Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BP5090

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
17-02-2011
Datum publicatie
18-02-2011
Zaaknummer
11/500504-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor uitlokking van moord, nu niet kan worden bewezen dat de persoon, waarop de ten laste gelegde uitlokkingshandelingen betrekking hadden, de moord heeft gepleegd. Gezien het ontbreken van dit bewijs, kan tevens niet worden bewezen dat verdachte de moord heeft medegepleegd. Veroordeling voor verboden wapenbezit. Samenhang met de heden gepubliceerde zaak onder het nummer 11.510719-09.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/500504-09 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 februari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] in 1985,

wonende te [woonplaats en adres verdachte],

thans gedetineerd in de PIV Breda, te Breda,

hierna: verdachte.

Raadsman mr. P.J. Wapperom, advocaat te Dordrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 20 januari 2011 en 3 februari 2011, waarbij de officier van justitie mr. J. Koorn, de verdachte en haar raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de benadeelde partijen. De nabestaande [nabestaande] heeft gebruik gemaakt van het spreekrecht.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair:

in de periode van 1 mei 2009 tot en met 15 november 2009 te Dordrecht de door [medeverdachte] en/of (een) ander(en) gepleegde moord op [slachtoffer] op 15 november 2009 te Dordrecht heeft uitgelokt;

Subsidiair:

Feit 1:

op 15 november 2009 te Dordrecht samen met een ander of alleen [slachtoffer] heeft vermoord;

Feit 2:

in de periode van 1 juni 2009 tot en met 20 november 2009 te Dordrecht een pistool en/of munitie voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1:

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen en baseert zijn standpunt op het volgende.

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat medeverdachte [naam medeverdachte] hierna te noemen medeverdachte, [naam slachtoffer] (hierna: slachtoffer) heeft vermoord. De officier van justitie heeft hierbij verwezen naar de volgende bewijsmiddelen:

- het rapport Resultaten pathologie onderzoek d.d. 8 december 200, bijlage: 2.5;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 november 2009, bijlage: 3.15;

- het proces-verbaal van politie d.d. 28 december 2009, bijlage: 4.1;

- rapport Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) wapens- en munitieonderzoek d.d. 5 december 2009, bijlage: 4.1;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 december 2009, bijlage: 1.2.26;

- het proces-verbaal van onderzoek telefoonnummer: 06-59068567, d.d. 8 juli 2010, bijlage: 3.92;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige A], d.d. 27 mei 2010, bijlage: 1.1.43;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige B], d.d. 27 mei 2010, 3 juni 2010 bijlage: 1.1.45;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige C] (hierna: getuige C), d.d. 18 november 2009, bijlage: 1.1.11;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige D], d.d. 15 november 2009, bijlage: 1.1.2;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige E] (hierna: getuige E), d.d. 30 november 2010, bijlage: 1.2.104;

- het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 4 november 2010, bijlage: 0.8.6;

- het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 3] d.d. 28 oktober 2010, bijlage: 0.9.6;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige H], d.d. 6 december 2009, bijlage: 1.2.34;

- het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [verdachte] d.d. 17 december 2009, bijlage: 0.1.6;

- het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [verdachte] d.d. 5 december 2009, bijlage: 0.1.8;

- het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [verdachte] d.d. 6 december 2009, bijlage: 0.1.9;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 december 2009, bijlage: 1.2.27;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige I] (hierna: getuige I), d.d. 7 januari 2010, bijlage: 1.2.72;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 november 2009, bijlage: 3.10;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 november 2009, bijlage: 3.11.

De officier van justitie heeft vervolgens gesteld dat verdachte de moord heeft uitgelokt. De officier van justitie heeft in dat kader betoogd dat verdachte opzet heeft gehad op de uitlokking. Zij heeft immers medeverdachte [medeverdachte] informatie gegeven omtrent het gedragspatroon van het slachtoffer, door hem te vertellen dat zij door het slachtoffer is bedreigd en mishandeld . Voorts heeft verdachte opzet gehad op het verschaffen van middelen en het doen van giften. Het is immers duidelijk dat medeverdachte [medeverdachte] naderhand om geld heeft gevraagd. Daarnaast is vast te stellen dat medeverdachte [medeverdachte] impliciet door verdachte is beloond, doordat zij hem meerdere malen onderdak heeft geboden. De officier van justitie heeft vastgesteld dat verdachte de waarde van deze bewezen dienst wellicht verkeerd heeft opgevat. Dat neemt echter niet weg dat verdachte minstens willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij medeverdachte [medeverdachte] zou belonen door hem onderdak te verschaffen.

Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte opzet had op de moord. Verdachte heeft immers minst genomen de aanmerkelijke de kans aanvaard dat medeverdachte [medeverdachte] het slachtoffer zou gaan doodschieten. Dit blijkt uit het feit dat verdachte medeverdachte [medeverdachte] heeft verzocht om bescherming tegen het slachtoffer. Zij heeft daarbij de opdracht gegeven het slachtoffer een lesje te leren of hem af te trappen, terwijl zij wist dat medeverdachte [medeverdachte] verliefd was op wapens. Bovendien wist zij dat hij altijd een vuurwapen bij zich droeg. Medeverdachte [medeverdachte] heeft naar haar zeggen zelfs geweigerd in te gaan op het verzoek van verdachte om deze wapens niet te dragen in haar woning. Ook heeft verdachte op zijn minst het vermoeden gehad dat verdachte al eerder bij een schietpartij was betrokken.

Feit 2:

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen en baseert zijn standpunt op het volgende.

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige J] (hierna: getuige J), d.d. 5 december 2009, bijlage: 1.2.27;

- het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 december 2009, bijlage: 0.1.6;

- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige I], d.d. 27 november 2009, bijlage: 3.23.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Feit 1:

De verdediging heeft gesteld dat verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

De verdediging heeft in dat kader aangevoerd dat het niet ondenkbaar is dat medeverdachte [medeverdachte] wordt vrijgesproken van de moord. In het dossier staat namelijk nergens dat iemand medeverdachte [medeverdachte] de trekker heeft zien overhalen. Voorts moet worden vastgesteld dat de vele getuigenverklaringen over de moord niet eenduidig zijn. Ook wordt in de verklaringen geen uitsluitsel gegeven over de persoon van de schutter. Bovenal is een groot aantal belastende verklaringen 'van horen zeggen'. Bij dit soort verklaringen moet men extra oplettend zijn. Er is immers nooit met zekerheid vast te stellen of wat is verklaard een woordelijk verslag is van wat werkelijk is gezegd. Dit geldt ook en met name voor de verklaringen waarin getuige [getuige I] en getuige [getuige L] belastend richting verdachte wijzen.

Met betrekking tot de bekentenis van de medeverdachte [medeverdachte] dient mee te worden gewogen dat die [medeverdachte] bekend staat als iemand die de waarheid vaak geweld aandoet. Hetgeen hij tegen anderen heeft gezegd, is daarom vaak niet betrouwbaar te achten. Tot slot heeft verdediging vastgesteld dat in het dossier meerdere personen voorkomen die de moord zouden hebben kunnen gepleegd. Uit alle verklaringen is op te maken dat het slachtoffer vele vijanden kende.

De verdediging heeft voorts bepleit dat, mocht wel wettig en overtuigend worden bewezen dat medeverdachte [medeverdachte] het slachtoffer heeft vermoord, verdachte geen opdracht heeft gegeven tot die moord en deze ook niet heeft uitgelokt. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat medeverdachte [medeverdachte] en het slachtoffer in het verleden al een grote hekel aan elkaar hadden. Daarnaast is het broertje van medeverdachte [medeverdachte] door het slachtoffer in elkaar geslagen. In het Antilliaanse wereldje kunnen dat soort dingen niet ongestraft blijven. Bovendien is medeverdachte [medeverdachte] het slachtoffer kort voor de moord meerdere malen tegengekomen. Bij deze ontmoetingen zou het slachtoffer hem brutaal hebben aangekeken.

Vervolgens heeft de verdediging betoogd dat nu verdachte geen familie is van medeverdachte [medeverdachte] het niet in de lijn der verwachtingen ligt dat medeverdachte [medeverdachte] voor verdachte een moord zou plegen. Ook is van belang dat het gesprek waarin verdachte de woorden "uit de buurt houden en aftrappen" bij medeverdachte [medeverdachte] heeft uitgesproken, relatief lang geleden plaatsgevonden. In ieder geval een geruime tijd voor de moord. Het is ook niet aannemelijk dat medeverdachte [medeverdachte] de woorden "uit de buurt houden en aftrappen" heeft opgevat als een concrete opdracht tot moord. Daarbij komt ook nog dat verdachte uitdrukkelijk heeft verklaard geen opdracht tot de moord te hebben gegeven. Zij heeft zelfs aangegeven dat zij deze moord niet heeft gewenst en deze verafschuwd. Verdachte is dit volhardend blijven verklaren, dit ondanks het feit dat zij een labiel en weerloos persoon is. Daarom mag worden aangenomen dat verdachte de waarheid heeft gesproken omtrent het voornoemde.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat verdachte geen geldbedrag heeft geboden. Ook heeft zij geen aanbetaling gedaan. Dit kon ook niet, omdat verdachte niet beschikte over grote geldbedragen. Het is ook niet gebleken dat verdachte en medeverdachte op enig moment over een deal hebben gesproken. Als er een deal zou zijn gesloten, is het niet logisch dat [medeverdachte] verdachte niet direct vertelde dat hij de moord heeft uitgevoerd. Hij deed dit immers pas enige tijd later.

Feit 2:

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

De verdediging heeft in dat kader aangevoerd dat verdachte het wapen weliswaar heeft herkend als het wapen dat zij voorhanden heeft gehad, maar dat het dossier verder geen enkele aanwijzing bevat dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

Vervolgens heeft de verdediging betoogd dat de confrontatie van verdachte met het wapen buitengewoon onzorgvuldig is verlopen. Verdachte is namelijk alleen geconfronteerd met het door een visser in Dordrecht gevonden vuurwapen, waarvan is vastgesteld dat daarmee op [slachtoffer] is geschoten. Zij heeft dus geen keuzemogelijkheid gehad. Bovendien is verdachte emotioneel labiel en heeft zij - zeker in een verhoorsituatie - de neiging om overal 'ja' op te zeggen. In dat licht kan de bewuste herkenning van verdachte niet als betrouwbaar worden aangemerkt. Ook heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte geen 'expert' op het gebied van vuurwapens is. Het kan daarom heel goed mogelijk zijn geweest dat zij een gelijkend, maar ander vuurwapen voor handen heeft gehad en daar geen specifieke andere kenmerken aan herkende. Het valt niet uit te sluiten dat medeverdachte [medeverdachte] haar toentertijd een nep vuurwapen in bewaring heeft gegeven.

Tot slot kan worden gesteld dat verdachte het vuurwapen relatief lang geleden voorhanden heeft gehad. Het is daarom voor verdachte moeilijk geweest om de kenmerken van het wapen zich goed te kunnen herinneren.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 primair en subsidiair:

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting - voor zover relevant voor de beoordeling van het ten laste gelegde - het volgende vast.

Verdachte heeft zich bedreigd gevoeld door het slachtoffer. Verdachte heeft medeverdachte [medeverdachte] daarvan deelgenoot gemaakt en tegen die [medeverdachte] gezegd dat hij het slachtoffer bang moest maken, zodat hij uit de buurt zou blijven. Tevens heeft verdachte tegen medeverdachte [medeverdachte] gezegd: "trap hem maar af". Geruime tijd later wordt het slachtoffer doodgeschoten. Medeverdachte [medeverdachte] heeft minimaal enkele keren bij verdachte in haar woning verbleven en de nacht in haar woning doorgebracht.

De rechtbank stelt voorts dat het opsporingsonderzoek veel aanwijzingen heeft opgeleverd voor het feit dat medeverdachte [medeverdachte] het slachtoffer met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd. Zo wordt medeverdachte [medeverdachte] kort na het schietincident op de Zuidendijk gezien en wordt het moordwapen herkend als zijn vuurwapen. Tevens verklaren diverse getuigen dat zij hebben gehoord dat medeverdachte [medeverdachte] het slachtoffer wilde vermoorden. Voorts heeft verdachte, even na het incident, bij medeverdachte [medeverdachte] opmerkelijk gedrag waargenomen. Zij heeft verklaard dat hij negen dagen later tegenover haar de moord heeft bekend.

Ondanks dit belastende materiaal, is de rechtbank van oordeel dat uit de beschikbare bewijsmiddelen niet de ondubbelzinnige conclusie getrokken kan worden dat medeverdachte [medeverdachte] het slachtoffer heeft vermoord. De vele belastende verklaringen zijn allemaal 'van horen zeggen'. Niemand heeft hem herkend als degene die de trekker heeft overgehaald. Evenmin is er een technisch bewijsmiddel dat de medeverdachte aanwijst als dader van de moord. Dat medeverdachte [medeverdachte] de moord bij verdachte heeft bekend is op zich zeer belastend. De rechtbank ziet ook geen aanleiding te twijfelen aan de authenticiteit van verdachtes verklaring over die bekentenis. Daarentegen kan de rechtbank geen oordeel vellen over de betrouwbaarheid van wat medeverdachte [medeverdachte] toen tegen verdachte heeft gezegd.

Voor het uiteindelijke oordeel van de rechtbank over de weging van het bewijs van het daderschap, zijn de getuigenverklaringen van [getuige C] en [getuige M] van belang geweest. Voornoemde getuigen hebben de schutter goed kunnen waarnemen en hebben een gedetailleerde omschrijving van het uiterlijk en de kleding van hem gegeven. Deze omschrijving komt nadrukkelijk niet overeen met het signalement van de medeverdachte [medeverdachte].

Daarom is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat medeverdachte [medeverdachte] het slachtoffer heeft vermoord, dan wel als medepleger van dit feit kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft medeverdachte [medeverdachte] dan ook van de moord vrijgesproken.

Nu niet kan worden bewezen dat medeverdachte [medeverdachte] het slachtoffer heeft vermoord, kan evenmin worden bewezen dat verdachte die moord heeft uitgelokt. Noch kan worden vastgesteld dat zij een ander dan die [medeverdachte] daartoe heeft uitgelokt. Het dossier bevat voor die veronderstelling geen enkele aanwijzing. De ten laste gelegde uitlokkinghandelingen van verdachte hebben slechts betrekking op medeverdachte [medeverdachte].

Gezien het voornoemde bevat het dossier tevens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van moord.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van zowel het primaire als het subsidiaire tenlastegelegde.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zij van oordeel is dat op basis van verdachtes handelen niet aangenomen zou kunnen worden dat zij daarmee een moord zou hebben kunnen uitlokken. In het verzoek van verdachte aan medeverdachte [medeverdachte] om het slachtoffer uit haar buurt te houden en hem 'af te trappen', ziet de rechtbank geen uitlokking tot moord. Er is ook maar éénmaal en geruime tijd vóór de moord in deze bewoordingen over het slachtoffer gesproken. Het gaat de rechtbank tevens te ver om aan te nemen dat verdachte met haar verzoek willens en wetens de aanmerkelijke kans op een moord heeft aanvaard. Daarnaast acht de rechtbank de ten laste gelegde uitlokkingsmiddelen niet overtuigend. Zo blijkt uit het dossier onvoldoende dat het geven van 'onderdak, kost en inwoning' een onderdeel is geweest van een afspraak. Daarnaast is het onaannemelijk dat verdachte van een groot geldbedrag aan de medeverdachte [medeverdachte] zou geven als 'beloning' voor de moord, omdat duidelijk is geworden dat zij maar over weinig middelen beschikte.

Feit 2:

Op grond van de inhoud van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, gaat de rechtbank vervolgens uit van de volgende feiten en omstandigheden, die de rechtbank samengevat en zakelijk zal weergeven.1

Op 25 november 2009 is in Dordrecht een grijs pistool aangetroffen met een houtkleurige kolf. Het pistool was geladen met negen patronen.2

Het vuurwapen betreft een pistool van het merk CZ, type 99, 9 millimeter. De patronen zijn van het kaliber 9 millimeter en van het type 'Luger'.3

Het pistool is geschikt om projectielen door een loop af te schieten en de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Het pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2, lid 1, Categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie. 4

Getuige [getuige I] heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] een 'CZ 99' heeft gekocht. Het is een 9 millimeter en hij is chroomkleurig. Er zitten krassen op de slede. Het pistool heeft een houten handvat. Aan de linkerkant van het handvat is een schroefje te ver ingedraaid, zodat het hout een klein stukje is gespleten. De kogels die in de het pistool zaten waren van het kaliber 9 millimeter.5

Op de linker kolfplaat van het vuurwapen is schuin onder het onderste schroefje een scheurtje te zien in het hout. Het hout is hier gespleten. Op het verchroomde gedeelte aan de rechter zijkant van de slede zijn enkele krassen waar te nemen.6

Verdachte heeft verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] een zilveren wapen met een houten handvat bezat.7

Verdachte is voorts geconfronteerd met het aangetroffen vuurwapen. Zij heeft het pistool herkend, als het wapen dat medeverdachte [medeverdachte], nog geen vier weken voor de schietpartij, bij zich had. Medeverdachte [medeverdachte] heeft haar toen gevraagd het wapen te verbergen in de kluis van haar moeder. Dit is het vuurwapen geweest waar medeverdachte [medeverdachte] altijd mee liep.

Getuige [getuige K] heeft verklaard dat verdachte ongeveer drie of vier weken voor de moord is langsgekomen met een pistool van medeverdachte [medeverdachte]. Verdachte heeft toen gezegd dat ze van medeverdachte [medeverdachte] moest vragen of het vuurwapen in de kluis van getuige [getuige K] mocht. Het pistool was zilvergrijs.8 De rechtbank overweegt dat het hier niet om een nepwapen gaat.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 9 september 2009 tot en met 20 november 2009 te Dordrecht een pistool voorhanden heeft gehad.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

in de periode 9 september 2009 tot en met 20 november 2009 te Dordrecht, een wapen van categorie III, onder 1, in de vorm van een pistool, te weten een pistool, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

2.

HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat, mocht de rechtbank tot een strafoplegging komen, het passend is dat de rechtbank bij de strafmaat rekening houdt met het feit dat verdachte 'first offender' is. De straf zou in deze dan niet de tijd mogen overstijgen die verdachte inmiddels in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen:

Verdachte heeft een vuurwapen voorhanden gehad. Niet is komen vast te staan dat verdachte wist dat het vuurwapen was geladen.

Ongecontroleerd bezit van vuurwapens veroorzaakt een gevoel van onveiligheid binnen de maatschappij. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat zij hier kennelijk geen oog voor heeft gehad.

Voor het voorhanden hebben van een vuurwapen hanteert deze rechtbank in de regel als uitgangspunt een gevangenisstraf van drie maanden.

In het voordeel van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat het vuurwapen, dat zij voorhanden heeft gehad, niet van haar was.

In het voordeel van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat het strafblad van verdachte slechts een transactie in verband met een overtreding van de Wet Milieubeheer vermeldt.

De reclassering concludeert dat verdachte een hevig geëmotioneerde vrouw is. Verdachte lijkt weinig weerbaar en heeft een negatief zelfbeeld.

De psycholoog concludeert dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens. Er is sprake van een posttraumatische stresstoornis, van zwakbegaafdheid en van misbruik van cannabis.

Wegens de ontkennende houding van verdachte onthouden de reclassering en psycholoog zich van een strafadvies. Indien het delictgedrag toch bewezen wordt geacht, adviseert de reclassering een gevangenisstraf op te leggen waarvan een deel voorwaardelijk is met een proeftijd van twee jaren. Zij adviseert daarbij tevens op te leggen de bijzondere voorwaarden van deelname aan een communicatievaardigheidstraining en een intake bij GGZ en de eventueel daaruit voortvloeiende behandeling.

De rechtbank neemt voornoemd advies niet over, nu deze is gebaseerd op een bewezenverklaring van de gehele tenlastelegging.

De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd omdat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van feit 1.

Gezien het hierboven gestelde komt de rechtbank tot een gevangenisstraf van twee maanden.

7 De benadeelde partijen

De benadeelde partij [benadeelde partij A] (feit 1) vordert een schadevergoeding van in totaal € 1.441,22 met wettelijke rente ter zake van de betaling € 824,39 voor uitvaartkosten en € 616,83 voor de kosten van een vliegticket van een geannuleerde reis. Zij vordert tevens om daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Verdachte zal worden vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, met veroordeling in de kosten van verdachte.

De benadeelde partij [benadeelde partij B (feit 1) vordert een schadevergoeding van in totaal

€ 7.500,- met wettelijke rente ter zake van de betaling voor uitvaartkosten. Zij vordert tevens om daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Verdachte zal worden vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, met veroordeling in de kosten van verdachte.

8 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straf berust op de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie, zoals deze artikel luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 subsidiair ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5 vermelde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak

in voorarrest is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte.

Vorderingen benadeelde partijen

(feit 1)

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij A] niet ontvankelijk in haar vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij B] niet ontvankelijk in haar vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter, mr. M.A Waals en mr. G.J. Schiffers-Hanssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.J.J.S. Visser, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 februari 2011.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

[Medeverdachte] en/of een of meer ander(en) op of omstreeks 15 november 2009 te

Dordrecht opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven

heeft/hebben beroofd,

immers heeft/hebben die [medeverdachte] en/of die ander(en) met dat opzet en na

kalm beraad en rustig overleg, een of meer kogels afgevuurd op voornoemde

[slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

welk misdrijf zij, verdachte,

in of omstreeks de periode van 1 mei 2009 tot en met 15 november 2009 te

Dordrecht en/of elders in Nederland

opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of door het

verschaffen van middelen en/of inlichtingen

door opzettelijk die [medeverdachte] te benaderen en/of aan die [medeverdachte] te vragen

- om voornoemde [slachtoffer] uit haar buurt te houden en/of

- om die [slachtoffer] "af te trappen" en/of

in ruil daarvoor onderdak/kost en inwoning te verlenen en/of

door met die [medeverdachte] af te spreken dat zij, verdachte,

een aanzienlijk geldbedrag (ongeveer 5.000 tot 10.000 euro) aan

die [medeverdachte] zou geven en/of

onderdak/kost en inwoning te verlenen en/of,

waarvoor die [medeverdachte] die [slachtoffer] zou moeten doodschieten en/of

- door die[medeverdachte] een gedeelte van voornoemd bedrag als aanbetaling te geven;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 15 november 2009 te Dordrecht tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade

[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of

(een of meer van) haar mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig

overleg, een of meer kogels afgevuurd op voornoemde [slachtoffer], tengevolge waarvan

voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

zij in of omstreeks de periode 9 september 2009 tot en met 20 november 2009 te Dordrecht, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1, in de vorm van een pistool of revolver, te weten een pistool, (merk CZ, kaliber 9 mm) en/of munitie van categorie III te weten een of meerdere patro(o)n(en), (kaliber 9 mm), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.