Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BP8909

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
24-03-2011
Zaaknummer
11/870472-10 en 11/860105-11 (ttz.gev)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dordrecht, strafrecht, 22 maart 2011- De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 jaar en TBS met dwangverpleging vanwege onder meer moord op zijn overbuurman. Hij heeft dit op gruwelijke wijze gedaan door het slachtoffer veelvuldig met een hamer op het hoofd te slaan, te wurgen en een aantal keer te steken met een mes. Verdachte heeft daarna, onder meer om zichzelf verborgen te houden, ingebroken bij een andere buurman. In de dagen dat de politie bezig was met het onderzoek naar de moord, heeft verdachte ingebroken bij een bedrijf en in een schuur en daar goederen weggenomen. Een aantal weken voor de moord heeft verdachte geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan zijn oud-werkgever en heeft hij ook ingebroken bij het eerder genoemde bedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 11/870472-10 + 11/860105-11 (ttz.gev) [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 maart 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] [in 1977],

wonende te [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de PI Dordrecht, te Dordrecht,

hierna: verdachte.

Raadsman mr. M.R. Dill, advocaat te Hendrik-Ido-Ambacht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 16 december 2010 en 8 maart 2011, waarbij de officier van justitie mr. W.J.A. Struik, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter terechtzitting zijn als deskundigen gehoord drs. A.H. Eenhoorn (psycholoog) en dr. A.J.W.M. Trompenaars (psychiater). Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de vorderingen van de benadeelde partijen. De voorzitter heeft de schriftelijke slachtofferverklaring van de nabestaanden van [slachtoffer 1] en de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] ter zitting voorgelezen.

Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd. De rechtbank heeft de feiten die in de dagvaardingen zijn opgenomen, van een doorlopende nummering voorzien. Zij zal die nummering in dit vonnis aanhouden.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is aangepast overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1.

op 3 september 2010 te Dordrecht, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer 1] heeft gedood;

Feit 2.

op 24 juli 2010 te Zwijndrecht heeft geprobeerd [slachtoffer 2] te doden, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel (subsidiair) toen en daar die [slachtoffer 2] heeft bedreigd, dan wel (meer subsidiair) toen en daar een ruit van de auto van die [slachtoffer 2] heeft vernield;

Feit 3.

in de periode van 3 september 2010 tot en met 6 september 2010 te Dordrecht heeft ingebroken in de woning van [slachtoffer 3] en uit die woning een jas en een paar schoenen heeft gestolen;

Feit 4.

in de periode van 5 augustus 2010 tot en met 6 augustus 2010 te Zwijndrecht heeft ingebroken in een bedrijfspand van [bedrijfsnaam 1] en daaruit gereedschap, een geldkistje met geld, drank en voedsel heeft gestolen;

Feit 5.

in de periode van 11 september 2010 tot en met 13 september 2010 te Zwijndrecht heeft ingebroken in een bedrijfspand van [bedrijfsnaam 1] en daaruit kleding, mobiele telefoons, rookwaar, drank en voedsel heeft gestolen;

Feit 6.

in de periode van 7 september 2010 tot en met 12 september 2010 te Dordrecht heeft ingebroken in een berging en daaruit een fiets van [slachtoffer 4] heeft gestolen.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting het volgende standpunt ingenomen over het bewijs.

Feit 1:

De officier van justitie acht moord wettig en overtuigend bewezen. Hij baseert dit op de verklaringen van verdachte afgelegd bij de politie en het rapport van de patholoog.

Feit 2:

De officier van justitie acht poging tot doodslag (primair ten laste gelegd) bewezen. Hij baseert dit op de verklaringen van [slachtoffer 2] (hierna: aangever [slachtoffer 2]) en verdachte.

Feiten 3, 4, 5 en 6:

De officier van justitie acht de feiten 3, 4, 5 en 6 eveneens bewezen en hij baseert dit op de aangiften, de bekennende verklaringen van verdachte en camerabeelden (feiten 4 en 5).

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft -naast de hierna te noemen verweren- voor feit 1 (moord) primair ontslag van alle rechtsvervolging en subsidiair vrijspraak bepleit. Tevens heeft de verdediging voor feit 2 primair (poging doodslag, dan wel zware mishandeling) en subsidiair (bedreiging) vrijspraak bepleit vanwege onvoldoende bewijs. De raadsman heeft aangevoerd dat het meer subsidiair ten laste gelegde feit (vernieling) wel bewezen kan worden verklaard, nu dit feit ook door verdachte is bekend. Feit 5 (inbraak [bedrijfsnaam 1]) wordt weliswaar door verdachte bekend, maar niet in de ten laste gelegde periode, waardoor vrijspraak dient te volgen volgens de verdediging. Ten aanzien van de feiten 3, 4 en 6 heeft de verdediging geen verweer gevoerd, omdat verdachte deze feiten heeft bekend.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Het verweer ten aanzien van feit 1 (moord of doodslag [slachtoffer 1])

De verdediging heeft betoogd dat vrijspraak moet volgen voor moord, omdat de 'voorbedachte raad' niet bewezen kan worden. Ter onderbouwing is aangevoerd dat er geen sprake was van een (vooropgezet) plan in die richting. De verdachte heeft verklaard dat hij de ander "alleen maar" een gebroken neus en blauwe ogen wilde slaan. Als hij hem had willen doden, dan had hij geen kleine hamer, maar bijvoorbeeld een keukenmes meegenomen. De verdediging heeft verwezen naar een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (LJN BO0967) waarin is overwogen dat het slaan met een kleine hamer in de richting van het hoofd onvoldoende is om te komen tot een (poging tot) doodslag, maar wel voldoende is voor een poging tot zware mishandeling.

De verdediging heeft tevens aangevoerd dat verdachte wel heeft nagedacht over de gevolgen van zijn handelen, maar er niet bij stil gestaan dat dit zou kunnen leiden tot de dood van het slachtoffer [slachtoffer 1] (hierna: het slachtoffer). Volgens de verdediging heeft verdachte niet nagedacht bij de verwurging en het toebrengen van de messteken. Verdachte heeft verklaard dat hij een black-out heeft gehad danwel in shock te hebben verkeerd. Het toebrengen van de verwondingen en de verwurging heeft hij in een opwelling gedaan waarbij er sprake was van een zodanig hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door het uitdagende, levensbedreigende gedrag van het slachtoffer, dat er geen ruimte was voor een moment van bezinning.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer. Hij vindt dat de 'voorbedachte raad' kan worden gebaseerd op het feit dat verdachte zich al geruime tijd eerder met de hamer had bewapend. Hierbij was sprake van het (juridisch) opzet, gericht op het toebrengen van dodelijk letsel. Volgens de officier van justitie had verdachte al die tijd de mogelijkheid om na te denken over wat hij van plan was en wat de gevolgen van zijn handelen konden zijn. Verdachte heeft zelf de confrontatie met het slachtoffer gezocht en de aanval doorgezet ondanks het feit dat hij zag dat het slachtoffer een mes in zijn hand had. Tevens kunnen zowel de aard en de duur van de uitvoeringshandelingen, als de verklaringen van verdachte over de wijze waarop hij het slachtoffer heeft gedood, leiden tot verwerping van het verweer.

De rechtbank overweegt het volgende:

Op 3 september 2010 kreeg de politie een melding om naar het flatgebouw aan de [adres 1] te Dordrecht te gaan, omdat er een plas bloed voor de deur van [huisnummer] (rechtbank: de woning van het slachtoffer) was aangetroffen. Toen de politie ter plaatse kwam, verklaarde de meldster dat zij klappen had gehoord en door het kijkgaatje van de deur een persoon had gezien die slaande bewegingen maakte richting de grond. Ze verklaarde dat zij vervolgens had gehoord dat de voordeur van de woning van de buurman (rechtbank: het slachtoffer) werd geopend en dat zij aansluitend klappen in de hal van de woning van de buurman had gehoord. Ze had daarna haar voordeur geopend en zag een plas bloed tussen haar voordeur en die van het slachtoffer op de grond liggen. De Unit forensische opsporing heeft naar aanleiding van haar verklaring de restanten van de eerder genoemde plas bloed nader onderzocht en geconstateerd dat het aangetroffen bloed menselijk bloed betrof. Vervolgens heeft de politie de woning met [huisnummer] doorzocht en werd een stoffelijk overschot ontdekt in de badkamer. In de voorzijde van de hals stak een groot model keukenmes. Op de bank werd een hamer aangetroffen. Het keukenmes en de hamer zijn door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) onderzocht. Op de hamer is DNA-materiaal van zowel verdachte als van het slachtoffer aangetroffen en op het keukenmes alleen van het slachtoffer.

Diezelfde avond heeft een arts de dood van het slachtoffer vastgesteld. De uitslag van het dactyloscopische onderzoek was dat de vingerafdrukken van het slachtoffer overeenkwamen met die van [slachtoffer 1].

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij het slachtoffer meermalen met een hamer op zijn hoofd heeft geslagen. Vervolgens heeft verdachte zijn arm om diens nek gedaan en het slachtoffer gewurgd. Dit deed hij om het gorgelend geluid dat het slachtoffer maakte te stoppen. Daarna heeft verdachte het slachtoffer nog drie keer gestoken met een groot mes, links, rechts en in de keel. Dit deed verdachte blijkens zijn verklaring om zeker te weten dat de ander dood was. De patholoog komt in zijn rapport tot de conclusie dat het intreden van de dood goed kan worden verklaard door verwikkelingen van heftig botsend stomp geweld op het hoofd en klievend en/of snijdend en perforerend geweld op de hals, elk op zich dan wel in combinatie.

Hiermee staat voor de rechtbank vast dat verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd. Het gestelde aanvankelijke voornemen de ander (zwaar) te mishandelen, heeft later plaats gemaakt voor de wens de ander te doden.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat het slaan met een kleine hamer niet kan leiden tot doodslag of een poging daartoe. Afgezien van het feit dat hier naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is geweest van een kleine hamer, heeft de werkelijkheid in dit geval anders uitgewezen. Dat de betreffende hamer wel geschikt is om een ander van het leven te beroven blijkt uit de verklaring van verdachte dat hij het slachtoffer met de hamer op het hoofd heeft geslagen en de conclusie van de patholoog dat ook door verwikkelingen van botsend stomp geweld op het hoofd op zich het intreden van de dood kan worden verklaard.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.

Er is sprake van voorbedachte raad, indien het handelen van verdachte niet het gevolg is van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging en verdachte de tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Het is niet nodig dat de verdachte daadwerkelijk hierover heeft nagedacht; het gaat er om dat de verdachte de reële gelegenheid hiertoe heeft gehad. Voor het bewijs van voorbedachte raad is voldoende dat er een gelegenheid tot bezinning is geweest die niet is verstoord door een hevige gemoedsbeweging die eerder eventueel de impuls voor die beslissing was.

Naar aanleiding van de vraag of er sprake is van voorbedachte raad heeft de rechtbank aan de hand van de verklaringen van verdachte de navolgende feiten en omstandigheden (chronologisch) vastgesteld.

Verdachte heeft verklaard dat hij die avond door zijn keukenraam keek en zag dat het grote licht in de hal van de woning van het slachtoffer aan stond. Vanuit zijn keuken kon verdachte de voordeur van de woning van het slachtoffer zien. Verdachte wist dat als het slachtoffer wegging hij, zoals gebruikelijk, zijn lamp aan zou doen. Verdachte heeft zijn voordeur op een kier gezet zodat hij kon horen wat er gebeurde. Hij heeft een, naar eigen zeggen, klein hamertje gepakt. Hij pakte deze voor zijn veiligheid, want verdachte - zo verkaart hij - wist niet met wat het slachtoffer naar buiten zou komen. Verdachte hoorde dat er een deur open en weer dicht ging en is vervolgens naar buiten gegaan, de gang op. Verdachte zag het slachtoffer op de gang en is op hem afgelopen. Het was niet de bedoeling dat het slachtoffer hem aan zag komen. Toen verdachte op het slachtoffer afliep had hij het hamertje in zijn linkerhand. Verdachte heeft verklaard dat hij een mes in de hand van het slachtoffer zag. Verdachte heeft toen een moment geaarzeld of hij door zou lopen. Hij besloot van wel, omdat hij niet weer, zoals eerder gebeurd was, de confrontatie uit de weg wilde gaan. Verdachte liep door en heeft daarbij de hamer in zijn rechterhand genomen.

In deze fase van de "aanval", zoals verdachte het heeft genoemd, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank welbewust nagedacht over hetgeen hij ging doen. Hij heeft besloten verder op het slachtoffer af te lopen. Ondanks het feit dat hij een mes stelt te hebben gezien bij het slachtoffer, heeft hij de aanval doorgezet.

Verdachte heeft, het slachtoffer genaderd, hem een klap op zijn hoofd gegeven. Het slachtoffer stond met zijn gelaat naar en voor verdachte, toen verdachte hem sloeg. Hierdoor draaide het slachtoffer een kwart zijwaarts. Tot verdachtes verbazing viel het slachtoffer niet direct neer. Verdachte is toen om het slachtoffer heengelopen en sloeg hem op zijn achterhoofd. Toen ging het slachtoffer volgens verdachte wel knock-out.

Ook tussen de eerste en tweede klap met de hamer was er naar het oordeel van de rechtbank gezien het tijdsverloop een moment waarop verdachte zich heeft kunnen bezinnen op zijn handelen. Ook blijkt dat verdachte zich op dat moment bovendien bewust was van zijn handelen en de gevolgen daarvan.

Verdachte heeft vervolgens de voordeur van de woning van het slachtoffer open gedaan met de sleutel die nog in het slot zat. Verdachte heeft verklaard dat hij schrok van al het bloed. Hij heeft de deur geopend, het slachtoffer opgepakt en zo ver als hij kon naar binnen gegooid. Het slachtoffer kwam met zijn voeten in de woonkamer en met zijn hoofd in het halletje terecht. Verdachte heeft ook een deurmat de woonkamer ingegooid, omdat er een grote bloedvlek op zat.

Het slachtoffer klauterde weer op, maar hij deed verder niets volgens verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij hem knock-out wilde hebben, omdat ze in de woning waren. Verdachte heeft het slachtoffer, dat dus overeind kwam, daarop neergeslagen met het hamertje. Verdachte denkt dat hij het slachtoffer zowel buiten als binnen in de woning tussen de 5 en 15 keer geslagen heeft. Nadat verdachte het slachtoffer weer had neergeslagen, heeft hij het hamertje weggelegd.

Ook voordat verdachte binnen (en dus voor de derde keer) de hamer ter hand nam, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank ruimschoots de tijd gehad zich te beraden. Verdachte reageerde op het feit dat het slachtoffer overeind kwam en kan aangeven met welk doel hij vervolgens de ander weer sloeg met de hamer. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte niet alleen de gelegenheid had zich te beraden, maar dit daadwerkelijk heeft gedaan.

Toen het slachtoffer nogmaals overeind kwam, heeft verdachte hem gewurgd.

Verdachte heeft daarover verklaard: "Toen ging hij zitten, de buurman, op zijn knieën en ik hoorde dat hij een snurkend en gorgelend geluid maakte. Ik heb toen mijn arm om zijn nek gedaan en hem gewurgd, zodat het geluid zou ophouden. Dat gebeurde uiteindelijk ook, het geluid hield op. Dat was voordat ik mijn jas uitdeed. Ik deed dit met rechts, omdat hij een heel vies geluid maakte, een gorgelend, snurkend geluid. Ik deed dit zo'n 10 seconden. Als u mij vraagt of hij toen nog leefde zeg ik ja. Voor de wurggreep wel. Daarna hield het geluid op. Ik heb toen mijn jas en shirt uitgedaan en toen hem in de badkamer gelegd omdat hij zo bloedde."

De rechtbank stelt vast dat de verdachte wederom reageerde op het gedrag van het slachtoffer en kan uitleggen met welk doel hij tot verwurging overgaat. Hieruit volgt dat verdachte zich ook voor en tijdens de verwurging op zijn daad heeft beraden.

Verdachte heeft verklaard dat hij vervolgens met een witte handdoek die op de wasmachine lag de bloedvlek op de gang heeft weggedipt, omdat er elk moment iemand kon komen.

Het steken heeft verdachte als laatste gedaan. Verdachte is even naar zijn woning geweest en daarna terug naar het slachtoffer gegaan. Toen heeft verdachte eerst een broodmesje gepakt, dat afbrak toen verdachte daarmee in de maag van het slachtoffer op iets hards heeft gestoken. Daarna heeft hij het keukenmes gepakt en daarmee gestoken op "de meest lugubere plekken" van het lichaam van het slachtoffer. En volgens verdachte ging dat verbazend makkelijk: "alsof ik in een ballon met water stak dacht ik nog bij mijzelf. Als een warm mes door boter heen." Verdachte heeft hem toen drie keer gestoken, links, rechts en in zijn keel. Op de vraag van de politie waar het mes is gebleven, weet verdachte te antwoorden dat het in zijn keel was. Verdachte heeft het slachtoffer gestoken om er zeker van te zijn dat het slachtoffer zich niet dood hield.

Uit deze laatste uiteenzetting volgt dat verdachte ook voorafgaand en gedurende het toebrengen van de messteken, de tijd had over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Immers, verdachte heeft de woning verlaten, is teruggekeerd, en heeft de tijd gehad achtereenvolgens twee messen te hanteren en kan steeds aangeven waarom hij zo handelde. Ook blijkt uit hieruit dat hij wist wat hij deed toen hij met het mes stak.

De rechtbank acht voorbedachte raad op basis van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen. Er zijn verschillende momenten aan te wijzen in de opeenvolgende gebeurtenissen (het herhaaldelijk slaan met een hamer, de verwurging en het steken met een mes) waar sprake was van een moment voor bezinning. Dat verdachte handelde vanuit een hevige gemoedsbeweging, wordt door de gang van zaken zoals hiervoor beschreven weersproken. Feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn niet aannemelijk geworden.

4.3.2 Het verweer ten aanzien van feit 2

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is voor de poging tot doodslag en de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel zware mishandeling en dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Verdachte heeft alleen schade willen toebrengen aan de auto van het slachtoffer.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat door met een zwaar voorwerp (zoals de met stenen verzwaarde kous) naar een voorbijrijdende auto te slaan, aan de bestuurderskant, op hoofdhoogte, verdachte het slachtoffer tegen het hoofd had kunnen raken. Verdachte heeft daarmee de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn handelen tot de dood van het slachtoffer had kunnen leiden, aldus de officier van justitie. Dat verdachte ook de intentie had het slachtoffer te doden blijkt wel uit de verklaring van verdachte dat hij liever zou zitten voor de moord op de aangever [slachtoffer 2], dan het slachtoffer van feit 1. Hiermee kan volgens de officier van justitie de poging tot doodslag wettig en overtuigend worden bewezen.

De rechtbank overweegt als volgt.

[slachtoffer 2] (hierna: aangever) heeft verklaard dat hij op 24 juli 2010 te Zwijndrecht aan het werk was. Hij reed in zijn auto en zag verdachte. Aangever zag dat verdachte vanuit zijn jas een soort sok pakte. De sok was ongeveer 1.50 meter lang en aan het uiteinde van de sok zat een groter voorwerp van ongeveer 10 à 15 centimeter. Verdachte kwam op hem aflopen en slingerde de sok rond. Aangever was op dat moment bang en voelde zich behoorlijk bedreigd. Om aan het slagwapen te ontkomen reed aangever om verdachte heen en in het voorbij rijden kwam het onderdeel onderaan de sok met een harde klap tegen de ruit achter aangever. De ruit klapte uit elkaar en de glassplinters sprongen tegen het gezicht van aangever. Aangever heeft verklaard dat als hij verdachte niet had ontweken, verdachte hem vol aan de bestuurderszijde in zijn gezicht had geraakt.

Verdachte heeft verklaard dat hij een grote sok bij zich had en daarin op het bedrijventerrein tien vuurstenen had gedaan. Vervolgens heeft hij de sok dichtgeknoopt en had hij een goede slinger, een goed slagwapen. De sok had een gewicht van ongeveer drie kilo. Aangever kwam in zijn auto het terrein oprijden. Toen aangever verdachte zag, kwam hij op hem afrijden. Toen aangever langs verdachte reed, heeft hij de autoruit ingeslagen. Verdachte kon het nog net halen en daarom sloeg hij.

De rechtbank acht op grond van de hiervoor weergegeven omstandigheden bewezen dat verdachte heeft gepoogd aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, maar dan in de vorm van voorwaardelijk opzet. Degene die met een met stenen verzwaarde kous tegen een rijdende auto aanslaat in de richting van en ter hoogte van de bestuurder, neemt de aanmerkelijke kans voor lief dat de bestuurder zwaar lichamelijk letsel oploopt. De rechtbank acht de kans dat de ander daardoor komt te overlijden in de gegeven omstandigheden niet aanmerkelijk, zodat verdachte van poging doodslag zal worden vrijgesproken.

4.3.3 Het verweer ten aanzien van feit 5

Ondanks dat verdachte heeft bekend het feit te hebben gepleegd, heeft de verdediging betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat het feit niet in de ten laste gelegde periode is gepleegd. Verdachte is immers op 12 september 2010 in verzekering gesteld, terwijl ten laste is gelegd de periode in of omstreeks 11 september 2010 tot en met 13 september 2010.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat verdachte het feit rond 11 september 2010 kan hebben gepleegd, hetgeen in de ten laste gelegde periode valt waardoor er geen reden is om verdachte vrij te spreken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Aangever [aangever 1 bedrijfsnaam 1] heeft verklaard dat tussen 11 september 2010 te 15.45 uur en 13 september 2010 05.30 uur bij Schokindustrie te Zwijndrecht is ingebroken. Op 11 september 2010 heeft de aangever om 15:45 uur opdracht gegeven het hek van de ingang te sluiten. Op 13 september 2010 om 05:30 uur zag aangever dat alle 160 kledingkasten rond het slot waren opengebroken. Veel van de kleding daaruit is weggenomen. Niemand had het recht hiertoe of was toestemming hiervoor gegeven.

Verdachte heeft verklaard dat hij voordat hij werd opgepakt naar Schok Beton in Zwijndrecht is gegaan. Hij was op zoek naar eten, drinken, geld en rookwaar en hij heeft daar in de kluisjes in de open ruimte voor de kantine meer dan genoeg van gevonden. Verdachte heeft verklaard dat hij die kluisjes heeft opengebroken met een schroevendraaier. Het waren volgens de verdachte heel veel kluisjes, en hij heeft daar alles weggenomen wat hem de moeite waard leek: blikjes drinken, rolletjes snoep, pakje shag, een pakje kauwgom, drie telefoons, zakjes Cup-a-Soup, chocola, fruitkoekjes en hazelnootkoekjes. Hij heeft ook nog een kratje bier uit het materiaalhok gehaald, en een halve fles graanjenever.

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 12 september 2010 is aangehouden. Aangezien verdachte heeft aangegeven dat hij dit feit heeft gepleegd voordat hij werd opgepakt en dit moment binnen de tenlastegelegde periode valt, acht de rechtbank ook dit feit wettig en overtuigend bewezen.

4.3.4 De feiten 3, 4 en 6

De rechtbank acht de feiten 3, 4 en 6 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 8 maart 2011;

- de aangifte van [slachtoffer 3] (feit 3);

- de aangifte van [aangever 2 bedrijfsnaam 1] namens [bedrijfsnaam 1] (feit 4);

- de aangifte van [slachtoffer 4] (feit 6).

De rechtbank volstaat met deze opsomming van de bewijsmiddelen, omdat verdachte deze feiten heeft bekend en de situatie van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zich voordoet.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 03 september 2010 te Dordrecht, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg

- herhaaldelijk met een hamer heftig uitwendig mechanisch botsend geweld uitgeoefend op het hoofd van die [slachtoffer 1] en

- herhaaldelijk die [slachtoffer 1] met een mes in de hals gestoken en

- een arm om de nek van die [slachtoffer 1] gedaan en gehouden en de keel van die [slachtoffer 1] dichtgedrukt en dichtgedrukt gehouden

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2. (primair)

op 24 juli 2010 te Zwijndrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een met stenen verzwaarde kous in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft geslagen en een ruit aan de bestuurderszijde van een door die [slachtoffer 2] bestuurde auto heeft ingeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

in de periode van 03 september 2010 tot en met 6 september 2010 te Dordrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning aan de [adres 2] heeft weggenomen een jas en een paar schoenen (merk Nike), toebehorende aan [slachtoffer 3], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door

middel van braak, te weten door het inslaan van een ruit;

4.

in de periode van 5 augustus 2010 tot en met 6 augustus 2010 te Zwijndrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit het bedrijfspand van [bedrijfsnaam 1], gelegen aan de [adres 3], heeft weggenomen een hoeveelheid gereedschap en een geldkistje, inhoudende een geldbedrag, en een hoeveelheid drank en een hoeveelheid voedsel, toebehorende aan [bedrijfsnaam 1] en/of [aangever 2 bedrijfsnaam 1], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak, te weten door het openbreken van een deur;

5.

omstreeks de periode van 11 september 2010 tot en met 13 september 2010 te Zwijndrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit het bedrijfspand van [bedrijfsnaam 1], gelegen aan de [adres 3], heeft weggenomen een hoeveelheid kleding en mobiele telefoons en een hoeveelheid rookwaar en een hoeveelheid drank en een hoeveelheid voedsel, toebehorende aan [bedrijfsnaam 1] en/of medewerkers van [bedrijfsnaam 1], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak, te weten door het openbreken van kledingkasten;

6.

in de periode van 07 september 2010 tot en met 12 september 2010 te Dordrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een berging aan de Boogjes heeft weggenomen een fiets (merk Koga Miyata), toebehorende aan [slachtoffer 4], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak, te weten door het openbreken van een deur.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

5.1 Beroep op noodweer

De raadsman heeft betoogd dat bij feit 1 sprake is geweest van noodweer. Verdachte heeft, zoals uit het voorgaande blijkt, steeds gesteld dat het slachtoffer een mes in handen heeft gehad. Met dit mes zou verdachte het slachtoffer later hebben gestoken; het is het mes dat op het stoffelijk overschot is aangetroffen, aldus verdachte. Hoewel er aanwijzingen zijn in het dossier voor het tegendeel (namelijk dat niet het slachtoffer, maar juist verdachte het mes uit de keukenlade heeft gepakt), kan de rechtbank hierover niets met zekerheid vaststellen. Echter ook als zij verdachte volgt in diens lezing dat het slachtoffer een mes in zijn hand hield toen hij de woning verliet, dan nog slaagt het beroep op noodweer niet. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Zij zal de relevante gebeurtenissen in dit kader net als de verdediging verdelen in verschillende momenten.

Verdachte heeft verklaard dat hij op de gang met de hamer in zijn linkermouw op het slachtoffer is afgelopen. Terwijl hij op hem afliep, zag hij dat het slachtoffer iets glinsterends, mogelijk een zwaard, in zijn linkerhand hield. Verdachte heeft verklaard dat hij de hamer vervolgens naar zijn rechterhand bracht en verder op het slachtoffer af is gelopen. De rechtbank stelt vast dat er op dat moment, dat zij als moment I. duidt, geen sprake was van een aanranding waartegen verdachte zich moest verdedigen.

Toen verdachte het slachtoffer op ongeveer twee meter afstand was genaderd, maakte deze volgens verdachte stekende bewegingen met een mes in de richting van verdachte. Naar eigen zeggen heeft verdachte toen het slachtoffer de eerste klap met de hamer op de zijkant van het hoofd gegeven. De rechtbank stelt vast, dat ook op dit moment geen noodweersituatie bestond. Verdediging was immers niet geboden. Verdachte kon ook naar eigen zeggen nog vluchten op dit moment (moment II). Hij heeft verklaard dat hij daartoe 20 meter gang achter zich had. De rechtbank kwalificeert het handelen van verdachte hier nog steeds als aanvallend en het opzoeken van de confrontatie, en niet als verdedigend.

Ook na de eerste klap is verdachte niet weggelopen, zoals hij ook naar eigen zeggen op dat moment nog steeds had kunnen doen. Het slachtoffer viel niet neer, maar draaide een slag weg, naar zeggen van de verdachte met de kont naar verdachte toe. Verdachte is vervolgens om het slachtoffer heen gelopen. Het slachtoffer bleef gebukt staan en maakte prikkende bewegingen naar verdachte. Verdachte heeft hem daarop wederom met de hamer op het hoofd geslagen. Het slachtoffer zakte in elkaar en viel op de grond.

De verdediging heeft betoogd dat verdachte op dit moment geen kant op kon. Als dit het geval is geweest, dan is dat naar het oordeel van de rechtbank omdat verdachte zichzelf (fysiek) in die positie heeft gebracht. Hij is immers om het slachtoffer, dat zich van hem afkeerde, heen gelopen. Er is op dit moment (moment III) dan ook sprake van "culpa in causa': mocht het zo zijn, dat verdachte zich moest verdedigen tegen de stekende bewegingen van het slachtoffer, dan heeft verdachte zichzelf bewust en onnodig in die situatie gebracht.

De rechtbank verwerpt het beroep van de verdediging op noodweer.

5.2 Het bewezenverklaarde

Zoals onder 5.1 is gemotiveerd, volgt de rechtbank het beroep van verdachte op noodweer niet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1.

MOORD

Feit 2. (primair)

POGING TOT ZWARE MISHANDELING

Feiten 3, 4, 5 en 6 telkens:

DIEFSTAL WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT DOOR MIDDEL VAN BRAAK.

6 De strafbaarheid van de verdachte

6.1 Beroep op noodweerexces

De verdediging heeft voor feit 1 een beroep op noodweerexces gedaan. Zij heeft aangevoerd dat het handelen van verdachte in de woning van het slachtoffer het directe gevolg is geweest van de hevige gemoedstoestand waarin verdachte verkeerde. Die gemoedstoestand werd veroorzaakt door het dreigen en prikken met het mes in de richting van verdachte, en de eerdere snijdende bewegingen, aldus de raadsman.

De rechtbank begrijpt het betoog van de verdediging aldus, dat sprake was van een zogenaamd tardief noodweerexces, dat plaatsvindt nadat de (gestelde) aanranding voorbij is. Eenmaal in de woning was het slachtoffer immers, zo blijkt uit verdachte's verklaring, tot vrijwel niets meer in staat. De snijdende bewegingen zouden volgens verdachte al enkele weken eerder zijn gemaakt.

De rechtbank stelt echter vast, dat een hevige gemoedsbeweging bij verdachte op geen enkele wijze aannemelijk is geworden. Dat verdachte zelf zegt dat het steken met een mes niets voor hem is en hij een hekel heeft aan messen en wapens is hiervoor ontoereikend. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er juist aanwijzingen voor de veronderstelling dat verdachte goed wist wat hij deed. Hierbij kan onder meer gewezen worden op het feit dat verdachte de bloedvlek voor de deur opveegt, de woning van het slachtoffer verlaat om zijn eigen voordeur te sluiten en tenslotte de sleutels uit het voordeurslot van het slachtoffer meeneemt. En zoals in het voorgaande is beschreven, is verdachte goed in staat achteraf uit te leggen waarom hij het slachtoffer in de woning nogmaals met de hamer slaat, wurgt, en tenslotte messteken toebrengt.

De rechtbank verwerpt het beroep van de verdediging op noodweerexces.

6.2 Verzoek observatie PBC subsidiair contra-expertise

De verdediging heeft ter terechtzitting een verzoek gedaan om verdachte ter observatie te plaatsen in het Pieter Baan Centrum, omdat verdachte zich niet kan vinden in de conclusies van de rapporten die zijn opgesteld door de psycholoog en de psychiater. Volgens de verdachte waren de gesprekken zeer kort en op basis daarvan kunnen haast onmogelijk zulke vergaande conclusies getrokken worden. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om een contra-expertise.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld primair dat het verzoek niet tijdig is gedaan en subsidiair dat het verzoek van de verdediging moet worden afgewezen.

6.3 De rapporten van de deskundigen

Uit het door dr. A.J.W.M. Trompenaars, psychiater, over verdachte uitgebracht rapport van 23 december 2010 komt onder meer het navolgende naar voren:

In de periode voorafgaand aan het plegen van het feit waarvan hij wordt verdacht, was betrokkene in een conflictueuze situatie terecht gekomen met het slachtoffer, waarbij er blijkens de verklaringen van betrokkene, over en weer bedreigingen zijn uitgewisseld. Afgaande op de verklaring van betrokkene zelf is het aannemelijk dat hij door de eerdere confrontaties met het slachtoffer zeer geladen, gefrustreerd en geprikkeld is geraakt, waarna hij heel kwaad op hem is geworden en hij zich vervolgens in zeer ernstig agressieve zin in de richting van het slachtoffer heeft afgereageerd door hem een aantal keren hard met een hamer op het hoofd te slaan, hem te wurgen en vervolgens nog een aantal keren met een mes te steken.

Zoals uit dit onderzoek naar voren komt, is er bij betrokkene sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline persoonlijkheidstrekken en kenmerken van psychopathie. Bekend is dat deze problematiek wordt gekenmerkt door een verhoogde mate van impulsiviteit, agressiviteit, roekeloosheid en krenkbaarheid, door een verhoogde kans op het vertonen van grensoverschrijdend gewelddadig gedrag, en door het ontbreken van doorleefde schuld- of spijtgevoelens.

Op basis van deze kenmerken kan er van uit worden gegaan dat betrokkene, in de situatie waar hij mee werd geconfronteerd tijdens herhaalde confrontaties met het latere slachtoffer, ten gevolge van de bij hem aanwezige psychiatrische problematiek minder dan een gemiddelde inwoner van Nederland in staat was om zijn gedragingen in vrijheid te bepalen en conform een dergelijk besef te handelen.

Het is zeer aannemelijk te veronderstellen dat de levensgeschiedenis van betrokkene tot nu toe waarin hij, naar inschatting van rapporteur, in emotioneel opzicht veel tekort is gekomen, mogelijk in combinatie met factoren die hij vanuit aanleg heeft meegekregen, verantwoordelijk zijn voor de problematiek.

Gezien het reeds langdurige bestaan van de verslaving aan softdrugs en van de ernstige persoonlijkheidsproblemen en het feit dat daarin, voor zover na te gaan, recentelijk geen verandering was gekomen, was hiervan ook sprake ten tijde van het aan betrokkene ten laste gelegde.

Geadviseerd wordt om betrokkene ten aanzien van feit 1 waarvan hij wordt verdacht als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Uit het door dr. A.H. Eenhoorn, GZ-psycholoog, over verdachte uitgebracht rapport van 12 december 2010 komt naar voren dat:

Bij betrokkene is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline persoonlijkheidstrekken en kenmerken van psychopathie. Daarnaast is er sprake van verslaving aan softdrugs.

Betrokkene is vanwege de antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline persoonlijkheidsstrekken en kenmerken van psychopathie beperkt in zijn vrije keuze mogelijkheden en gedrag. Kenmerken als impulsiviteit, prikkelbaarheid, agressiviteit, roekeloosheid, krenkbaarheid, het ontbreken van spijtgevoelens en een basisangst met een neiging tot wantrouwen, liggen hieraan ten grondslag. Deze beperkingen waren ten tijde van het ten laste gelegde dusdanig dat betrokkene minder goed in staat was zijn gedrag te reguleren en zichzelf onder controle te houden. Dientengevolge kan betrokkene naar het oordeel van rapporteur voor feit 1 als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

6.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de rapporten van de psycholoog en de psychiater duidelijk en inzichtelijk zijn. Hun conclusies worden gedragen door de in de rapporten beschreven bevindingen. Uit de toelichting door de deskundigen ter terechtzitting blijkt naar het oordeel van de rechtbank bovendien dat de rapporten op een deugdelijke wijze tot stand zijn gekomen. De deskundigen hebben verklaard dat zij verdachte (ruimschoots) voldoende hebben kunnen onderzoeken. Zij hebben voorts verklaard zonder enige twijfel te volharden in hun bevindingen.

De rechtbank acht het daarom niet noodzakelijk dat verdachte ter nadere observatie wordt opgenomen in het Pieter Baan Centrum. Om dezelfde redenen zal zij het verzoek om een contra-expertise afwijzen.

De rechtbank onderschrijft de conclusies van voormelde rapporten op grond van de onderbouwing ervan, neemt de conclusies over en maakt die tot de hare en legt deze ten grondslag aan haar beslissing. De rapporten hebben betrekking op het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit. Nu de rechtbank in het dossier geen aanwijzingen heeft aangetroffen dat de bevindingen van de deskundigen niet zouden gelden ten aanzien van de overige ten laste en bewezen verklaarde feiten, volgt zij de conclusies van voormelde rapporten eveneens voor die feiten. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting, de rapporten en de toelichting daarvan van voornoemde deskundigen, voldoende vast is komen te staan dat de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor de door hem gepleegde strafbare feiten.

7 De oplegging van de straf en maatregel

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf van 18 jaar en de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal worden opgelegd. De officier van justitie heeft zijn eis gebaseerd op de ernst van de feiten en het leed dat door verdachte is toegebracht. Verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer 1] van zijn leven beroofd en heeft dit op een uiterst gewelddadige wijze gedaan. Aan de nabestaanden van het slachtoffer is veel leed aangedaan. Ook de rechtsorde is in ernstige mate geschokt door deze moord. Dat de aanleiding een kleinigheid is geweest, maakt het misdrijf volgens de officier van justitie nog weerzinwekkender.

Verdachte legt de schuld grotendeels buiten zichzelf en met name bij zijn voormalig leidinggevende [slachtoffer 2] en het slachtoffer [slachtoffer 1]. De wraakactie op aangever [slachtoffer 2] heeft een enorme impact gehad op diens leven.

De ernst van de feiten, de conclusies van de psycholoog en psychiater, de grote kans op herhaling, het ontbreken van ziektebesef en van inzicht, brengt de officier van justitie tot de conclusie dat TBS met dwangverpleging geboden is.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met een beroep op artikel 14b, tweede lid, Wetboek van Strafrecht verzocht om verdachte een gevangenisstraf op te leggen die passend en geboden is, rekening houdend met de omstandigheden waaronder de delicten zijn gepleegd, en de persoon van verdachte, met een onvoorwaardelijk deel en een flink voorwaardelijk deel met een langere proeftijd dan gebruikelijk. Aan het voorwaardelijk deel kunnen bijzondere voorwaarden worden gesteld waaraan verdachte zich zal houden. De verdediging heeft de rechtbank verzocht om, indien zij TBS zal opleggen, een kortere gevangenisstraf op te leggen dan is geëist door de officier van justitie.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

7.3.1 De op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel is gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft op 3 september 2010 zonder noemenswaardige aanleiding zijn buurman om het leven gebracht. Verdachte heeft, om zichzelf verborgen te houden en om in zijn levensonderhoud te voorzien, ingebroken bij een andere buurman. In de dagen dat de politie bezig was met het onderzoek naar de moord, heeft verdachte ingebroken bij een bedrijf en in een schuur en daar goederen weggenomen. Een aantal weken eerder heeft verdachte geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan zijn oud-werkgever en heeft hij ook ingebroken bij het eerder genoemde bedrijf.

Verdachte heeft [slachtoffer 1] het hoogste rechtsgoed ontnomen, namelijk het recht op leven. Verdachte heeft dit op gruwelijke wijze gedaan door het slachtoffer veelvuldig (23 maal) met een hamer op het hoofd te slaan, te wurgen en een aantal keer te steken met een mes. Het slachtoffer moet een vreselijke dood zijn gestorven, omdat hij nog enige tijd heeft geleefd, terwijl hem al verwondingen waren toegebracht. Het spreekt voor zich dat dit alles een enorme schok teweeg heeft gebracht bij de nabestaanden van het slachtoffer en het moet bijzonder moeilijk zijn een dergelijk zwaar verlies te dragen. Dit alles is wel duidelijk geworden uit de slachtofferverklaring van de nabestaanden, die ter zitting is voorgelezen.

Het met voorbedachte raad nemen van een leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat alleen een langdurige gevangenisstraf als straf in aanmerking komt. De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur van de straf als uitgangspunt genomen de straffen die veelal voor het plegen van levensdelicten worden opgelegd en acht geslagen op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten die met het onderhavige geval ongeveer vergelijkbaar zijn. Aan de hand daarvan neemt de rechtbank voor moord een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaar als uitgangspunt.

Als bijzondere omstandigheden die strafverhogend werken, heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft ter terechtzitting geen blijk gegeven van oprecht berouw, en op meerdere momenten de verantwoordelijkheid voor zijn handelen bij anderen, waaronder het slachtoffer zelf gelegd. Dit neemt de rechtbank verdachte ernstig kwalijk en getuigt van bijzonder weinig inzicht in zijn handelen. Verdachte is tot zijn daad overgegaan op een plaats waar het slachtoffer zich veilig zou moeten wanen, namelijk vlakbij en in diens woning. Verdachte heeft bovendien met een grote mate van planmatigheid gehandeld. Hij heeft zich, zoals hij ter zitting verklaarde, al dagen voor 3 september 2010 voorbereid op de confrontatie en zich daartoe bewapend met een hamer. De dag zelf heeft hij het moment afgewacht om het slachtoffer onverhoeds te benaderen.

Voor de overige feiten geldt het volgende.

Verdachte heeft zich willen wreken op zijn voormalig leidinggevende en daartoe een naargeestig plan bedacht. Dit heeft geleid tot een misplaatste en gevaarlijke wraakactie. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring die namens de oud-werkgever [slachtoffer 2] van verdachte ter zitting is voorgelezen, blijkt wel hoezeer hij ontdaan is van de aanval op zijn persoon, en welke impact dit op zijn leven heeft gehad.

Een woninginbraak veroorzaakt niet alleen de nodige materiële schade, maar maakt ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoner. Met de bedrijfsinbraken en die in een berging heeft verdachte aangetoond geen oog voor de eigendommen van anderen te hebben.

De rechtbank heeft voor wat de persoon van verdachte betreft acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie d.d. 4 februari 2011, waaruit blijkt dat verdachte wel eerder veroordeeld is, maar dat dit al geruime tijd geleden is geweest.

Als omstandigheid die strafverminderend werkt heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.

Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van de persoonlijke omstandigheden, zoals deze naar voren komen in het voorlichtingsrapport van Bouman GGZ Reclassering d.d. 14 september 2010. Tevens heeft zij acht geslagen op het zogenaamde maatregelrapport van 4 januari 2011, opgesteld door Reclassering Nederland.

De rechtbank heeft voor de strafoplegging voor de bewezen verklaarde moord de strafverhogende en strafverminderende omstandigheden tegen elkaar afgewogen en is van oordeel dat in dit geval een gevangenisstraf van 15 jaar passend is. Daarnaast heeft verdachte nog vijf andere feiten gepleegd, waarvoor hij tevens een straf verdient. De rechtbank is van oordeel dat alles bij elkaar genomen een gevangenisstraf van 16 jaar passend en geboden is.

Gelet op de duur van de gevangenisstraf is er geen ruimte voor een deels voorwaardelijke straf, zoals bepleit door de verdediging.

7.3.2. De maatregel van TBS met dwangverpleging

Voorwaarde voor het opleggen van de maatregel van TBS met dwangverpleging is dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dit vereist. Dit volgt uit artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht.

Uit het rapport van dr. Trompenaars voornoemd komt naast hetgeen hiervoor onder 6.3 is aangegeven, ten aanzien van het herhalingsgevaar en een eventuele behandeling het navolgende naar voren:

Voor wat betreft de kans op recidive van gewelddadig delictgedrag schat rapporteur in dat deze hoog is. Verwacht wordt dat betrokkene een grote kans maakt om weer in dezelfde situatie terecht zal komen als waarin hij voorafgaand aan het feit waarvan hij verdacht wordt verkeerde en waarbij de kans groot is dat hij opnieuw zal terugkeren in de gesignaleerde antisociale en (pro-)criminele levensstijl, met alle mogelijke gevolgen van dien. Niet (meer) verwacht wordt dat betrokkene kan terugvallen op een stevig sociaal netwerk en/of op hulpverlening (wat hij zelf niet noodzakelijk vindt), die hem zouden kunnen ondersteunen in pogingen om veranderingen in zijn leven aan te brengen.

Voor wat betreft een eventuele behandeling kan gesteld worden dat het, gezien de aard en de ernst van de bij betrokkene aanwezige problematiek, op zich genomen zeker wenselijk zou zijn als betrokkene behandeling zou krijgen. Zeer problematisch is daarbij evenwel dat betrokkene zelf géén noodzaak ziet voor verdere behandeling en het daarbij verder bekend is dat de bij betrokkene aanwezige vorm van persoonlijkheidsproblematiek zeer moeilijk behandelbaar is, zodat het ten zeerste de vraag is wat er van een behandeling dan verwacht zou kunnen worden. Mocht een behandeling toch aangewezen worden geacht, dient deze naar mening van rapporteur in een gedwongen kader en in zeer gestructureerde en van gedegen beveiligingsmogelijkheden voorziene behandelomgeving plaats te vinden.

GZ-psycholoog drs. Eenhoorn schrijft in haar eerder genoemde rapport onder 6.3 over het herhalingsgevaar en een eventuele behandeling:

De kans op herhaling van een gewelddadig delict wordt door rapporteur als hoog ingeschat. Gezien de geconstateerde persoonlijkheidsstoornis is de verwachting en vrees dat betrokkene wederom zal vervallen in antisociaal gedrag. Betrokkene is vanwege zijn slechte agressiehuishouding vatbaar voor controleverlies en een wantrouwende gedachtegang, zodat hij vanuit prikkelbaarheid en frustratie geneigd zal zijn, zijn onlustgevoelens af te reageren. Tezamen met het ontbreken van empathie, spijt en schuldgevoelens alsmede de geïsoleerde maatschappelijke positie c.q. teloorgang, is het risico op herhaling van gewelddadig delictgedrag hoog.

Om het recidive risico maximaal te kunnen beperken adviseert rapporteur idealiter aan de rechtbank een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen. Hierbij moet aangetekend worden dat het behandelperspectief van een stoornis, zoals deze bij betrokkene is geconstateerd vanwege de sterke afweer en de karakterpantsering, uiterst moeilijk is. Daarbij is het uiteraard problematisch dat betrokkene zelf absoluut geen noodzaak ziet voor een behandeling c.q. ziektebesef en ziekte-inzicht ontbeert en dus niet gemotiveerd zal zijn.

De rechtbank onderschrijft ook de hierboven weergegeven conclusies van de deskundigen, neemt deze over en maakt deze tot de hare.

Op grond van de inhoud van deze rapportages over de persoonlijkheid van de verdachte, de toelichting van de psycholoog en de psychiater hierop ter terechtzitting, en voorts de bijzondere ernst van het bewezen verklaarde onder feit 1, is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging geboden is. Ook al zal de behandeling vermoedelijk moeizaam verlopen gelet op het ontbreken van enig ziekte-inzicht en bereidwilligheid tot behandeling bij verdachte, toch eist de veiligheid van anderen en/of de algemene veiligheid van personen dat dit gebeurt. Zonder adequate behandeling acht de rechtbank de kans op herhaling van een gewelddadig gedrag tegen anderen zeer groot. Omdat de rechtbank met de deskundigen van oordeel is dat een behandeling in een dwingend kader noodzakelijk is, zal de rechtbank TBS met dwangverpleging opleggen.

De rechtbank overweegt nog dat de verdachte wordt veroordeeld voor onder andere misdrijven die gericht zijn tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van het slachtoffer, en dat de door verdachte begane feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren staat.

8 De benadeelde partijen

Feit 1

De benadeelde partij [benadeelde partij 1, slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 746,64 ter zake van materiële schade voor feit 1.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft de hoogte van de schade niet betwist. Zij heeft zich niet verzet tegen toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

De benadeelde partij is ontvankelijk in de vordering, nu aan verdachte een straf en maatregel zal worden opgelegd en aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het onder feit 1 bewezenverklaarde strafbare feit.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks toegebrachte schade.

De rechtbank zal de gevorderde schade integraal toewijzen tot het gevorderde bedrag nu de vordering voldoende is onderbouwd, niet is weersproken en voldoende aannemelijk is gemaakt.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De benadeelde partij [benadeelde partij 2, slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 258,30 ter zake van materiële schade voor feit 1.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft de hoogte van de schade niet betwist. Zij heeft zich niet verzet tegen toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

De benadeelde partij is ontvankelijk in de vordering, nu aan verdachte een straf en maatregel zal worden opgelegd en aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het onder 1. bewezenverklaarde strafbare feit.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks toegebrachte schade.

De rechtbank zal de gevorderde schade integraal toewijzen tot het gevorderde bedrag nu de vordering voldoende is onderbouwd, niet is weersproken en voldoende aannemelijk is gemaakt.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

Feit 5

De benadeelde partij [bedrijfsnaam 1] vordert een schadevergoeding van € 25.000,00 ter zake van materiële schade voor feit 5.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering niet eenvoudig is vast te stellen en daarom niet ontvankelijk moet worden verklaard.

De verdediging betwist de vordering van de benadeelde partij en is van mening dat deze niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Ten eerste zouden de kastjes op zodanige manier zijn geopend dat de kastjes nog bruikbaar zijn en de gestelde schade lijkt buitensporig hoog en is niet onderbouwd. Bovendien zijn er meerdere facturen aan de vordering gehecht en niet duidelijk is welke een onderbouwing vormt voor de gevorderde schade.

De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De vordering van de benadeelde partij is onderbouwd met offertes, maar hier blijkt niet uit wat de werkelijke omvang van de schade is geweest. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

9 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregelen berusten op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57, 289, 302 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 16 (zestien) jaren;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

Benadeelde partijen

Feit 1

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1, slachtoffer 1] van € 746,64 ter zake van materiële schadevergoeding;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 1, slachtoffer 1],

€ 746,64 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 15 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Feit 1

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2, slachtoffer 1] van € 258,30 ter zake van materiële schadevergoeding;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 2, slachtoffer 1], € 258,30 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 5 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Feit 5

- verklaart de benadeelde partij [bedrijfsnaam 1] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [bedrijfsnaam 1] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C. van Walree, voorzitter, mr. M.A.C. Prins en mr. G.J. Schiffers-Hanssen, rechters, in tegenwoordigheid van L. Koppenaal, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 maart 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

11/870472-10

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 03 september 2010 te Dordrecht, in elk geval in Nederland, opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, (telkens) met dat opzet en (telkens) (al dan niet) na kalm beraad en rustig overleg

- (herhaaldelijk) met een hamer, althans (een) hard(e) voorwerp(en) hard geslagen, althans heftig uitwendig mechanisch botsend geweld uitgeoefend op het hoofd van die [slachtoffer 1] en/of

- (herhaaldelijk) die [slachtoffer 1] met (een) mes(sen) in de nek/hals en/of borst, in elk geval in het lichaam gestoken

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

11/860105-11

1.

("Zaak 3")

hij op of omstreeks 24 juli 2010 te Zwijndrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, danwel aan een persoon, genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een met stenen verzwaarde kous, althans een zwaar en/of hard voorwerp, naar en/of in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of een ruit aan bestuurderszijde van een door die [slachtoffer 2] bestuurde auto heeft ingeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 juli 2010 te Zwijndrecht [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een met stenen verzwaarde kous, althans een hard en/of zwaar voorwerp naar en/of in de richting van (het hoofd van) die [slachtoffer 2] geslagen;

MEER SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 juli 2010 te Zwijndrecht opzettelijk en wederrechtelijk een autoruit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door met een met stenen verzwaarde kous, althans een zwaar en/of hard voorwerp die ruit in te slaan;

2.

("Zaak 2")

hij in of omstreeks de periode van 03 september 2010 tot en met 6 september 2010 te Dordrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan de [adres 2] heeft weggenomen een jas en/of een paar schoenen (merk Nike), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten door het inslaan van een ruit;

3.

("Zaak 4")

hij in of omstreeks de periode van 5 augustus 2010 tot en met 6 augustus 2010 te Zwijndrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit het bedrijfspand van

[bedrijfsnaam 1], gelegen aan de [adres 3], heeft weggenomen een hoeveelheid gereedschap en/of een geldkistje, inhoudende een geldbedrag, en/of een hoeveelheid drank en/of een hoeveelheid voedsel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijfsnaam 1] en/of [aangever 2 bedrijfsnaam 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten door het openbreken van een deur;

4.

("Zaak 5")

hij in of omstreeks de periode van 11 september 2010 tot en met 13 september 2010 te Zwijndrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit het bedrijfspand van [bedrijfsnaam 1], gelegen aan de [adres 3], heeft weggenomen een hoeveelheid kleding en/of een of meer mobiele telefoon(s) en/of een hoeveelheid rookwaar en/of een hoeveelheid drank en/of een hoeveelheid voedsel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijfsnaam 1] en/of (een) medewerker(s) van [bedrijfsnaam 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten door het openbreken van een of meerdere kledingkast(en);

5.

("Zaak 6")

hij in of omstreeks de periode van 07 september 2010 tot en met 12 september 2010 te Dordrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een berging aan de Boogjes heeft weggenomen een fiets (merk Koga Miyata), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten door het openbreken van een of meerdere deur(en);

BIJLAGE I: De vordering aanpassing omschrijving tenlastelegging

Vordering aanpassing omschrijving tenlastelegging

De officier van Justitie in het arrondissement Dordrecht

Gezien het feit dat in de zaak tegen

Parketnummer: 11/870472-10

[verdachte]

Geboren op [geboortedatum] 1977 te Dordrecht

in de dagvaarding voor de pro forma-zitting van 16 december 2010 voor de opgave van het feit is volstaan met een omschrijving als bedoeld in artikel 261 lid 3 Wetboek van Strafvordering;

Is van oordeel, dat de opgave van het feit dient te worden aangepast, in die zin dat de tenlastelegging als volgt komt te luiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 03 september 2010 te Dordrecht, in elk geval in Nederland,

opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd,

immers heeft hij, verdachte, (telkens) met dat opzet en (telkens) (al dan niet) na kalm beraad en rustig overleg

- (herhaaldelijk) met een hamer, althans (een) hard(e) voorwerp(en) hard geslagen, althans heftig uitwendig mechanisch botsend geweld uitgeoefend op het hoofd van die [slachtoffer 1] en/of

- (herhaaldelijk) die [slachtoffer 1] met (een) mes(sen) in de nek/hals en/of borst, in elk geval in het lichaam gestoken en/of

- een arm om de nek van die [slachtoffer 1] gedaan en/of gehouden en/of de keel van die [slachtoffer 1] dichtgedrukt en/of dichtgedrukt gehouden

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

Gezien art. 314a Wetboek van Strafvordering;

Vordert, dat deze aanpassing zal worden toegelaten.

Gedaan ter terechtzitting van de Meervoudige Kamer in de rechtbank te Dordrecht, op 8 maart 2011.

De officier van Justitie,

Mr. drs. W.J.A. Struik

Parketnummers: 11/870472-10 + 11/860105-11

Vonnis d.d. 22 maart 2011