Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BP1058

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
06-01-2011
Datum publicatie
18-01-2011
Zaaknummer
11-993015-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De aangehouden verdachte is niet gewezen op zijn recht om een advocaat te consulteren voorafgaande aan zijn verhoor. Uitsluiting van zijn verklaring voor het bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/993015-08 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 januari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaatsnaam] [in 1985],

wonende te [adres en woonplaats],

hierna: verdachte.

Raadsman mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 23 december 2010. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman mr. J.A. Schadd. De officier van justitie, mr. C.E.J. Backer, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen sommen geld heeft witgewassen.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Weliswaar heeft het verhoor van verdachte niet volgens de regelen der kunst plaatsgevonden omdat uit het proces-verbaal niet blijkt dat hij in de gelegenheid is gesteld om een advocaat te consulteren maar ook zonder de verklaring van verdachte is er voldoende bewijs voor het witwassen. De officier van justitie baseert zich op de overboekingen van [bedrijfsnaam 1] naar [bedrijfsnaam 2] en op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] dat [bedrijfsnaam 1] een nepbedrijf was. Verder wijst zij op de verklaring van [medeverdachte 2] dat hij heeft gerommeld met G-geld en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] over de wijze waarop hij is benaderd door [medeverdachte 2]. Bij het witwassen van geld behoeft de vraag uit welk misdrijf het geld verkregen is niet beantwoord te worden. Voldoende is dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het uit enig misdrijf afkomstig is. Uit de context van het onderzoek Ballina is duidelijk dat het opmaken van valse facturen en de onttrekking van gelden op de G-rekening aan het pandrecht van de Belastingdienst aanwijsbaar zijn als de onderliggende misdrijven.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken. Verdachte is niet gewezen op zijn recht om een advocaat te raadplegen. Indien verdachte op dat recht was gewezen had hij zich beroepen op zijn zwijgrecht. Gelet hierop dient de verklaring van verdachte ingevolge de Salduz-jurisprudentie te worden uitgesloten voor het bewijs. Met de geldstroom van [bedrijfsnaam 1] richting verdachte kan, zonder nadere toelichting daarop, niet tot een bewezenverklaring worden gekomen. Ten tweede blijkt niet uit de stukken dat het geld afkomstig is van een misdrijf. Het is immers afkomstig van de vrije rekening van [bedrijfsnaam 1]. Tenslotte kan niet worden bewezen dat verdachte wetenschap had ten aanzien van de context.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het Salduz-verweer

Artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) waarborgt - voor zover hier van belang - het aan de verdachte toekomende recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Met de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 27 november 2008 (inzake Salduz tegen Turkije) is de omvang van dat recht nader omlijnd, in die zin dat het recht op een eerlijke behandeling zich uitstrekt tot het recht op rechtsbijstand tijdens het opsporingsonderzoek, dus bij de verhoren door de politie.

Op 30 juni 2009 heeft de Hoge Raad (HR) de betekenis van de deze uitspraak voor de Nederlandse rechtspraktijk nader toegelicht (LJN: BH3079). In deze uitspraak heeft de HR overwogen dat een verdachte die door de politie is aangehouden, aan artikel 6 EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Dit houdt in dat de aangehouden verdachte vóór de aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Verdachte zal binnen de grenzen van het redelijke, en behoudens het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, de gelegenheid moeten worden geboden om dat recht te verwezenlijken. De HR heeft voorts bepaald dat schending van dat voorschift in beginsel een vormverzuim oplevert als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

Verdachte is op 4 september 2008 aangehouden door een opsporingsambtenaar van de SIOD en voorgeleid aan de hulpofficier van justitie. Verdachte is vervolgens op een daartoe bestemde plaats van verhoor gedurende een aantal uren verhoord. Uit het proces-verbaal van verhoor blijkt niet dat verdachte voor aanvang van dat verhoor is gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Evenmin is gebleken dat verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht. Onder die omstandigheden is de rechtbank, nu geen omstandigheden zijn gesteld die doen blijken van het tegendeel, van oordeel dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.

De HR heeft in het voormelde arrest voorts overwogen dat - gelet op de rechtspraak van het EHRM - een vormverzuim als hier bedoeld - gelet op de ernst van het verzuim - in de regel dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen. De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om hiervan af te wijken zodat de verklaring van verdachte, zoals afgelegd op 4 september 2008, wordt uitgesloten van het bewijs.

De rechtbank overweegt dat het dossier verder met betrekking tot het aan verdachte ten laste gelegde feit stukken bevat waaruit blijkt van de overschrijving van twee bedragen van de vrije rekening van [bedrijfsnaam 1] naar de vrije rekening van [bedrijfsnaam 2] en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] dat hij de onderneming [bedrijfsnaam 1] heeft opgericht op verzoek van [medeverdachte 2] om geld van [bedrijfsnaam 3] 'schoon' te maken. Verder heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij wel iets moest regelen met G-geld omdat enkele opdrachtgevers de hele factuur op de G-rekening hadden betaald en hij ([medeverdachte 2]) zijn werknemers daardoor niet meer kon uitbetalen. Het dossier bevat - buiten de twee stortingen van [bedrijfsnaam 1] aan [bedrijfsnaam 2] - geen stukken waaruit kan worden afgeleid dat verdachte en de meerbedoelde medeverdachten elkaar kenden en evenmin uit welke hoofde en in welke context de bedragen aan [bedrijfsnaam 2] zijn overgemaakt. Op grond van hetgeen eerder is overwogen ontbreekt tevens een verklaring van verdachte op basis waarvan zijn handelen c.q. nalaten ten aanzien van de door hem ontvangen bedragen kan worden vastgesteld. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het dossier in ieder geval onvoldoende wettig bewijs bevat voor de constatering dat verdachte wist dan wel redelijkerwijze had moeten vermoeden dat de ontvangen geldbedragen afkomstig waren uit misdrijf.

De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van de tenlastegelegde geldbedragen. Zij zal hem dan ook vrijspreken van dat feit.

5

De beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen wat aan de verdachte ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter, mr. E.H. van der Steeg en mr. P. Putters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 januari 2011.

Mr. E.H. van der Steeg is wegens afwezigheid niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij,

op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 27 mei 2008 te Arnhem en/of Zwijndrecht en/of Breda en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer ander(e)(n) (rechts)perso(o)n(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, van één of meer (grote) som(men) geld

(45.000 euro, AMB-66 en D-64) en/of

(15.000 euro, AMB-66 en D-65)

althans van (een) voorwerp(en),

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing

heeft/hebben verborgen en/of verhuld, en/of

heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat geld,

althans dat/die voorwerp(en), is/zijn, en/of die som(men) geld voorhanden

heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben verworven en/of

heeft/hebben overgedragen en/of heeft/hebben omgezet,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans

redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat die som(men) geld, althans

dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit

enig(e) misdrijf/misdrijven

Parketnummer: 11/993015-08

Vonnis d.d. 6 januari 2011