Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BP5587

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
24-02-2011
Datum publicatie
24-02-2011
Zaaknummer
90991 KG ZA 11-35
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondanks prijsgeven non-concurrentiebeding na beëindiging vennootschappelijke relatie toch onrechtmatig handelen aangenomen van de uitgetreden vennoot omdat deze handelingen heeft verricht die onder de omstandigheden als onrechtmatig zijn aan te merken. Te meer omdat het prijsgeven van het non-concurrentiebeding uitsluitend het oogmerk had de uitgetreden vennoot niet van zijn brood te beroven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

Zaaknummer/ rolnummer: 90991 KG ZA 11-35

vonnis in kort geding van 24 februari 2011

in de zaak van

[eiser 1], wonende te Papendrecht,

en

[eiser 1 en 2], gezamenlijk handelende onder de naam HB TIMMER & ONDERHOUDSBEDRIJF V.O.F.,

gevestigd te Papendrecht,

eisers,

advocaat: mr. J.P. de Man,

tegen

[gedaagde], mede handelende onder de naam [X] TIMMERWERKEN,

wonende te [adres],

gedaagde,

advocaat: mr. P.J. Velthuizen.

Eiser [eiser 1] wordt hierna afzonderlijk aangeduid met [eiser 1] en of HB Oud, [eiser 1 en 2] gezamenlijk met HB Nieuw. Gedaagde wordt hierna aangeduid met [gedaagde].

1. De procedure

1.1 De voorzieningenrechter heeft ter terechtzitting van 10 februari 2011 kennis genomen van de volgende processtukken:

- de dagvaarding van 28 januari 2011;

- de pleitnota’s van partijen;

- de door partijen overgelegde producties.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3 De voorzieningenrechter gaat er van uit dat daar waar eisers steeds de naam “HB Timmerwerken” in de processtukken vermelden, soms HB Oud, soms HB Nieuw en soms Oud en Nieuw tezamen worden bedoeld, wat uit de context zal blijken.

2. De feiten

2.1 [eiser 1] en [gedaagde] waren vanaf 2007 vennoten in de vennootschap onder firma HB Timmer en Onderhoudsbedrijf (hierna: HB Oud) met als doel het voor gezamenlijke rekening exploiteren van een timmer- en onderhoudsbedrijf. De vennootschap heeft de eerdere eenmanszaak van [eiser 1] feitelijk voortgezet.

2.2 In art. 15 van de vof-overeenkomst staat het volgende:

Artikel 15: concurrentie

Lid 1 : het is ieder der vennoten verboden tijdens de duur van de vennootschap bij een

andere onderneming werkzaam te zijn of daarbij rechtstreeks of zijdelings betrokken

te zijn, behoudens schriftelijke toestemming van de andere veno(o)t(en).

Lid 2 : bij uittreding uit de vennootschap door één der vennoten, terwijl de andere

venno(o)t(en) de onderneming voortzet(ten), zal het aan de uitgetreden vennoot

verboden zijn gedurende 1 jaar na uittreden en binnen een kring, met de

vennootschap als middelpunt en met een straal van 30 km, een soortgelijke

onderneming als die der vennootschap uit te oefenen of te doen uitoefenen, bij een

zodanige onderneming werkzaam ofwel rechtstreeks of zijdelings betrokken te zijn.

Lid 3: de vennoot die deze bepalingen overtreedt verbeurt, nadat hij in gebreke is gesteld, op

grond van het bovenstaande een boete van 50.000,--. Ten behoeve van de andere

vennoot voor elke overtreding; onverminderd alle verdere rechten van de andere

vennoot ingevolge de onderhavige overeenkomst en ingevolge de wet.

2.3 Op 26 augustus 2010 heeft [gedaagde] de vof-overeenkomst opgezegd (tegen 26 november 2010) en op 2 september 2010 heeft hij de eenmanszaak [X] Timmerwerken te Sliedrecht opgericht. [eiser 1] heeft tegen deze oprichting (die hem op een later moment is medegedeeld) geen bezwaar gemaakt en heeft ermee ingestemd dat [gedaagde] een grote klant van HB Oud, het bedrijf Vogel, meenam. Een andere grote klant Hornbach genaamd is samen met alle andere klanten bij HB Oud gebleven.

2.4 De vennootschap HB Oud is na uittreding van [gedaagde] per 26 november 2010 ontbonden en verkeert thans in liquidatie. [eiser 1] heeft samen met [eiser 2], zijn zoon, op 26 november 2010 een nieuwe vennootschap onder firma met dezelfde naam opgericht (hierna verder HB Nieuw) waarin de vermogensbestanddelen van de oude vennootschap zijn ingebracht.

2.5 De bedrijfskleding van HB Oud wordt ook door HB Nieuw gebruikt.

2.6 [gedaagde] heeft ten behoeve van zijn eenmanszaak de website, www.[X]-timmerwerken.nl opgericht. [gedaagde] heeft daarop gepubliceerd: foto’s van werken van HB Oud, een aanprijzing van [X] Timmerwerken door een bestaande klant van HB Oud, en een hyperlink naar een grote klant, tevens doorverwijzer van HB Oud, genaamd Hornbach.

2.7 In november 2010 heeft [gedaagde] meerdere klanten van HB Oud schriftelijk benaderd, zijn nieuwe onderneming voorgesteld en zich als opdrachtnemer aangeboden. In die brief is het volgende vermeld:

“(…)

Betreft: [X] Timmerwerken

Sliedrecht november 2010,

Geachte heer, mevrouw [betrokkene 2],

Een nieuw logo, een fris nieuw bedrijf. In de afgelopen jaren heeft u kennis gemaakt met HB Timmer en Onderhoudsbedrijf v.o.f.

Vanaf november 2010 zullen wij geen v.o.f. meer vormen met HB, maar onder bovenstaande naam doorgaan. Ook nu kunt u rekenen op kwaliteit en goede service!!

Wij zijn ook bij De Vlok Geschillencommissie aangesloten voor goede voorwaarden voor u en ons.

We hopen dat u bij een volgende klus aan ons zult denken, we komen dan graag langs om een vrijblijvende offerte te maken!!

p.s.: neemt u eens een kijkje op www.[X]-timmerwerken.nl

vriendelijke groet,

[X] Timmerwerken”

2.8 In november 2010 is de website van HB Oud - waar [gedaagde] tijdens de samenwerking het beheer over had - door de heer [betrokkene 1] (vriend van [gedaagde] en computerdeskundige) uit de lucht gehaald. Na protest van [eiser 1] is de website weer in de lucht gebracht waarbij de tekst van de website is verwijderd en gedurende een week is vervangen door teksten als: “Deze site is illegaal dmv handtekening vervalsing, welke een strafbaar feit is!” en “Deze website is tijdelijk niet beschikbaar i.v.m. onrechtvaardige overname van de site. P.S. Had het op z’n minst gewoon even gevraagd, de overname van de site had dan geen enkel probleem geweest, groet [betrokkene 1].”

2.9 Bij e-mail van 2 december 2010 is [gedaagde] gesommeerd om het stelselmatig benaderen van klanten van HB Oud te staken. In een antwoord e-mail van 2 december 2010 heeft [gedaagde] medegedeeld dat er alleen (mondelinge) afspraken zijn gemaakt over de klanten Hornbach en Vogel alsmede dat er geen concurrentiebeding in de vof-overeenkomst is opgenomen, zodat benadering van welke klanten dan ook mogelijk is.

3. Het geschil

3.1 [eiser 1] en HB Nieuw vorderen (na eisvermeerdering) bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om:

1. [gedaagde] te verbieden om al degenen die klant zijn geweest van de tot 26 november 2010 bestaand hebbende HB Oud, alsmede Hornbach, in haar hoedanigheid van doorverwijzer van klanten naar voornoemde vof, te benaderen, onder verbeurte van een dwangsom van

€ 25.000,-- voor iedere keer dat [gedaagde] dit verbod overtreedt;

2. [gedaagde] te verbieden om opdrachten te werven van al degenen die klant zijn geweest van HB Oud of anderszins economisch profijt van opdrachten van voornoemde klanten te trekken, onder verbeurte van een dwangsom van € 25.000,-- voor iedere keer dat [gedaagde] dit verbod overtreedt;

3. [gedaagde] te gebieden om binnen zeven dagen na het te wijzen vonnis een volledige en juiste opgave te verstrekken van (1) alle klanten/relaties van HB Oud die [gedaagde] heeft aangeschreven (2) alle voormelde klanten/relaties die [gedaagde] anderszins heeft benaderd (3) alle voormelde klanten/relaties die aan [gedaagde] reeds een opdracht hebben verstrekt, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor elke dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] nalaat dit gebod tot volledige en juiste opgave na te leven;

4. [gedaagde] te verbieden om zich in bedrijfskleding van HB Oud en Nieuw te hullen en [gedaagde] te gebieden om binnen 3 werkdagen na het te wijzen vonnis alle in het bezit zijnde bedrijfskleding van HB Oud en Nieuw, te weten zwarte polo’s, t-shirts, sweaters en blauwe werkbroeken elk versierd met het bedrijfslogo en de naam “HB Timmerwerken” aan [eiser 1] en HB Nieuw af te geven, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor elke dag of deel daarvan dat [gedaagde] respectievelijk dit verbod overtreedt en nalaat dit gebod na te leven;

5. [gedaagde] te gebieden om binnen 3 werkdagen na het te wijzen vonnis de op zijn website voorkomende foto’s die [eiser 1] en HB Nieuw door middel van productie 2 bij dagvaarding hebben overgelegd van zijn website te verwijderen en verwijderd te houden, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor elke dag of deel daarvan dat [gedaagde] nalaat dit gebod na te leven;

6. [gedaagde] te verbieden om andere dan de foto’s die [eiser 1] en HB Nieuw door middel van productie 2 bij dagvaarding hebben overgelegd en die eveneens werkzaamheden van HB Oud en Nieuw weergeven op zijn website te plaatsen, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor elke dag of deel daarvan dat [gedaagde] dit verbod overtreedt;

7. [gedaagde] te gebieden om binnen 3 werkdagen na het te wijzen vonnis, de link naar Hornbach van zijn website te verwijderen en verwijderd te houden, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor elke dag of deel daarvan dat [gedaagde] nalaat dit gebod na te leven;

8. [gedaagde] te verbieden om andere verwijzingen naar Hornbach, dan de link naar Hornbach die momenteel op de website van [X] Timmerwerken staat, op zijn website te

plaatsen, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor elke dag of deel daarvan dat [gedaagde] dit verbod overtreedt;

9. [gedaagde] te gebieden om binnen 3 werkdagen na het te wijzen vonnis iedere vermelding van en iedere verwijzing naar HB Oud en Nieuw van zijn website te verwijderen en verwijderd te houden, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor elke dag of deel daarvan dat [gedaagde] nalaat dit gebod na te leven;

10. [gedaagde] te verbieden om in zijn bedrijfspresentaties, zijn wervingsbrieven en elke andere reclame uiting melding te maken van en/of te verwijzen naar HB Oud en Nieuw, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor elke dag of deel daarvan dat [gedaagde] dit verbod overtreedt;

11. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser 1] van een bedrag van € 50.000,-- dan

wel een ander in goede justitie vast te stellen bedrag, als voorschot op de verschuldigde contractuele boete;

12. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser 1] en HB Nieuw van een bedrag van

€ 25.000,-- dan wel een ander in goede justitie vast te stellen bedrag als voorschot op de volledig verschuldigde schadevergoeding;

13. [gedaagde] te gebieden om binnen drie werkdagen na het te wijzen vonnis alle medewerking te verlenen tot overdracht aan [eiser 1] en HB Nieuw van de mobiele telefoonnummers

06-43223912 en 06-43223913 en de simkaarten, behorend bij deze nummers aan [eiser 1] en HB Nieuw af te geven, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor elke dag of deel daarvan dat [gedaagde] nalaat dit gebod na te leven;

14. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke

rente vanaf 14 dagen na het te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening.

3.2 [eiser 1] en HB Nieuw stellen daartoe het volgende.

[gedaagde] heeft, althans zo verstaat de voorzieningenrechter dat, als voormalig vennoot van HB Oud enkele belangrijke verplichtingen uit de vof-overeenkomst geschonden en daarmee wanprestatie jegens [eiser 1] gepleegd, alsmede heeft [gedaagde] jegens beiden onrechtmatig gehandeld. [gedaagde] heeft onder meer in strijd gehandeld met het non-concurrentiebeding ex artikel 15 van de vof-overeenkomst door gedurende zijn vof-deelname betrokken te zijn bij een concurrerende onderneming en zowel tijdens zijn vof deelname als erna klanten van HB Oud en Nieuw te benaderen/werven. [eiser 1] heeft geen bezwaar gemaakt tegen het starten van een eigen onderneming door [gedaagde], binnen de straal van 30 km, omdat hij toen nog niet wist dat [gedaagde] hem in strijd met het non-concurrentiebeding of onrechtmatig zou gaan beconcurreren. Volgens de vof-overeenkomst komt het bedrijf en de klanten/relaties van HB Oud aan de voortzettende vennoot [eiser 1] toe. Ook de foto’s van HB Oud op de website van [gedaagde] behoren aan de voortzettende vennoot [eiser 1] toe. Met de doorverwijzing op de website naar Hornbach tracht [gedaagde] zelf doorverwijzingen te verwerven. De bedrijfskleding, die op foto op de site van [gedaagde] zichtbaar is, dient [gedaagde] in te leveren, zodat iedere associatie tussen HB Oud en Nieuw enerzijds en [gedaagde] anderzijds wordt voorkomen. Op grond van de concurrerende handelingen is [gedaagde] de contractueel overeengekomen boete van € 50.000,-- verschuldigd jegens [eiser 1]. Daarnaast hebben [eiser 1] en HB Nieuw door de gedragingen van [gedaagde] schade geleden en lijdt HB Nieuw nu eveneens schade, bestaande uit omzetverlies. Als voorschot op deze schade vorderen [eiser 1] en HB Nieuw een bedrag van € 25.000,--.

3.3. [gedaagde] beschikt over twee zakelijke mobiele telefoonnummers van [eiser 1] en HB Oud. [eiser 1] en HB Nieuw vorderen medewerking van [gedaagde] tot overdracht van deze nummers en afgifte van de zogenoemde sim-kaarten, omdat zij er geen vertrouwen in hebben dat bellende klanten op deze nummers naar HB Nieuw worden doorgeleid. [eiser 1] en HB Nieuw hebben een spoedeisend belang om voortzetting door [gedaagde] van ongeoorloofde handelingen te voorkomen.

3.4 [gedaagde] voert verweer. Op de inhoud van zijn verweer wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Vast staat dat [eiser 1] in deze procedure optreedt als vennoot van de oude vennootschap en dat hij en [eiser 2] optreden als vennoten van HB Nieuw. Nu onbestreden is dat HB Oud in HB Nieuw is ingebracht, hebben ook de vennoten in de nieuwe vennootschap belang bij de vorderingen. HB Oud is als het ware overgenomen, met alle daaraan verbonden rechten en plichten. In zoverre is ook HB Nieuw ontvankelijk in haar vorderingen.

4.2 Het spoedeisend belang van [eiser 1] en HB Nieuw volgt reeds genoegzaam uit hun stellingen inhoudende dat zij worden geconfronteerd met concurrerende handelingen van [gedaagde] en dat zij als gevolg daarvan schade hebben geleden en nog zullen lijden.

4.3 Volgens [gedaagde] kan [eiser 1] zich niet meer op het in de vof-overeenkomst opgenomen non-concurrentiebeding beroepen omdat [eiser 1] toestemming heeft gegeven voor oprichting van een eigen onderneming. Dit verweer gaat op. Immers heeft [gedaagde] toestemming gekregen om een eigen onderneming binnen de meergenoemde straal van 30 kilometer met de vennootschap (HB Oud) als middelpunt te vestigen. Daarmede heeft [eiser 1], naar voorlopig oordeel, het in art 15 lid 2 van de vof-overeenkomst neergelegde non-concurrentiebeding vanaf dat moment prijsgegeven.

4.4 Het non-concurrentiebeding, neergelegd in lid 1 van art 15 kan nog wel een rol spelen over de periode waarin [gedaagde] vennoot van HB Oud is gebleven namelijk tot 26 november 2010. De vraag is of [gedaagde] in die periode nevenwerkzaamheden heeft verricht. Duidelijk is dat [gedaagde] tijdens zijn deelneming in de vennootschap voorbereidingen heeft verricht ten behoeve van zijn nieuwe onderneming. Of [gedaagde] in die periode echter ook nevenwerkzaamheden (in concurrerende zin) heeft verricht kan thans onvoldoende worden vastgesteld en is bij uitstek een taak voor de bodemrechter.

4.5 Het prijsgeven van het in art 15 lid 2 van de vof-overeenkomst genoemde non-concurrentie beding laat onverlet dat de handelingen van [gedaagde] jegens [eiser 1] en HB Nieuw als onrechtmatig kunnen worden aangemerkt. Juist door het afstand doen door [eiser 1] van het in art 15 lid 2 bepaalde, kreeg [gedaagde] ruimte, die hem eerst niet toekwam, maar dan wel een ruimte die hij met grote zorgvuldigheid diende te gebruiken. Immers werd hem die ruimte niet gegeven om HB Nieuw op doelgerichte wijze te gaan beconcurreren, maar slechts om hem in staat te stellen om in zijn eigen levensonderhoud te kunnen voorzien.

4.6 Voldoende is komen vast te staan dat de gedragingen van [gedaagde] niet stroken met een, zeker onder die omstandigheden, te verwachten correcte bejegening van [eiser 1] en HB Nieuw. Daarbij speelt onder meer een rol dat er misbruik is gemaakt van kennis en gegevens van de vennootschap, dat er misleidende mededelingen over de vennootschap zijn gedaan en dat er getracht is om klanten over te nemen. [gedaagde] heeft ter zitting namelijk erkend 31 klanten van HB Oud - welke klantgegevens tot HB Oud en Nieuw toebehoren - te hebben aangeschreven om opdrachten te verwerven. De inhoud van de brief die [gedaagde] hiervoor heeft gebruikt (waarin verwezen wordt naar “HB Timmerwerken”) wekt de indruk dat “HB Timmerwerken” niet meer bestaat en dat verder wordt gegaan onder de naam [X] Timmerwerken. De website van [gedaagde] waarop dezelfde tekst als in de brief is vermeld en de foto waar [gedaagde] in bedrijfskleding met het logo van HB Oud en Nieuw op te zien is, wekt diezelfde indruk.

4.7 Geoordeeld wordt dan ook dat er sprake is van negatieve en misleidende uitlatingen over HB Oud en Nieuw en dat [gedaagde] niet de nodige zorgvuldigheid jegens HB Oud en Nieuw heeft betracht. Daarnaast is komen vast te staan dat de website van HB Oud, waarover [gedaagde] het beheer had, in november 2010 tijdelijk uit de lucht is gehaald en dat daarop vervolgens zeer belastende teksten voor HB Oud zijn vermeld. [gedaagde] stelt dat de website werd beheerd door [betrokkene 1] en dat hij bij het hele proces op geen enkel moment betrokken is geweest.

4.8 Gebleken is echter dat alle e-mailwisseling tussen [eiser 1] en [betrokkene 1] toen al in kopie naar [gedaagde] is verzonden. [gedaagde] was derhalve volledig op de hoogte en het had op zijn weg gelegen om hierop onmiddellijk actie te ondernemen, wat hij heeft nagelaten. Te meer nu ter zitting is gebleken dat de domeinnaam van de website door HB Oud werd betaald en de website derhalve in het geheel niet aan [betrokkene 1] toebehoorde heeft [gedaagde] met dit nalaten de grenzen van wat in het maatschappelijk verkeer betaamt overschreden en dus onrechtmatig gehandeld.

4.9 De vorderingen van [eiser 1] en HB Nieuw (1 en 2) om [gedaagde] te verbieden om klanten van HB Oud en Hornbach te benaderen, opdrachten van klanten van HB Oud te werven op verbeurte van een dwangsom worden, behoudens voor wat betreft de klant Vogel, op grond van het voorgaande toegewezen. De vordering (3) om [gedaagde] te gebieden om opgave te verstrekken van de klanten/relaties die hij heeft aangeschreven, benaderd en die hem opdrachten hebben verstrekt, wordt onder verbeurte van de gevorderde dwangsom tevens toegewezen. Voldoende gebleken is dat [eiser 1] en HB Nieuw hierbij belang hebben.

4.10 Voor wat betreft de vordering ten aanzien van de bedrijfskleding (4) wordt geoordeeld als volgt. [gedaagde] heeft erkend nog bedrijfskleding van HB Oud in zijn bezit te hebben en heeft deze overigens ook mee naar de zitting genomen en tegen vergoeding de bereidheid tot afgifte getoond. Nu deze kleding eigendom was van HB Oud en thans van HB Nieuw hebben [eiser 1] en HB Nieuw recht en belang bij teruggave hiervan. Dit deel van de vordering wordt (onder verbeurte van de gevorderde dwangsom) eveneens toegewezen.

4.11 [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat voor verwijdering van foto’s van werken van HB Oud op zijn internetsite geen rechtsgrond is, omdat hij de foto’s heeft gemaakt zodat hij hiervan het auteursrecht heeft. Het betreffen evenwel foto’s van projecten van HB Oud die in geval van publicatie op de website van [gedaagde] verwarring veroorzaken, aangezien dezelfde foto’s ook weer op de site van HB Nieuw staan. Daarom worden deze vorderingen (5 en 6), inhoudende het gebod tot verwijdering van de foto’s die de projecten van HB Oud en Nieuw weergeven en het verbod om andere foto’s op de website te plaatsen, onder verbeurte van de gevorderde dwangsom ook toegewezen.

4.12 De link naar Hornbach op de website van [gedaagde] is volgens [gedaagde] niet onrechtmatig omdat het iedere website-eigenaar is toegestaan om een link te plaatsen. Nu klanten via Hornbach evenwel aan HB Oud en Nieuw toebehoren, hetgeen [gedaagde] in zijn e-mail van 2 december 2010 ook expliciet heeft erkend, schept de link mogelijk verwarring bij bezoekers van de website. Bovendien kan hieruit nog eens temeer worden afgeleid dat het [gedaagde] er om te doen is [eiser 1] en HB Nieuw te treffen aangezien toch vast staat dat [gedaagde] de klant Vogel mocht houden terwijl HB Oud en Nieuw de klant Hornbach zouden blijven bedienen. Het gebod tot verwijdering van de link naar Hornbach en het verbod om andere verwijzingen naar Hornbach te hanteren, onder verbeurte van de gevorderde dwangsom worden (7 en 8) toegewezen.

4.13 De vorderingen om [gedaagde] te gebieden om iedere vermelding en verwijzing naar HB Oud en Nieuw op zijn website te verwijderen en verwijderd te houden, alsmede het verbod om in zijn bedrijfspresentaties, wervingsbrieven, reclame-uitingen te maken van en/of te verwijzen naar HB Oud en Nieuw (9 en 10), onder verbeurte van de gevorderde dwangsom worden gelet op het voren overwogene toegewezen.

4.14 Nu voorshands niet kan worden vastgesteld of [gedaagde] ten tijde van zijn deelneming in HB Oud nevenwerkzaamheden heeft verricht, kan de verschuldigdheid van de boete in kort geding niet worden toegewezen. Dit deel van de vordering (11) wordt afgewezen. Van de zijde van [eiser 1] en HB Nieuw is gesteld dat zij schade hebben geleden door de handelingen van [gedaagde]. Nu [gedaagde] heeft betwist dat er schade is geleden en [eiser 1] en HB Nieuw die schade onvoldoende hebben onderbouwd, is er geen aanleiding voor toewijzing van een voorschot op schadevergoeding. Deze vordering (12) wordt eveneens afgewezen.

4.15 Met betrekking tot de mobiele telefoonnummers heeft [gedaagde] aangevoerd dat overeengekomen was dat hij deze mocht behouden. [eiser 1] en HB Nieuw betwisten dit ook niet, doch stellen dat zij er, gelet op het naderhand gebleken onrechtmatig handelen van [gedaagde] geen vertrouwen in hebben dat bellende klanten naar haar worden doorgeleid. Nu het gaat om zakelijke nummers van HB Oud en Nieuw is het niet uitgesloten dat potentiële of vaste klanten naar die nummers bellen. Gelet op de ten toon gespreide handelwijze van [gedaagde] ten aanzien van HB Oud en Nieuw en het gerechtvaardigde belang van HB Nieuw om verwarring bij haar klanten te vermijden wordt deze vordering eveneens toegewezen.

4.16 Aan de te verbeuren dwangsommen zal een maximum worden verbonden. Dit laat onverlet, dat bij voortgaande overtreding van dit vonnis oplegging van hogere dwangsommen dan wel hernieuwde oplegging van dezelfde dwangsommen kan worden gevorderd.

4.17 [gedaagde] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser 1] en HB Nieuw worden begroot op:

- vast recht € 588,--

- salaris gemachtigde € 816,--

Totaal € 1404,--

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

verbiedt [gedaagde] om al degenen die klant zijn geweest van de tot 26 november 2010 bestaand hebbende vof HB Oud, inclusief Hornbach, in haar hoedanigheid van doorverwijzer van klanten naar voornoemde vof, met uitzondering van de klant Vogel, te benaderen, onder verbeurte van een dwangsom van € 25.000,-- te betalen aan [eiser 1] en HB Nieuw voor iedere keer dat [gedaagde] dit verbod overtreedt, zulks met een maximum van € 50.000,--;

verbiedt [gedaagde] om opdrachten te werven van al degenen die klant zijn geweest van de tot 26 november 2010 bestaand hebbende vof HB Oud of anderszins economisch profijt van opdrachten van voornoemde klanten te trekken, met uitzondering van de klant Vogel, onder verbeurte van een dwangsom van € 25.000,-- te betalen aan [eiser 1] en HB Nieuw voor iedere keer dat [gedaagde] dit verbod overtreedt, zulks met een maximum van € 50.000,--;

gebiedt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis een volledige en juiste opgave te verstrekken van (1) alle klanten/relaties van de voormalige vof HB Oud die [gedaagde] heeft aangeschreven (2) alle voormelde klanten/relaties die [gedaagde] anderszins heeft benaderd (3) alle voormelde klanten/relaties die aan [gedaagde] reeds een opdracht hebben verstrekt, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- te betalen aan [eiser 1] en HB Nieuw voor elke dag of deel daarvan dat [gedaagde] nalaat om het gebod tot volledige en juiste opgave na te leven, zulks met een maximum van € 10.000,--;

verbiedt [gedaagde] om zich in bedrijfskleding van HB Oud en Nieuw te hullen en gebiedt [gedaagde] om binnen 3 werkdagen na betekening van dit vonnis alle in het bezit zijnde bedrijfskleding van HB Oud en Nieuw, te weten zwarte polo’s, t-shirts, sweaters en blauwe werkbroeken elk versierd met het bedrijfslogo en de naam “HB Timmerwerken” aan [eiser 1] en HB Nieuw af te geven, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- te betalen aan [eiser 1] en HB Nieuw voor elke dag of deel daarvan dat [gedaagde] respectievelijk dit verbod overtreedt en nalaat het gebod na te leven, zulks met een maximum van € 10.000,--;

gebiedt [gedaagde] om binnen 3 werkdagen na betekening van dit vonnis de op zijn website voorkomende foto’s die [eiser 1] en HB Nieuw als productie 2 bij dagvaarding hebben overgelegd van zijn website te verwijderen en verwijderd te houden, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- te betalen aan [eiser 1] en HB Nieuw voor elke dag of deel daarvan dat [gedaagde] nalaat dit gebod na te leven, zulks met een maximum van € 10.000,--;

verbiedt [gedaagde] om andere dan de foto’s die [eiser 1] en HB Nieuw door middel van productie 2 bij dagvaarding hebben overgelegd en die eveneens werkzaamheden van HB Oud en Nieuw weergeven op zijn website te plaatsen, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- te betalen aan [eiser 1] en HB Nieuw voor elke dag of deel daarvan dat [gedaagde] dit verbod overtreedt, zulks met een maximum van € 10.000,--;

gebiedt [gedaagde] om binnen 3 werkdagen na betekening van dit vonnis, de link naar Hornbach van zijn website te verwijderen en verwijderd te houden, onder verbeurte van een dwangsom van

€ 1.000,-- te betalen aan [eiser 1] en HB Nieuw voor elke dag of deel daarvan dat [gedaagde] nalaat het gebod na te leven, zulks met een maximum van € 10.000,--;

verbiedt [gedaagde] om andere verwijzingen naar Hornbach, dan de link naar Hornbach die momenteel op de website van [x] Timmerwerken staat, op zijn website te plaatsen, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- te betalen aan [eiser 1] en HB Nieuw voor elke dag of deel daarvan dat [gedaagde] dit verbod overtreedt, zulks met een maximum van

€ 10.000,--;

gebiedt [gedaagde] om binnen 3 werkdagen na betekening van dit vonnis iedere vermelding van en iedere verwijzing naar HB Oud en Nieuw van zijn website te verwijderen en verwijderd te houden, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- te betalen aan [eiser 1] en HB Nieuw voor elke dag of deel daarvan dat [gedaagde] nalaat het gebod na te leven, zulks met een maximum van € 10.000,--;

verbiedt [gedaagde] om in zijn bedrijfspresentaties, zijn wervingsbrieven en elke andere reclame uiting melding te maken van en/of te verwijzen naar HB Oud en Nieuw onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- te betalen aan [eiser 1] en HB Nieuw voor elke dag of deel daarvan dat [gedaagde] dit verbod overtreedt, zulks met een maximum van € 10.000,--;

gebiedt [gedaagde] om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis alle medewerking te verlenen tot overdracht aan [eiser 1] en HB Nieuw van de mobiele telefoonnummers 06-43223912 en 06-43223913 en de simkaarten, behorend bij voornoemde nummers aan [eiser 1] en HB Nieuw af te geven, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- te betalen aan [eiser 1] en HB Nieuw voor elke dag of deel daarvan dat [gedaagde] nalaat dit gebod na te leven, zulks met een maximum van € 10.000,--;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiser 1] en HB Nieuw vastgesteld op € 1.404,--, te vermeerderen met wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis zijn voldaan;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.D. Rentema en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

24 februari 2011 in aanwezigheid van de griffier.