Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BQ1331

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
15-04-2011
Zaaknummer
86469 / HA ZA 10-2316
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontwikkelaar spreekt gemeente aan op grond van onrechtmatige daad omdat twee ambtenaren haar niet hebben gewaarschuwd dat het te ontwikkelem bouwplan strijdig was met een bestemmingsplanvoorschrift. De vergunning is definitief geweigerd. Niet onrechtmatig omdat de ambtenaren tot de indiening van het schetsplan niet op de hoogte konden zijn van het bouwplan en de gestelde uitlating van één van de ambtenaren vlak voor de indiening van de definitieve aanvraag is ook niet onrechtmatig te noemen omdat die het college van B&W niet bindt en de ontwikkelaar niet de verantwoordelijkheid ontneemt voor de keuzes die zij bij ontwikkeling van het plan maakte.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2011/76
JA 2011/85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 86469 / HA ZA 10-2316

Vonnis van 13 april 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

eiseres,

advocaat mr. N.Th. ter Haar Romeny,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE DORDRECHT,

zetelend te Dordrecht,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. Jacobse.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 augustus 2010,

- het proces-verbaal van comparitie van 22 november 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] ontwikkelde voor haar cliënte Fabory Group een bouwplan voor een nevenvestiging met regionale groothandel in Dordrecht.

2.2. Op 16 juni 2006 sprak de heer [betrokkene 1] van [eiseres] daartoe op het ondernemersloket van de gemeente met de heer [betrokkene 2], die op verzoek van [eiseres] namens de regionale ontwikkelingsmaatschappij Drechtsteden (hierna: ROM-D) een perceel op het industrieterrein Dordtse Kil III, op de hoek Robijn/Heliotroopring, reserveerde.

2.3. Door ROM-D is als voorwaarde gesteld dat [eiseres] binnen drie maanden een voor vergunningverlening vatbare bouwvergunningaanvraag bij de gemeente moest indienen.

2.4. [eiseres] heeft – na contact daarover met de heer [betrokkene 3] van het ondernemersloket – op 11 oktober 2006 een schetsplan van het bouwproject aan de gemeente gezonden en dit op 24 januari 2007 nogmaals ingediend.

2.5. Op 13 maart 2007 heeft er een bespreking plaatsgevonden op het kantoor van [eiseres] naar aanleiding van het ingediende schetsplan, waarbij ook de heer [betrokkene 3] van het ondernemersloket aanwezig was.

2.6. Op 10 april 2007 heeft [eiseres] een aanvraag voor een bouwvergunning eerste fase ingediend, waarna [eiseres] bij brief van 1 juni 2007 namens het college van burgemeester en wethouders – onder meer – is geïnformeerd dat het bouwplan niet voldoet aan de eisen van het bestemmingsplan, dat aan het bouwplan alleen medewerking zou kunnen worden verleend als op grond van artikel 5, lid 4 onder 4 van de voorschriften van het bestemmingsplan vrijstelling wordt verleend maar dat die vrijstelling niet zal worden verleend.

2.7. Het college van burgemeester en wethouders heeft de door [eiseres] gevraagde bouwvergunning bij besluit van 15 augustus 2007 geweigerd. [eiseres] heeft tegen dit besluit nog bezwaar aangetekend doch de bezwaarprocedure niet doorgezet.

3. De vordering

3.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank de gemeente bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot vergoeding aan [eiseres] van de in de dagvaarding met name onder 33 en 34 vermelde schadecomponenten, deze schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van de gemeente in de kosten van het geding.

3.2. Daartoe stelt [eiseres] – kort weergegeven – dat zij als gevolg van onjuiste voorlichting door het ondernemersloket van de gemeente gedurende ongeveer twaalf maanden kosten heeft gemaakt voor de ontwikkeling van een bouwplan ten behoeve van de vestiging van een nevenvestiging van Fabory Group, waarvoor de bouwvergunning is geweigerd bij besluit van 15 augustus 2007 en dat zij voorts op grond van de onjuiste voorlichting verplichtingen is aangegaan met derden die zij bij juiste voorlichting niet zou zijn aangegaan. Zij stelt voorts dat zij in geval van behoorlijke informatieverschaffing en advisering door de gemeente c.q. het Ondernemersloket een plan zou hebben ingediend dat wel tot de nodige omzet en winst zou hebben geleid. Zij stelt onder meer schade te leiden doordat zij het object niet kan verkopen aan derden. Fabory Group heeft de overeenkomst met [eiseres] ontbonden wegens wanprestatie en dat heeft bovendien de goede naam van [eiseres] geschaad.

3.3. [eiseres] stelt dat zij onjuist is voorgelicht over de bouwmogelijkheden op het door haar bij de ROM-D gereserveerde bouwperceel, dat zij naar aanleiding van een door haar ingediend schetsplan niet is gewaarschuwd dat het bouwplan niet zou voldoen aan de eisen van het bestemmingsplan en zij stelt bovendien dat zij op de deskundigheid van het Ondernemersloket en haar medewerkers mocht vertrouwen gelet op de mededelingen die het Ondernemersloket deed.

4. Het verweer

4.1. De gemeente concludeert dat de vorderingen van [eiseres] niet-ontvankelijk worden verklaard, althans dat deze worden afgewezen met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding en met verklaring dat deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal zijn, alsmede met bepaling dat over de proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn vanaf de datum waarop vonnis wordt gewezen, een en ander vermeerderd met de nakosten begroot op € 199,- bij betekening en op € 131,- zonder betekening.

4.2. De gemeente stelt daartoe dat het ondernemersloket en haar medewerkers slechts als intermediair hebben gefungeerd en dat de verantwoordelijkheid voor de inhoud van de aanvraag bij [eiseres] ligt. Zij had zelf het bestemmingsplan moeten kennen voordat zij een bouwaanvraag indiende.

Met het verwijt van [eiseres] dat de heer [betrokkene 3] van het ondernemersloket ten onrechte heeft gezegd dat de bouwvergunningaanvraag met succes zou kunnen worden ingediend stelt [eiseres] niet dat haar is verteld dat het indienen van de aanvraag ook tot verlening van de vergunning zou leiden. [eiseres] heeft met de door haar gestelde uitlatingen van medewerkers van het ondernemersloket geen aan het bestuursorgaan toe te rekenen handelen gesteld dat zodanig is dat [eiseres] erop mocht vertrouwen dat de bouwvergunning zou worden verleend.

5. De beoordeling

5.1. Tussen partijen staat vast dat uit het bestemmingsplan volgt dat ter plaatse waar [eiseres] het bouwplan ontwikkelde, een zogenaamde voorgevelrooilijn geldt die op 11 meter van de weg is gelegen. Tussen partijen staat ook vast de voorschriften van het bestemmingsplan – artikel 5, lid 4, onder 4 – onder bepaalde voorwaarden een vrijstelling van deze regel mogelijk maken.

Naar de rechtbank uit de stellingen van [eiseres] begrijpt, volgt volgens haar uit een samenstel van gedragingen van ambtenaren van de gemeente dat de gemeente jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld door haar niet te behoeden voor het aangaan van verplichtingen ter zake van de aankoop van het perceel grond ten behoeve van haar cliënte en door haar niet te waarschuwen dat het door [eiseres] ontwikkelde bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan. [eiseres] vindt kennelijk dat de twee ambtenaren met wie zij contact heeft gehad hem eigener beweging hadden moeten waarschuwen dat het te ontwikkelen bouwplan in strijd zou kunnen zijn met de voorschriften van het bestemmingsplan aangaande de minimaal aan te houden voorgevelrooilijn.

[eiseres] heeft niets gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de betrokken ambtenaren voorafgaand aan de eerste indiening van het schetsplan – volgens [eiseres] in oktober 2006 – op de hoogte waren van de precieze plannen van [eiseres] aangaande de op het door haar bij

ROM-D gereserveerde perceel – en met name niet dat zij wisten dat het door of voor [eiseres] bedachte bouwplan de voorgevelrooilijn zou overschrijden. Niet valt in te zien welk verwijt de gemeente dan ook zou kunnen treffen ter zake van de voorlichting aan [eiseres] voorafgaand aan de eerste indiening van het schetsplan.

5.3. Voorop staat dat diegene die, zoals in casu [eiseres], een bouwplan ontwikkelt, kennis dient te nemen van de (wettelijke) voorschriften waaraan dat bouwplan dient te voldoen. Onder meer de voorschriften van het bestemmingsplan zijn zulke voorschriften.

Hierbij is van belang dat van [eiseres], als – al dan niet beginnend – ontwikkelaar, mag worden verwacht dat zij zich terdege informeert of laat informeren over het bestemmingsplan en andere (wettelijke) voorschriften en haar keuzes afstemt op de mogelijkheden die de voorschriften geven. De gevolgen van dergelijke keuzes zijn in beginsel voor eigen rekening en risico.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat de omstandigheid dat de ambtenaren van de gemeente [eiseres] niet eigener beweging hebben gewaarschuwd dat het bouwplan niet voldeed aan de minimaal aan te houden voorgevelrooilijn, bezwaarlijk als onrechtmatig kan worden beschouwd. Ook de stelling van [eiseres] dat zij juist op advies van de heer [betrokkene 3] van het ondernemersloket eerst een schetsplan heeft gemaakt en dat hij daarbij heeft aangegeven dat het aan te bevelen was om het schetsplan in goed overleg met de gemeente op te stellen opdat de procedure vlekkeloos zou verlopen, maakt dat niet anders. Immers, ook dan blijven de keuzes die [eiseres] maakt voor haar rekening en risico. Er zijn geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken die de conclusie zouden rechtvaardigen dat de keuze die [eiseres] heeft gemaakt om een bouwplan te doen schetsen waarvan de voorgevelrooilijn op minder dan 11 meter van de weg was gelegen, niet de hare was.

5.4. [eiseres] stelt dat de heer [betrokkene 3] haar directeur De [betrokkene 1] in een bespreking op 13 maart 2007, nadat zij eerder op 11 oktober 2006 en op 24 januari 2007 het schetsontwerp voor het bouwplan bij de gemeente had ingediend, heeft meegedeeld dat “er bestemmingsplantechnisch geen bezwaren zijn voor het verlenen van bouwvergunning en dat de bouwaanvraag met betrekking tot het bouwplan dan ook met succes kan worden ingediend.”

De gemeente stelt hier tegenover dat de heer [betrokkene 3] “omtrent de kans van slagen van een eventueel in te dienen bouwaanvraag gelet op de door hem overhandigde e-mails van 7 februari en 26 januari 2007 een positieve indicatie heeft gegeven, daarbij uiteraard veronderstellend dat IZ [eiseres] de helder uit het bestemmingsplan en uit de door [betrokkene 3] toegezonden reserveringstekening blijkende afstand van 11 m. in acht zou nemen.” Voorts stelt de gemeente dat de heer [betrokkene 3] niets heeft “gezegd over de vraag of het bouwplan voldeed aan de bebouwingsvoorschriften.”

Hiermee betwist de gemeente dat de heer [betrokkene 3] zou hebben gezegd dat “er bestemmingsplantechnisch geen bezwaren zijn voor het verlenen van bouwvergunning” zodat er aanleiding zou kunnen zijn [eiseres] te belasten met het bewijs dat de heer [betrokkene 3] deze uitspraak heeft gedaan. Daartoe is echter alleen aanleiding indien de door [eiseres] gesteld uitlating op zichzelf of in samenhang met andere feiten en omstandigheden een onrechtmatig handelen zou kunnen opleveren.

Daarvan is geen sprake. [eiseres] had uit de door haar gestelde uitspraken niet mogen begrijpen dat het zeker was dat zij de vergunning verleend zou krijgen. [eiseres] had moeten begrijpen, dat een dergelijke uitspraak, ook indien zij in de door [eiseres] gestelde woorden is gedaan, het bestuursorgaan dat op de aanvraag beslist niet bindt. Immers zou daarmee volledig worden miskend dat het college van burgemeester en wethouders het orgaan is, dat hierover uiteindelijk in alle vrijheid beslist. Voorts zou een dergelijke uitspraak [eiseres] niet de verantwoordelijkheid ontnemen voor de inhoud van de vergunningaanvraag en de afstemming van haar bouwplannen op de daarvoor relevante voorschriften.

5.5. Gelet op het voorgaande zal de vordering van [eiseres] worden afgewezen.

5.6. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:

- griffierecht 263,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punt × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1167,00

5.7. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook op de navolgende wijze worden toegewezen.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. wijst de vorderingen af,

6.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op EUR 1167,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

6.3. veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131 aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaats-gevonden en de veroordeelde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 68 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

6.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling

uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. Broeders en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2011.?