Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BP7370

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
10-03-2011
Datum publicatie
10-03-2011
Zaaknummer
11/711269-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BY5819, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van in totaal 30 maanden wegens het langdurig seksueel misbruiken van zijn nichtje, van haar zevende tot haar negende jaar. Het misbruik heeft onder meer bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Ondanks dat de aangifte een groot aantal jaren na het misbruik is gedaan acht de rechtbank de verklaringen van aangeefster betrouwbaar. Daarbij weegt in het bijzonder mee dat aangeefster relatief kort na het misbruik hiervan melding heeft gedaan aan een vriendin en aantekeningen heeft gemaakt in haar dagboek. Nu veroordeelde gedurende een gedeelte van de periode waarin het misbruik plaatsvond minderjarig was, is voor die periode separaat vonnis gewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/711269-09 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 maart 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaatsnaam] op [geboortedatum] 1973,

wonende te [adres en woonplaats],

hierna: verdachte.

Raadsman mr. M.J. Smit, advocaat te Dordrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 24 februari 2011, waarbij de officier van justitie mr. J. Spaans, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het slachtoffer heeft gebruik gemaakt van haar recht als omschreven in artikel 51e van het Wetboek van Strafvordering. Daartoe heeft zij een slachtofferverklaring opgesteld welke ter terechtzitting is voorgehouden.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: in de periode van 2 november 1991 tot en met 30 november 1991 te Dordrecht vleselijke gemeenschap heeft gehad met een meisje onder de 12 jaar, dan wel dat hij ontucht heeft gepleegd met dat meisje

Feit 2: in de periode van 1 december 1991 tot en met 31 december 1993 te Dordrecht seksuele handelingen heeft verricht met een meisje onder de 12 jaar die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van dat meisje, dan wel dat hij in voornoemde periode ontucht heeft gepleegd met dat meisje.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten 1 en 2 in de primaire variant wettig en overtuigend bewezen. Hij baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer], de verklaring van [slachtoffer] afgelegd bij de rechter-commissaris, de verklaringen van [getuige 1] zoals afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris, de verklaring van [getuige 2], de verklaring van [getuige 3], de verklaring van [getuige 4], de moeder van aangeefster, en de verklaring van [getuige 5]. De officier van justitie baseert zich voorts op aantekeningen uit het dagboek van aangeefster en op de verklaringen van [getuige 6], [getuige 7] en verdachte met betrekking tot de wetenschap van het misbruik van [getuige 8].

4.2 Het standpunt van de verdediging

Verdachte ontkent stellig dat hij de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 en feit 2. Hij heeft daartoe betoogd dat het bewijs in deze zaak afkomstig is uit één bron, namelijk aangeefster [slachtoffer]. Dit klemt temeer nu de deskundige in zijn rapport met betrekking tot de vraag of de verklaringen van aangeefster als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, geen eenduidige conclusies trekt. De verklaringen van aangeefster zijn om die reden niet meer betrouwbaar dan de ontkenning van verdachte zodat uit de wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging kan worden bekomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de inhoud van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden, die de rechtbank samengevat en zakelijk zal weergeven.

In haar aangifte verklaart aangeefster [slachtoffer] dat zij door haar oom [verdachte], vanaf haar 7e tot ongeveer haar 9e jaar seksueel is misbruikt. Aangeefster verklaart dat verdachte regelmatig op haar en haar broertje paste. Hij liet aangeefster dan - tegen de wens van haar ouders - televisie kijken en vertelde dat het hun geheimpje was. Op enig moment nam verdachte haar mee naar de slaapkamer van haar ouders en liet haar pornoboekjes zien. Het bekijken van de boekjes is een aantal keer gebeurd. Verdachte deed op een keer haar slipje uit en likte aan haar vagina. Aangeefster verklaart dat het likken aan haar vagina heel vaak is gebeurd maar dat de seksuele handelingen zich later steeds verder uitbreidden. Verdachte haalde zijn penis uit zijn broek en leerde aangeefster hoe zij hem met haar hand moest bevredigen. Aangeefster verklaart dat zij op een gegeven moment geen televisie meer wilde kijken omdat zij wist dat verdachte daar iets voor terug wilde hebben, maar dat hij net zo lang op haar bleef inpraten tot ze toch weer ging kijken. Hij wilde daar dan weer een gunst voor terug. Verdachte liet aangeefster foto's zien van een vrouw met haar mond om de penis van een man en vroeg haar dat ook bij hem te doen. Aangeefster wilde dat niet maar verdachte heeft haar met zijn hand gedwongen om het toch te doen. Hij hield daarbij zijn hand op haar hoofd zodat ze niet kon stoppen. Aangeefster verklaart dat zij het heel vies vond en dat het daarom maar een paar keer is gebeurd. Aangeefster verklaart dat verdachte steeds verder ging met zijn handelingen. Hij likte haar vagina en maakte met zijn vinger haar vagina nat. Daarna probeerde hij zijn stijve penis een stukje in haar vagina te stoppen. Aangeefster moest met haar billen over de rand van het bed gaan liggen omdat verdachte vertelde dat het kon gaan bloeden. Het gaf een brandend gevoel en aangeefster moest huilen omdat zij het niet wilde. Aangeefster verklaart dat er vaker dan 5 keer geslachtsgemeenschap tussen haar en verdachte is geweest.

Het misbruik vond voornamelijk plaats in het ouderlijk huis van aangeefster aan de [adres 1] te Dordrecht en eenmalig in de schuur van haar opa en oma aan de [adres 2] te Dordrecht waar verdachte op dat moment woonde. Aangeefster verklaart met betrekking tot die laatste gebeurtenis dat het gebeurde op een dag waarop de hele familie op visite was bij opa en oma. Verdachte had aangeefster beloofd dat ze mocht schieten met een buks die hij in het schuurtje bewaarde. In het schuurtje aangekomen deed verdachte de deur op slot en zei dat hij eerst iets van haar wilde. Aangeefster verklaart zich te herinneren dat zij op de wasmachine zat en dat verdachte eerst met zijn mond aan haar vagina likte. Aangeefster heeft met haar hand aan de penis van verdachte getrokken en daarna is er vaginale geslachtsgemeenschap geweest tussen verdachte en aangeefster.

Aangeefster verklaart dat haar moeder op enig moment aan de deur van het schuurtje kwam en heeft gevraagd wat zij daar deden. Verdachte heeft toen gezegd dat aangeefster mee wilde naar het toilet, dat zich ook in het schuurtje bevond.

De verklaring van aangeefster wordt op dit punt ondersteund door de verklaring van haar moeder, [getuige 4].

[getuige 4] verklaart dat zij zich kan herinneren dat het schuurtje op slot was toen zij die open wilde doen en dat verdachte - daarnaar gevraagd - vertelde dat aangeefster met hem mee wilde naar het toilet. Aangeefster bevond zich samen met verdachte in het afgesloten schuurtje.

Ten aanzien van de periode waarin het misbruik heeft plaatsgevonden verklaart aangeefster dat zij twee aanknopingspunten heeft. Verdachte had een relatie met [naam 1] en deze relatie is verbroken toen het misbruik speelde. Verdachte verklaart dat hij een relatie heeft gehad met [naam 1] en plaatst het begin van deze relatie rond zijn zestiende jaar. Aangeefster verklaart voorts dat gedurende het misbruik de Bijlmerramp plaatsvond. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat deze ramp plaatsvond op 4 oktober 1992. Gevraagd naar de periode waarin het misbruik plaatsvond verklaart aangeefster dat het oppassen door verdachte is gestopt toen de broer van haar moeder overleed. Aangeefster doelt hiermee op [naam 2]. Hij is overleden op [datum] 1993. Aangeefster verklaart voorts dat het gebeuren in het schuurtje van haar opa en oma een van de laatste keren is geweest dat zij seksueel contact met verdachte had en dat zij toen ongeveer 9 jaar was.

Verdachte verklaart dat hij vanaf zijn 14e of 15e jaar regelmatig op aangeefster en haar broertje paste in het huis aan de [adres 1] te Dordrecht en dat hij de kinderen dan wel eens een tekenfilm liet kijken of GTST, ook als het eigenlijk niet mocht van zijn zus [getuige 4]. Verdachte verklaart dat zijn zus een kast vol seksboekjes had en dat hij die daar wel eens las. Verdachte ontkent dat hij ooit seksueel contact met aangeefster heeft gehad.

Getuigen

De rechtbank gebruikt voorts voor het bewijs de diverse verklaringen die zijn afgelegd door getuigen met betrekking tot hetgeen aangeefster hun heeft verteld over het misbruik door verdachte.

Getuige [getuige 1] verklaart dat zij op 8- jarige leeftijd aan aangeefster heeft verteld over een incident waarbij zij gezien heeft dat een paar kinderen in een schuur 'het' deden, waarna zij bedreigd werd om dat ook te doen met een jongen van haar leeftijd. Zij en de jongen hebben toen ontkleed op elkaar gelegen. Getuige [getuige 1] verklaart het volgende:

"Een paar dagen later speelden we weer samen in de speeltuin in Wielwijk en daar vertelde ze mij dat zij ook zoiets had meegemaakt met [verdachte], de broer van haar moeder".

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de verklaringen van aangeefster en getuige [getuige 1] niet met elkaar overeenstemmen ten aanzien van de leeftijd waarop aangeefster een en ander aan [getuige 1] heeft verteld. Immers, in het proces-verbaal van het intake gesprek heeft aangeefster verklaard dat zij het tien jaar geleden aan [getuige 1] heeft verteld. De rechtbank overweegt het volgende. Aangeefster heeft - hierover bevraagd bij de rechter-commissaris - verklaard dat zij het aan getuige [getuige 1] heeft verteld tussen haar tiende en elfde jaar. Getuige [getuige 1] verklaart hierover bij de rechter-commissaris dat zij denkt dat aangeefster het aan haar heeft verteld toen zij 8 of 9 jaar waren. Getuige [getuige 1] relateert dit aan de plek waar zij en aangeefster op dat moment waren, namelijk de speeltuin maar dat zij niet zeker weet hoe oud ze was.

De rechtbank stelt vast dat het proces-verbaal informatief gesprek is opgemaakt aan de hand van handgeschreven aantekeningen die zich achter het proces-verbaal bevinden. Deze aantekeningen vermelden in de rubriek 'hoe is dat bekend geworden' het volgende:

" 1e verteld vriendin [getuige 1] ... onleesbaar ... +- 10 á 11 jaar".

De rechtbank stelt vast dat de handgeschreven aantekeningen bij het proces-verbaal overeenkomen met de verklaring van aangeefster dat zij het op 10 à 11 jarige leeftijd aan [getuige 1] heeft verteld en zal dan ook uitgaan van die verklaring. De rechtbank is - met inachtneming van de omstandigheid dat aangeefster en getuige [getuige 1] een jaar in leeftijd verschillen - van oordeel dat de beide verklaringen niet strijdig zijn met elkaar. De rechtbank verwerpt het verweer.

Aangeefster verklaart dat zij haar [getuige 8] op veertienjarige leeftijd oppervlakkig heeft verteld over het misbruik door verdachte. Getuige [getuige 8] ontkent dat zij voor juli 2008 eerder van het misbruik heeft gehoord. Getuige [getuige 7] verklaart het volgende ten aanzien van het moment waarop hij getuige [getuige 8] hierop heeft aangesproken:

"Toen zei [getuige 8] dat [slachtoffer] het verhaal vroeger aan [getuige 8] had verteld. (....) [getuige 8] zei daarop dat zij destijds aan [slachtoffer] had beloofd het verhaal niet te vertellen. [slachtoffer] was toen nog jong en [getuige 8] wist niet of het verhaal waar was. (...)".

Getuige [getuige 6] verklaart hierover het volgende:

" Ik heb daar toen later met [getuige 8] over gesproken. Ik heb tegen [getuige 8] gezegd dat ik het raar vond dat [getuige 8], toen zij dat van [slachtoffer] gehoord had, het niet tegen de moeder van [slachtoffer] had verteld. (...) [getuige 8] zei tegen mij dat ze het verhaal niet tegen [getuige 4] had verteld omdat [slachtoffer] haar dat gevraagd had".

Ook verdachte refereert in zijn verklaring aan de wetenschap van zijn schoonzus [getuige 8]. Hij verklaart: "Van mijn schoonzus heb ik begrepen dat [slachtoffer] haar al eens eerder heeft verteld dat ik aan [slachtoffer] zou hebben gezeten. Mijn schoonzus heet [getuige 8]"

De rechtbank gaat er op grond van voormelde verklaringen vanuit dat aangeefster rond haar veertiende jaar aan haar [getuige 8] iets heeft verteld over het misbruik door verdachte.

Getuige [getuige 5] verklaart dat aangeefster 10 à 11 jaar geleden aan haar heeft verteld dat ze misbruikt was door de broer van haar moeder en dat deze aan haar borsten had gezeten en dat zij aan zijn penis moest zitten. Getuige [getuige 5] verklaart dat zij 10 à 11 jaar geleden wist dat het om [verdachte] ging en dat aangeefster toen 16 jaar was.

Getuige [getuige 2] verklaart dat zij zeventien jaar was toen aangeefster haar vertelde dat haar oom [verdachte] aan haar had gezeten en ook iets over een schuur. Getuige [getuige 2] verklaart: "Zoals ze het mij vertelde kwam het bij mij over dat ze door haar oom werd gelokt en dat het gebeurde op de slaapkamer van haar ouders. (......) Ze heeft mij verteld dat haar oom haar een keer in de schuur aan haar borsten heeft aangeraakt. Hij zou haar daar hebben vastgepakt. Ze heeft me verder niet gedetailleerd verteld hoe of wat er precies is gebeurd. Ik weet nog wel dat ze vertelde dat hij de deur op slot had gedaan en dat ze bang was als hij op kwam passen (...)" De rechtbank stelt vast dat aangeefster in die periode ongeveer achttien jaar moet zijn geweest.

Dagboek aangeefster

Ten slotte gebruikt de rechtbank voor het bewijs de fragmenten uit het dagboek van aangeefster waarin zij het volgende heeft geschreven:

18 februari 1998; "Ik moet even me hart luchten. Vroeger ik was een meisje van een jaar of 6 à 8 jaar. Me vader en moeder gingen in het weekend af en toe op stap dan paste mijn [verdachte] altijd op en toen heeft hij mijn sexueel misbruikt en nu heb ik het daar best moeilijk mee. Maar ik durf er niet met mijn ouders over te praten want dan komt mijn familie het ook te weten en die gaan me toch niet geloven. (...) Me vriendinnen weten het wel en ik zou zo graag willen dat hij ervoor gestraft wordt. En weet je wat ik nog het ergst vind dat hij gewoon met een staale gezicht bij ons langskomt maar sorry, ik walg echt van hem. Ik haat hem. Tieves klootzak (....)''

17 augustus 1999: "(...) wat heeft het leven toch voor zin. Wat moet ik hier nou nog doen overal ben ik teveel kan nog geen eens eerlijk zijn tegen iedereen die mijn dierbaar is. (..) tegen me eigen moeder kan ik niet eens eerlijk zijn. Ik kan slechts tegen me moeder gaan zeggen dat ik sexueel misbruikt ben door haar jongste broertje. Ik wil dood. (...)"

Niet is gesteld of gebleken dat aangeefster de passages niet zelf, niet uit zichzelf, en niet over zichzelf zou hebben geschreven zodat de rechtbank uitgaat van de authenticiteit van dat dagboek.

Ten aanzien van de betrouwbaarheid

Nu de bewijsmiddelen ten aanzien van het ten laste gelegde in overwegende mate afkomstig zijn uit de verklaringen van aangeefster of daarvan zijn afgeleid dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of zij die verklaringen van aangeefster betrouwbaar vindt. Daarbij overweegt de rechtbank dat - wanneer een aangifte eerst na een groot aantal jaren wordt gedaan en afkomstig is uit één bron - deze kritisch dient te worden bekeken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Door Prof. dr. mr. E. Rassin is een onderzoek uitgevoerd naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer]. Hij heeft daarbij, mede gelet op het tijdsverloop tussen het gestelde misbruik en de aangifte, waardoor andere onderzoeksmethoden niet voor de hand liggen, het oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster gelieerd aan de mate waarin alternatieve verklaringen voor de geuite beschuldigingen voor de hand liggen. Op grond van dat onderzoek concludeert hij dat vanuit gedragswetenschappelijk oogpunt weinig gezegd kan worden over de betrouwbaarheid van de belastende verklaringen van aangeefster. De verklaringen van verdachte en aangeefster staan tegenover elkaar terwijl het onmogelijk is gebleken om de relatieve waarschijnlijkheid van beide te beoordelen.

De rechtbank acht de informatie van aangeefster betrouwbaar en overweegt daartoe het volgende. Aangeefster heeft weliswaar haar aangifte eerst na een groot aantal jaren gedaan doch vast staat dat zij reeds kort na de periode waarin het misbruik zou zijn voorgevallen (aangeefster was toen rond de tien à elf jaar) aan een vriendinnetje heeft verteld wat haar was overkomen en heeft daarbij ook de naam van verdachte genoemd. Daarna begint aangeefster op veertienjarige leeftijd in haar dagboek verslag te doen van het misbruik waarbij aangeefster onder meer schrijft over haar gemoedstoestand en haar dilemma ten aanzien van het niet kunnen vertellen over het misbruik aan haar moeder. In het bijzonder deze eerdere meldingen van aangeefster maken dat de rechtbank de aangifte als betrouwbaar aanmerkt. In de jaren daarna (op respectievelijk vijftienjarige, zestienjarige en achttienjarige leeftijd) vertrouwt aangeefster het misbruik ook toe aan haar tante en twee vriendinnen. Voorts constateert de rechtbank dat aangeefster in haar aangifte vertelt over opvallende specifieke details (zoals het liggen met de billen over de rand van het bed en het in het schuurtje op de wasmachine zitten) die de rechtbank eveneens geloofwaardig voorkomen. Nu voorts op geen enkele wijze is gebleken van een motief om verdachte ten onrechte te belasten, ook niet in de jaren kort nadat het misbruik zou hebben plaatsgevonden, en er ook overigens geen verklaring is voor een onjuiste beschuldiging, is in de hiervoor genoemde omstandigheden de aanleiding gelegen om uit te gaan van de geloofwaardigheid van aangeefster.

Redengevend voor die conclusie is voorts dat de verklaring van aangeefster wat het incident in de schuur van opa en oma betreft gevalideerd kan worden door de verklaring van haar moeder. De rechtbank verwerpt het verweer.

De raadsman heeft betoogd dat het in het licht van de geuite beschuldigingen door aangeefster richting verdachte opmerkelijk is dat aangeefster in haar dagboek op 16 juli 1999 heeft geschreven dat ze door [naam 3] is ontmaagd. De rechtbank overweegt te dien aanzien dat het niet uit te sluiten is dat die gelegenheid in de beleving van aangeefster de eerste keer is geweest dat ze met een vriendje van haar eigen leeftijd seks had. Naar het oordeel van de rechtbank is de opgenomen passage dan ook niet redengevend voor de conclusie dat het misbruik niet zou zijn gebeurd.

Dat sprake zou kunnen zijn van een 'persoonsverwisseling' zoals door verdachte en zijn raadsman is gesteld acht de rechtbank niet aannemelijk. Daarbij acht de rechtbank van belang dat aangeefster reeds in haar gesprek met [getuige 1], een gesprek dat relatief kort na het misbruik heeft plaatsgevonden, de naam van verdachte heeft genoemd als pleger van dat misbruik.

Op grond van de hiervoor opgesomde bewijsmiddelen, in samenhang bezien met het oordeel omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in of omstreeks de periode van

02 november 1991 tot en met 30 november 1991 te Dordrecht,

vleselijke gemeenschap heeft gehad met

een meisje beneden de leeftijd van twaalf jaren,

te weten met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1983;

2.

in of omstreeks de periode van

01 december 1991 tot en met 25 augustus 1993 te Dordrecht,

meermalen, (telkens) met [slachtoffer] (geboren op

[geboortedatum] 1983), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,

(telkens) een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of

mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[slachtoffer],

hebbende verdachte (telkens)

- zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of

- aan de vagina van die [slachtoffer] gelikt en/of

- zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en/of

- zich laten pijpen door die [slachtoffer] en/of

- die [slachtoffer] gevingerd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 (primair)

MET IEMAND BENEDEN DE LEEFTIJD VAN TWAALF JAREN VLESELIJKE GEMEENSCHAP HEBBEN

feit 2 (primair)

MET IEMAND BENEDEN DE LEEFTIJD VAN TWAALF JAREN HANDELINGEN PLEGEN DIE MEDE BESTAAN UIT HET SEKSUEEL BINNENDRINGEN VAN HET LICHAAM, MEERMALEN GEPLEEGD

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht in de onderhavige zaak en hetgeen hij bewezen heeft geacht in de zaak met het parketnummer 11/711268-09, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de eis van de officier van justitie fors is, mede gelet op het tijdsverloop sinds de ten laste gelegde feiten . Hij heeft de rechtbank verzocht in de zaak met het parketnummer 11/711268-09 het meerderjarigenstrafrecht toe te passen en - voor zover de rechtbank tot een strafoplegging zal komen - voor beide zaken één straf op te leggen. In dat licht heeft de verdediging de rechtbank voorts verzocht om in de strafoplegging rekening te houden met de impact die de aangifte van het slachtoffer op het leven van verdachte en zijn gezin heeft gehad.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige zedendelicten. Hij heeft zijn zeven- tot negenjarige nichtje, bij wie hij regelmatig oppaste, tijdens dat oppassen, gedurende ruim 2,5 jaar seksueel misbruikt. In die periode was verdachte deels minderjarig. Bij separaat vonnis van 10 maart 2011 doet de rechtbank tevens uitspraak over het misbruik dat in die periode heeft plaatsgevonden. Het misbruik heeft hieruit bestaan dat verdachte en het slachtoffer meermalen, op aandringen van verdachte, over en weer allerlei seksuele handelingen bij elkaar hebben verricht. Daarbij is verdachte tevens meerdere malen met zijn penis in de vagina van het slachtoffer binnengedrongen.

Verdachte heeft op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van aangeefster geschonden. Hierdoor heeft verdachte een normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft, doorkruist. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. Ook in dit geval heeft - blijkens de ter terechtzitting voorgehouden slachtofferverklaring - het misbruik een enorme impact gehad op het leven van het slachtoffer, die zich met name in de jongvolwassen leeftijd heeft geopenbaard.

Verdachte heeft bij dit alles kennelijk nimmer stilgestaan en heeft zijn eigen bevrediging vooropgesteld.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd, in beginsel niet anders kan worden gereageerd dan door het opleggen van een vrijheidsbenemende straf

Voor delicten zoals in onderhavige zaak bewezen verklaard, wordt in de regel een gevangenisstraf van 3 tot 4 jaar opgelegd aan een persoon die niet eerder in verband met een soortgelijk feit met justitie in aanraking is geweest. De rechtbank zal die straf als uitgangspunt hanteren. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de straf die aan verdachte wordt opgelegd in verband met het misbruik gedurende de periode dat verdachte minderjarig was.

De rechtbank neemt als strafverzwarende omstandigheid in aanmerking dat het misbruik heeft plaatsgevonden in familieverband en verdachte aldus misbruik heeft gemaakt van de tussen hem en het slachtoffer bestaande afhankelijkheidsrelatie. In strafverzwarende zin wordt voorts in aanmerking genomen de zeer jonge leeftijd van het slachtoffer ten tijde van het misbruik en het grote leeftijdverschil tussen verdachte en het slachtoffer.

Als strafverminderende omstandigheid neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte ten tijde van het misbruik een relatief jeugdige leeftijd had.

Wat de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden betreft heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 14 januari 2011 - waaruit blijkt dat verdachte niet eerder in verband met soortgelijke feiten met justitie in aanraking is geweest - en het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland van 11 augustus 2009.

Gelet op het aanzienlijke tijdsverloop sinds de feiten hebben plaatsgevonden en de omstandigheid dat Reclassering Nederland - door de ontkennende houding van verdachte - geen strafadvies heeft kunnen formuleren ziet de rechtbank geen aanleiding om de aan verdachte op te leggen vrijheidsbenemende straf deels voorwaardelijk op te leggen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die door verdachte in voorlopige hechtenis is doorgebracht.

8 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straf berust op de artikelen 57, 244 (oud), 244 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9

De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden;

- beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele, voorzitter, mr. M.A.C. Prins en mr. R.E. Drenth, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange griffier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2011.

Mr. R.E. Drenth is door afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

02 november 1991 tot en met 30 november 1991 te Dordrecht,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) vleselijke gemeenschap heeft gehad met

een meisje beneden de leeftijd van twaalf jaren,

te weten met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1983;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

02 november 1991 tot en met 30 november 1991 te Dordrecht

meermalen, althans eenmaal, (telkens) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn

zorg toevertrouwde minderjarige [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1983,

immers heeft hij, verdachte, (telkens)

- aan de vagina van die [slachtoffer] gelikt en/of

- zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en/of

- zich laten pijpen door die [slachtoffer] en/of

- die [slachtoffer] gevingerd;

en/of

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

02 november 1991 tot en met 30 november 1991 te Dordrecht

meermalen, althans eenmaal, (telkens) met [slachtoffer], geboren op

[geboortedatum] 1983, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,

een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd,

bestaande in het (telkens) ontuchtig

- likken aan de vagina van die [slachtoffer] en/of

- zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en/of

- zich laten pijpen door die [slachtoffer] en/of

- vingeren van die [slachtoffer];

art 247 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

01 december 1991 tot en met 31 december 1993 te Dordrecht,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) met [slachtoffer] (geboren op

[geboortedatum] 1983), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,

(telkens) een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of

mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[slachtoffer],

hebbende verdachte (telkens)

- zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of

- aan de vagina van die [slachtoffer] gelikt en/of

- zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en/of

- zich laten pijpen door die [slachtoffer] en/of

- die [slachtoffer] gevingerd;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

01 december 1991 tot en met 31 december 1993 te Dordrecht

meermalen, althans eenmaal, (telkens) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn

zorg toevertrouwde minderjarige [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1983,

immers heeft hij (telkens)

- aan de vagina van die [slachtoffer] gelikt en/of

- zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en/of

- zich laten pijpen door die [slachtoffer] en/of

- die [slachtoffer] gevingerd;

en/of

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

01 december 1991 tot en met 31 december 1993 te Dordrecht,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) met [slachtoffer] (geboren op

[geboortedatum] 1983), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had

bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd,

(telkens) bestaande uit het

- likken aan de vagina van die [slachtoffer] en/of

- zich laten aftrekken door die [slachtoffer] en/of

- zich laten pijpen door die [slachtoffer] en/of

- vingeren van die [slachtoffer];

art 247 Wetboek van Strafrecht

Parketnummer: 11/711269-09

Vonnis d.d. 10 maart 2011