Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BP8893

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
11-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
11/136
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wettelijk kader: artikel 54, 58 WWB, 3, 6 EVRM

samenvatting

Hoewel het bestreden besluit nadelige consequenties heeft voor verzoekers, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan te nemen dat artikel 3 EVRM vanwege dit besluit geschonden zou kunnen zijn.

De voorzieningenrechter begrijpt het betoog van verzoekers ten aanzien van artikel 6 van het EVRM aldus dat het enkele feit dat verweerder zich op het standpunt stelt dat verzoekers de inlichtingenplicht hebben geschonden maakt dat er sprake is van een “criminal charge”. Volgens de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) kan de rechtsfiguur van intrekking van bijstand en terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand, zoals hier aan de orde, niet worden beschouwd als een “criminal charge”, zodat de beschermende werking van artikel 6, derde lid, EVRM zich niet tot verzoeker uitstrekt. De voorzieningenrechter verwijst onder meer naar de uitspraak van 28 oktober 2008, LJN BG3682.

Voor zover verzoekers daarnaast nog hebben beoogd te betogen dat als gevolg van het feit dat zij worden verdacht van bijstandsfraude, zij worden uitgesloten van de toegang tot de Wet Sanering Natuurlijke Personen en er ook om die reden sprake zou zijn van strijd met artikel 6 van het EVRM, is het aan verzoekers om deze grond aan te voeren in een eventuele procedure die ziet op de toegangsweigering tot schuldsanering.

Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker in de periode dat hij een bijstandsuitkering ontving, werkzaamheden heeft verricht in de winkel van zijn vader. Verzoeker heeft zijn stelling dat verweerder wist van zijn werkzaamheden thans niet onderbouwd. Indien verzoeker deze stellingen in bezwaar kan onderbouwen, zal verweerder de betekenis daarvan in het kader van de heroverweging mee moeten wegen. Op dit moment is er echter geen grond voor de conclusie dat verweerder wist dat verzoeker werkzaamheden verrichtte in het bedrijf van zijn vader.

Ook als verzoekers geen geldelijk voordeel hebben gehad van de werkzaamheden van verzoeker, waren verzoekers ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 26 november 2008, LJN BG5782) gehouden om deze werkzaamheden aan verweerder te melden, nu daarvoor normaal gesproken een geldelijke beloning voor wordt verkregen dan wel bedongen. Gelet hierop heeft verweerder op basis van hetgeen thans bekend is terecht geconstateerd dat verzoekers hun inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen mededeling te doen van de werkzaamheden van verzoeker aan verweerster. Niet gebleken is dat niet verwijtbaar is dat verzoekers de inlichtingenplicht hebben geschonden. Bij aanvang van de bijstandsverlening zijn verzoekers gewezen op de verplichting om onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Daaronder valt ook het verrichten van (onbetaalde) arbeid. De stelling van verzoeker dat het zijn plicht was zijn vader te helpen kan aan het vorenstaande niet afdoen.

Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting door verzoekers, kan verweerder nu niet meer vaststellen of en zo ja, in hoeverre verzoekers nog in aanmerking kwamen voor een uitkering op grond van de Wwb, zodat de uitkering van verzoekers op die grond naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht is ingetrokken en teruggevorderd.

Op grond van artikel 60, derde lid, van de Wwb is verweerder bevoegd tot verrekening van de schuld van verzoekers met de bijstandsuitkering. Vast staat dat aan verzoekers door verweerder een inkomen wordt verstrekt dat gelijk staat aan de beslagvrije voet, zoals omschreven in artikel 475d van het Wetboek van Rechtsvordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 11/136

uitspraak van de voorzieningenrechter

in het geding tussen

[naam verzoeker], verzoeker, en [naam verzoekster], verzoekster, wonende te [woonplaats], tezamen verzoekers,

gemachtigde: mr. G. Ris, advocaat te Dordrecht,

en

het Drechtstedenbestuur, verweerder,

gemachtigde: C.A.M. Nusteling, werkzaam bij de Sociale Dienst Drechtsteden.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 11 januari 2011 de uitkering die verzoekers ontvingen op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: Wwb) beëindigd met ingang van 1 november 2010. Tevens heeft verweerder de verleende bijstand over de periode 28 juni 2010 tot en met 1 november 2010 ingetrokken. Van verzoekers is een bedrag van € 5798,49 teruggevorderd. Dit bedrag moeten verzoekers binnen zes weken na ontvangst van het besluit in één keer terugbetalen.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij faxbericht van 24 januari 2011 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van 10 februari 2011 hebben zij een verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 25 februari 2011 ter zitting behandeld.

Verzoekers zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerster is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

Ingevolge artikel 6:16 van de Awb schorst het bezwaar of beroep niet de werking van het besluit waartegen het is gericht, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald.

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de Wwb doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Wwb kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken, niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent.

Ingevolge artikel 54, derde lid, van de WWB kan het college, onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, een dergelijk besluit herzien of intrekken:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand

b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Ingevolge artikel 54, vierde lid van de Wwb, kan het college na het verstrijken van de termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB kan het college van de gemeente die bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Ingevolge artikel 60, derde lid, van de Wwb, voor zover hier van belang, is indien de persoon van wie kosten van bijstand als bedoeld in de artikelen 58 en 59 worden teruggevorderd algemene bijstand ontvangt, het college bevoegd tot verrekening van die kosten met die algemene bijstand.

Ingevolge artikel 60, zesde lid, van de Wwb, is terugvordering van kosten van bijstand als bedoeld in de artikelen 58 en 59 bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen in artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek omschreven.

Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.

Ingevolge het tweede lid wordt een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

Ingevolge het derde lid heeft een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, in het bijzonder de volgende rechten:

a. onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;

b. te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;

c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;

d. de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge;

e. zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt.

2.2. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit is gebaseerd op de omstandigheid dat verzoeker in de periode vanaf 26 juni 2010 tot en met 1 november 2010 werkzaamheden zou hebben verricht in de winkel van [naam] (vader van verzoeker) te Dordrecht.

Ter zitting heeft verweerder gemeld dat verzoekers met ingang van 24 december 2010 opnieuw een bijstandsuitkering is toegekend. Verweerder houdt 10% van de uitkering van verzoekers in als aflossing op de terugvordering.

2.3. De gronden van het verzoek

Verzoekers hebben ter onderbouwing van hun verzoek het volgende aangevoerd. Ten onrechte is hangende bezwaar geen opschortende werking verleend tot het daadwerkelijk terugbetalen van het teruggevorderde bedrag. Verzoekers moeten nu onder bijstandsniveau leven, terwijl het bezwaar tegen de intrekking een redelijke kans van slagen heeft.

Ter zitting hebben verzoekers gesteld dat de rechter alle feiten met gevoel en verstand moet vaststellen, omdat anders wordt gehandeld in strijd met artikel 6 van het EVRM. Niet bewezen is dat verzoekers terecht worden verdacht van bijstandsfraude. Als feitelijk vastgesteld wordt dat verzoekers als oprecht en eerzaam burger gehandeld hebben, maar geconfronteerd zijn met tegenstrijdige rechtsplichten dan vormt de verdenking van bijstandsfraude een onmenselijke en vernederende behandeling volgens artikel 3 van het EVRM. Er is geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld. Voorts moet rekening gehouden worden met alle morele en rechtsplichten waar een eerzaam burger mee geconfronteerd wordt, anders is sprake van een 'overly formalistic proceeding' en dat mag niet bij toetsing aan artikel 3 van het EVRM.

Verzoekers worden nu niet geholpen bij het saneren van hun schulden, omdat zij beschuldigd wordt van bijstandsfraude. Dit is in strijd met artikel 6 van het EVRM.

Voorts hebben verzoekers gesteld dat verweerster op de hoogte was van de werkzaamheden van verzoeker.

2.4. Het oordeel van de voorzieningrechter

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt verweerder niet bij het nemen van een beslissing op het bezwaar.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestreden besluit is genomen door verweerder, terwijl voorheen de Bestuurscommissie Sociale Dienst Drechtsteden bevoegd was in zaken betreffende Wwb. Vooralsnog gaat de voorzieningenrechter er van uit dat verweerder bevoegd was het bestreden besluit te nemen. Het is aan verweerder om de beslissing op het bezwaar zijn bevoegdheid te onderbouwen.

Bij besluit van eveneens 11 januari 2011 is verzoekers met ingang van 24 december 2010 weer een uitkering ingevolge de Wwb toegekend. Gebleken is dat 10% van de uitkering, die verzoekers ontvangen, door verweerder wordt ingehouden ter aflossing van de terugvordering. Nu verzoekers hebben gesteld als gevolg van andere schulden dit bedrag niet te kunnen missen en zij vanwege de beschuldiging van fraude niet in een schuldsaneringstraject worden opgenomen, ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding voor het aannemen van een spoedeisend belang.

Hoewel het bestreden besluit nadelige consequenties heeft voor verzoekers, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan te nemen dat artikel 3 EVRM vanwege dit besluit geschonden zou kunnen zijn.

De voorzieningenrechter begrijpt het betoog van verzoekers ten aanzien van artikel 6 van het EVRM aldus dat het enkele feit dat verweerder zich op het standpunt stelt dat verzoekers de inlichtingenplicht hebben geschonden maakt dat er sprake is van een "criminal charge". Volgens de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) kan de rechtsfiguur van intrekking van bijstand en terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand, zoals hier aan de orde, niet worden beschouwd als een "criminal charge", zodat de beschermende werking van artikel 6, derde lid, EVRM zich niet tot verzoeker uitstrekt. De voorzieningenrechter verwijst onder meer naar de uitspraak van 28 oktober 2008, LJN BG3682.

Hieronder zal worden besproken of verzoeker verwijtbaar heeft gehandeld door werkzaamheden te verrichten in de winkel van zijn vader, gedurende de periode dat hij een bijstandsuitkering ontving.

Voor zover verzoekers daarnaast nog hebben beoogd te betogen dat als gevolg van het feit dat zij worden verdacht van bijstandsfraude, zij worden uitgesloten van de toegang tot de Wet Sanering Natuurlijke Personen en er ook om die reden sprake zou zijn van strijd met artikel 6 van het EVRM, is het aan verzoekers om deze grond aan te voeren in een eventuele procedure die ziet op de toegangsweigering tot schuldsanering.

Bij besluit van 1 december 2010 is de uitkering van verzoekers opgeschort met ingang van 1 november 2010 en is verzoekers verzocht om aanvullende informatie. Nadat niet alle van belang zijnde gegevens zijn overgelegd, is de uitkering van verzoekers bij besluit van 23 december 2010 met ingang van 1 november 2010 beëindigd met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Wwb. Ter zitting is door verweerder verklaard dat het besluit van 23 december 2010 als ingetrokken moet worden beschouwd en dat het is vervangen door het besluit van 11 januari 2011. Nu dit besluit van 11 januari 2011 niet binnen acht weken na 1 november 2010 is genomen, was verweerder ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad niet langer bevoegd de uitkering van verzoekers op grond van artikel 54, vierde lid, van de Wwb per 1 november 2010 te beëindigen. De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak van 6 september 2007, LJN:BB3024.

Nu verweerder stelt dat verzoekers de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wwb niet zijn nagekomen, kan dit geconstateerde gebrek op zichzelf niet tot toewijzing van een voorziening leiden. Verweerder kan immers in bezwaar onderzoeken of het besluit voor zover dat ziet op de beëindiging op grond van artikel 54, derde lid, van de Wwb gehandhaafd kan blijven.

Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker in de periode dat hij een bijstandsuitkering ontving, werkzaamheden heeft verricht in de winkel van zijn vader. Verzoeker heeft zijn stelling dat verweerder wist van zijn werkzaamheden thans niet onderbouwd. Indien verzoeker deze stellingen in bezwaar kan onderbouwen, zal verweerder de betekenis daarvan in het kader van de heroverweging mee moeten wegen. Op dit moment is er echter geen grond voor de conclusie dat verweerder wist dat verzoeker werkzaamheden verrichtte in het bedrijf van zijn vader.

Ook als verzoekers geen geldelijk voordeel hebben gehad van de werkzaamheden van verzoeker, waren verzoekers ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 26 november 2008, LJN BG5782) gehouden om deze werkzaamheden aan verweerder te melden, nu daarvoor normaal gesproken een geldelijke beloning voor wordt verkregen dan wel bedongen. Gelet hierop heeft verweerder op basis van hetgeen thans bekend is terecht geconstateerd dat verzoekers hun inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen mededeling te doen van de werkzaamheden van verzoeker aan verweerster. Niet gebleken is dat niet verwijtbaar is dat verzoekers de inlichtingenplicht hebben geschonden. Bij aanvang van de bijstandsverlening zijn verzoekers gewezen op de verplichting om onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Daaronder valt ook het verrichten van (onbetaalde) arbeid. De stelling van verzoeker dat het zijn plicht was zijn vader te helpen kan aan het vorenstaande niet afdoen.

Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting door verzoekers, kan verweerder nu niet meer vaststellen of en zo ja, in hoeverre verzoekers nog in aanmerking kwamen voor een uitkering op grond van de Wwb, zodat de uitkering van verzoekers op die grond naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht is ingetrokken en teruggevorderd.

Op grond van artikel 60, derde lid, van de Wwb is verweerder bevoegd tot verrekening van de schuld van verzoekers met de bijstandsuitkering. Vast staat dat aan verzoekers door verweerder een inkomen wordt verstrekt dat gelijk staat aan de beslagvrije voet, zoals omschreven in artikel 475d van het Wetboek van Rechtsvordering.

Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:84, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. M.G.L. de Vette voorzieningenrechter, en door deze en

mr. M.L. Bosman-Schouten, griffier, ondertekend.