERK HEEFT HET PLEGEN VAN EEN MISDRIJF ALS BEDOELD IN ARTIKEL 11, DERDE LID, VAN DE OPIUMWET;

3. WITWASSEN, MEERMALEN GEPLEEGD.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte en zijn mededaders hebben gedurende een periode van bijna twee jaar deelgenomen aan een criminele organisatie die tot doel had het bedrijfsmatig opzettelijk verkopen en afleveren van hennepplanten/-stekken. Daarnaast hebben zij in die periode door thuiskwekers geoogste hennep ingekocht.

Verdachte heeft werkzaamheden verricht ten behoeve van genoemde organisatie die zich op grote schaal bezighield met het illegaal verkopen van hennepplanten/-stekken.

Dit blijkt uit de in het bedrijfspand van verdachte aangetroffen agenda en de verklaringen van de mededader [medeverdachte 4]. Verdachte had in de organisatie een leidende rol. Hij was de eigenaar van het bedrijf en de baas in het bedrijfspand; hij kocht ook de hennepplanten en de aangeboden geoogste hennep van thuiskwekers in.

Het spreekt voor zich dat het kweken van een softdrug als hennep, zeker in een omvang als hier sprake van is, een strafbaar feit is dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Dit is de reden dat de verstrekking van softdrugs aan banden is gelegd. Door de handelwijze van verdachte wordt dit restrictieve beleid doorkruist. Verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen door een geldbedrag afkomstig uit de illegale verkoop van hennepplanten/-stekken te verwerven en voorhanden te hebben.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst en de omvang van de feiten, slechts een gevangenisstraf passend is.

Bij de bepaling van de duur van die straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank houdt voorts rekening met de prominente rol van verdachte bij de feiten.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen berusten op de artikelen 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11 en 11a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het tenlastegelegde bewezen op de wijze als hierboven onder 4.1 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van hetgeen meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak

in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter, mr. P. Joele en

mr. M.A.C. Prins, rechters, in tegenwoordigheid van A. Gaal, en R. van Andel, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 april 2011.

BIJLAGE 1: De gewijzigde tenlastelegging

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 februari 2008

tot en met 18 januari 2010

te Schelluinen, gemeente Giessenlanden (in of nabij (een) pand(en) aan de [adres1] en/of de [adres 2]) en/of

te Dordrecht ( in (een) woning(en) gelegen aan de [adres 3] en/of de [adres 4] en/of de [adres 5] en/of de [adres 6] ) en/of

te Meerkerk (in een woning gelegen aan de [adres 7]) en/of te Vuren, gemeente Lingewaal (in een woning gelegen aan de [adres 8]) en/of te Zwijndrecht (in een woning gelegen aan het [adres 9]) en/of te Streefkerk (in een woning gelegen aan de [adres 10] )en/of te Leerdam (in een woning gelegen aan de [adres 11]), althans in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) in de uitoefening van een beroep of een bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) hennepplanten/hennepstekken en/of (gedroogde) hennep(toppen), en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 Opiumwet

art 47 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 8 februari 2008 tot en met 18 januari 2010 te Schelluinen, gemeente Giessenlanden, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen verdachte en/of (een) medeverdachte(n) (te weten [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [bedrijfsnaam] en/of een of meer anderen) en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het op beroeps- en/of bedrijfsmatige wijze opzettelijk telen en/of bereiden en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken van (een) grote hoeveelhe(i)d(en) hennepplanten en/of delen daarvan, althans middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet bedoelde lijst(en) I en/of II;

art 11a lid 1 Opiumwet

3.

hij in of omstreeks de periode van 8 februari 2008 tot en met 18 januari 2010,

te Schelluinen, gemeente Giessenlanden, en/of te Rotterdam, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, meermalen geldbedragen (waaronder (een) geldbedrag(en) van (ongeveer) 20.715 euro en/of 56.608 euro) verworven en/of voorhanden gehad, terwijl hij wist dat die geldbedragen -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf;

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 Wetboek van Strafrecht

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 8 februari 2008 tot en met 18 januari 2010,

te Schelluinen, gemeente Giessenlanden, en/of te Rotterdam, althans in Nederland,

- van een (een) voorwerp(en) , te weten (een) geldbedrag van (ongeveer) 56.608 euro, de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats heeft verborgen en/of verhuld, door dit geldbedrag in een verborgen kluis te bewaren en/of

- (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) (waaronder (een) geldbedrag(en) van (ongeveer) 20.715 euro en/of 56.608 euro), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) (waaronder (een) geldbedrag(en) van (ongeveer) 20.715 euro en/of 56.608 euro), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren/was uit enig misdrijf;

art 420bis Wetboek van Strafrecht.