Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BP1101

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
14-01-2011
Datum publicatie
18-01-2011
Zaaknummer
11/222518-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rellen in Oud-Beijerland na WK-finale. Verdachte wordt vrijgesproken van openlijk geweld in vereniging (art. 141 Sr). De politierechter is onvoldoende overtuigd door een nachtelijke herkenning door de politie, waardoor niet is bewezen dat verdachte een stenengooier was. Er is bovendien onvoldoende bewijs anderszins een "voldoende significante of wezenlijke bijdrage" heeft geleverd aan het openlijk geweld dat is gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Parketnummer : 11/222518-10

PROCES-VERBAAL TERECHTZITTING

politierechter

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter in de Rechtbank te Dordrecht op 14 januari 2011.

Tegenwoordig als:

politierechter mr. F. van Laanen,

officier van justitie mr. S.R.C. Polderman,

griffier M. Boekhoud LL.M.

De politierechter doet de zaak uitroepen tegen na te noemen verdachte. De verdachte geeft op vragen van de politierechter op te zijn genaamd:

[naam verdachte],

geboren te Rotterdam op [datum] 1992,

wonende te [adres verdachte].

De politierechter vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mee dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

De officier van justitie draagt de zaak voor. Verdachte wordt verweten dat hij in Oud-Beijerland openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen de politie door stenen te gooien na afloop van de WK-finale.

De politierechter deelt de korte inhoud mee van:

- een proces-verbaal van de Regiopolitie Zuid-Holland-Zuid met registratienummer [nummer proces-verbaal] en de daarin genoemde bijlagen (19 doorgenummerde bladzijdes);

- een blanco strafblad, verdachte betreffend, d.d. 29 oktober 2010.

De verdachte verklaart op vragen van de politierechter over de feiten:

Ik was op 11 juli 2010 op de Markt in Oud-Beijerland. Het was de avond van de WK-finale. Eerst was de sfeer goed, maar het werd minder gezellig. Er was 's nachts een groep mensen op de straat waarvan u mij zegt dat het de Nobelstraat is. Toen de groep van de Markt naar die straat liep, liep ik mee. Ik waaide gewoon met de wind mee. Ik kende niemand in die groep. Ik volgde de menigte. In Oud-Beijerland gebeurt zoiets nooit en ik wilde kijken hoe het afliep. Ik stond niet echt in een groep. Het was druk op de kruising. Iedereen stond een beetje overal. Ik weet nu niet echt meer of ik stenen heb horen vallen; er zal wel iets zijn gebeurd, want anders was er geen charge. Als u mij zegt dat ik dit toentertijd bij de politie heb verklaard, dan zal dat kloppen. Ik heb niets gegooid, alleen gekeken. Op zeker moment rende iedereen de wijk in. Ik ook. Er was daar veel politie. Ik heb een politieagent aangesproken. Kort daarna kwam er een politieman aanlopen die zei dat ik kon worden aangehouden. Dat gebeurde.

De verdachte verklaart op vragen van de officier van justitie over de feiten:

Ik heb geen stenen gegooid. De politiemensen die zeggen dat ze dit hebben gezien, moeten zich vergissen. Het signalement dat zij opgeven van een jongen in een oranje shirt en een spijkerbroek gold op die avond voor de meeste mensen. Ik heb niet gejoeld. Voor u is het wellicht onbegrijpelijk, maar als er wordt gereld, dan wil ik dat als jongen best zien. Met nog een hele grote groep mensen. En toen liep het uit de hand. Ik bleef hangen omdat het spannend was.

De verdachte verklaart op vragen van de politierechter over zijn persoon:

Het klopt nog steeds dat ik werk als verkoper op de markt. Daarvoor heb ik een diploma. Ik woon inderdaad nog bij mijn ouders. Ik heb geen schulden. Ik drink en blow wel eens, maar ik ben nergens aan verslaafd. Ik ben gezond en kan een eventuele werkstraf verrichten.

De politierechter stelt de officier van justitie in de gelegenheid om over verdachtes persoon vragen te stellen.

De officier van justitie voert het woord. Zulke situaties doen denken aan "Hoek van Holland". Veel mensen komen af op een feest. Dan gaat het mis en moet de politie ingrijpen. De officier van justitie rekwireert tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Zij gaat ervan uit dat verdachte een stenengooier was. De officier van justitie baseert zich op de waarneming en herkenning van de politie. Politiemensen hebben hiervoor een getraind vermogen en het signalement mag dan wel algemeen zijn, zij herkennen verdachte wel. Zij vindt bovendien dat er ook sprake is van openlijke geweldpleging in vereniging als verdachte niet de stenengooier was. Het komt er bij dit misdrijf op aan dat iemand een voldoende significante bijdrage aan het geweld levert. De officier van justitie begrijpt de hang naar spanning wel, maar verdachte heeft zich onvoldoende gedistantieerd van deze situatie, waar dat wel had gemoeten.

De officier van justitie onderbouwt haar eis in het bijzonder door te wijzen op het feit dat geweld is uitgeoefend tegen de politie. Van de politie moet men afblijven. Zij vindt het schandalig dat er stenen naar de politie zijn gegooid. De richtlijn van het openbaar ministerie is dat bij zulk gedrag twee maanden gevangenisstraf wordt geëist en de rechtbank gaat uit van een maand gevangenisstraf. Aangezien verdachte first offender is, eist de officier van justitie een taakstraf. Zij vordert een werkstraf van 80 uur, te vervangen door 40 dagen hechtenis. De officier van justitie legt haar vordering aan de politierechter over.

De verdachte voert het woord ter verdediging. Hij stelt de vraag of iemand dus al geweld pleegt als hij alleen maar in een groep staat.

De officier van justitie voert het woord in repliek. Zij merkt op dat het misdrijf openlijke geweldpleging in vereniging er juist is voor groepen. Wie wat doet, is niet van belang. Het is voldoende dat iedere betrokkene wezenlijk bijdraagt. In de rechtspraak is bepaald dat joelen, aanwezig zijn en niet-weggaan voldoende is voor een bewezenverklaring.

De politierechter stelt de verdachte in de gelegenheid om daarop te antwoorden en als laatste het woord te voeren. Hij maakt daarvan geen gebruik.

De politierechter sluit het onderzoek ter terechtzitting en spreekt het in dit proces-verbaal aangetekende mondeling vonnis uit. De politierechter deelt mee dat de officier van justitie binnen veertien dagen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis.

---------------------------------------------------------------------------------------------

A A N T E K E N I N G V A N H E T M O N D E L I N G V O N N I S

---------------------------------------------------------------------------------------------

1. Inhoud van de tenlastelegging.

Overeenkomstig de dagvaarding met parketnummer 11/222518-10.

2. Bewijsbeslissing.

2.1 Voor veroordeling wegens openlijke geweldpleging moet worden bewezen dat deze "in vereniging" heeft plaatsgevonden.

2.2 Het begrip "in vereniging" is ingevoerd bij de Wet van 25 april 2000 (Stb. 2000, 173). In zijn arrest van 11 november 2003, (op www.rechtspraak.nl) LJN AL6209 heeft de Hoge Raad besloten dat dit begrip op basis van de geschiedenis van deze wet als volgt moet worden uitgelegd. Van "in vereniging" geweld plegen is sprake wanneer iemand een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld. Deze bijdrage hoeft zelf niet gewelddadig te zijn. Het is echter niet voldoende dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt - en de groep zo getalsmatig versterkt - en geen afstand neemt van de groep wanneer deze geweld pleegt. Uit de conclusie van de advocaat-generaal voor dit arrest blijkt - en dat is dus niet genoeg voor "in vereniging" openlijk geweld plegen - dat in die zaak geen sprake is van aanmoedigen of het dragen van spullen waarmee geweld wordt gepleegd en dat het alleen zo is dat verdachte het met de groep en het geweld eens is, dat hij deel uitmaakt van die groep en dat hij geen afstand neemt als het geweld losbarst (ook zo: HR 7 juli 2009, LJN BH9029). Wel voldoende is dat verdachte besluit de confrontatie te zoeken, de groep waartoe verdachte behoort blijft joelen en slaan tegen het slachtoffer (waarbij het om het even is of verdachte nu wel of niet zelf sloeg), naar haar opdringt en haar insluit en dat iemand uit de groep voor iedereen zichtbaar tegen haar trapt terwijl zij op de grond ligt, zonder dat verdachte zich distantieert (HR 20 juni 2006, LJN AV7266 en AV7268). Ook voldoende is dat verdachte mensen wegduwt en het geweldsmiddel aanreikt aan een medeverdachte (HR 12 oktober 2010, LJN BM2474).

2.3 In de processen-verbaal van verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] staat het volgende over de situatie en het optreden op 12 juli 2010, vanaf ongeveer 01.20 uur. Na de uitzending van de WK-finale in Oud-Beijerland breken ongeregeldheden uit. Verbalisanten gaan richting Nobelstraat. De straatverlichting brandt. Op de kruising Nobelstraat Van Brakelstraat staat een groep van tien à vijftien jongeren. De groep staat op ongeveer vijftig meter afstand. Op het moment dat de politiemensen zich willen terugtrekken richting het Marktplein, zien zij dat de groep weer hun richting opkomt. Ook horen zij stenen uit de richting van de groep door de hoge bomen in hun richting vallen. Zij zien dan dat een aantal personen uit de groep voorwerpen van de grond raapt en in hun richting gooit. Zij kunnen niet zien hoe deze mensen eruit zien, doordat de bomen in hun zichtveld staan. Zij zien dan dat een jongen die zich bevindt op de kruising Nobelstraat/Van Brakelstraat, en daardoor direct in hun zichtveld staat, in hun richting stenen gooit. De jongen is ongeveer 17 à 18 jaar oud, draagt een spijkerbroek en een lichtoranje polo, en heeft donkerblond kort haar en een slank postuur. Er volgt een achtervolging van de groep door meerdere straten. Daarna keren de verbalisanten terug. Zij zien de eerder omschreven jongen op de Karel Doormanstraat praten met een politieambtenaar. Hij wordt op hun aanwijzen aangehouden. Verdachte is deze jongen.

2.4 In het proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de politie staat het volgende. Verdachte is op 12 juli 2010 's nachts in Oud-Beijerland. Hij draagt een oranje polo en een spijkerbroek. De sfeer is leuk, maar wordt later grimmig. Er wordt gezongen en verdachte zingt mee, maar niet met de anti-joodse spreekkoren, want dat is in strijd met zijn christelijke opvoeding. Tijdens het zingen wordt naar de politie gewezen en dat vindt men, volgens de verdachte, niet leuk. De politie zegt dat de mensen weg moeten gaan, maar iedereen blijft staan. Verdachte wil zien hoe het zal aflopen. Hij vindt het wel spannend. Verdachte krijgt een tik van de politie op zijn arm. Hij loopt mee met de groep en is niet weggegaan. Verdachte hoort op zeker moment dat er met stenen wordt gegooid naar de politie. Hij ziet dit niet en kent de persoon of personen die gooit of gooien niet. Hij kent sowieso niemand van de jongens in die groep. Verdachte heeft niets gedaan om te zorgen dat het stenen gooien zou stoppen. Hij stond van de groep af, is blijven kijken en heeft geen steen aangeraakt.

2.5 Verdachtes verklaring ter terechtzitting komt overeen met hetgeen hij bij de politie heeft verklaard.

2.6 De eerste vraag die de rechtbank beantwoordt, is of wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zelf stenen heeft gegooid. Het enige bewijs daarvoor is het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2]. Op grond van artikel 344, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is dit voldoende wettig bewijs. De rechtbank is daardoor echter, anders dan de officier van justitie, onvoldoende overtuigd dat verdachte de jongen is die stenen heeft gegooid. Daarbij neemt de rechtbank in overweging:

- op het moment van het geweld is het midden in de nacht en dus donker;

- de afstand tussen verbalisanten en de jongen die stenen gooit, bedraagt ongeveer vijftig meter;

- algemene ervaringsregels leren dat het onder deze omstandigheden niet mogelijk is een scherp signalement te geven. Met brandende straatlantaarns en nauwkeurig waarnemen wordt dit - zo kan een ieder 's avonds buiten vaststellen - niet anders;

- het door verbalisanten opgegeven signalement - jongen, 17 à 18 jaar, spijkerbroek, lichtoranje polo, donkerblond kort haar, slank postuur - is na een WK-finale vrij algemeen op de Oud-Beijerlandse mannelijke bevolking van toepassing;

- er gaat tijd en actie voorbij alvorens verbalisanten in een nabijgelegen maar andere straat een jongen - één jongen, dus geen meervoudige confrontatie - met een politieambtenaar zien praten, die aan dit vrij algemene signalement voldoet.

De rechtbank concludeert dat de herkenning onvoldoende overtuigt; het is onder deze omstandigheden te zeer denkbaar dat de verbalisanten zich vergissen.

2.7 Vervolgens beantwoordt de rechtbank de vraag of wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte anderszins een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het openlijk geweld op de Nobelstraat. Gelet op de hiervoor aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad is dit naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt immers slechts dat verdachte is meegelopen met de groep en heeft gekeken en niets heeft gedaan toen uit die groep stenen werden gegooid. Daarbij merkt de rechtbank op dat voor aanmoedigend joelen door verdachte geen bewijs is, zeker niet ten tijde van het gepleegde geweld. Verdachtes stommiteit om niet weg te gaan als er problemen ontstaan en als anderen zich met geweld tegen de politie keren, is onvoldoende voor een bewezenverklaring van dit aan hem ten laste gelegde misdrijf.

2.8 Het bestanddeel " in vereniging ", dat conform artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht ten laste is gelegd, is niet wettig en overtuigend bewezen.

3. Uitspraak.

De rechtbank, recht doende, spreekt de verdachte vrij van hetgeen hem ten laste is gelegd.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat is vastgesteld en ondertekend door de politierechter en de griffier.