Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2011:BP0710

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
14-01-2011
Datum publicatie
14-01-2011
Zaaknummer
10/643
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor zover gesteld wordt dat eiseres vanaf 1 januari 2011 € 45,41 per maand moet gaan betalen, merkt de rechtbank op dat eiseres inhoudelijk geen grieven tegen deze vaststelling naar voren heeft gebracht. Daarbij merkt de rechtbank op dat dit bedrag het wettelijke minimale bedrag betreft welke verweerder bij studenten in rekening dient te brengen. Het aflossingsbedrag vloeit op zich dan ook rechtstreeks uit de wet voort. Mocht eiseres niet in staat zijn dit bedrag te betalen, dan staat het haar vrij om een verzoek in te dienen voor draagkrachtmeting. Een beslissing op een dergelijk verzoek is wel op rechtsgevolg gericht. Nu het bericht van 6 februari 2010 geen besluit bevat omtrent de terugbetalingsperiode of omtrent het al dan niet tenietgaan van de schuld bij het bereiken van het einde van de terugbetalingsperiode kan ter zake van deze onderwerpen geen bezwaar op grond van de Awb tegen het bericht worden ingediend. Gelet op het vorenstaande en onder verwijzing naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 20 februari 2004 en van 9 december 2005 (LJN: AO4315 respectievelijk LJN: AU8640) is de rechtbank van oordeel dat de vastgestelde schuld en de omzetting daarvan na ommekomst van de termijn waarbinnen deze diende te worden terugbetaald in een rentedragende lening in rechte onaantastbaar zijn geworden. In zoverre houdt het Bericht Studiefinanciering van 6 februari 2010 dan ook een herhaling in van eiseresses eerder vastgestelde schuld en is derhalve niet gericht op enig rechtsgevolg zodat verweerder terecht is overgegaan tot de niet-ontvankelijkverklaring van eiseresses bezwaarschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 10/643

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[naam eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. M.J.G. Schroeder, advocaat te Voorburg,

tegen

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder,

gemachtigde: drs. P.M.S. Slagter, werkzaam bij de Dienst Uitvoering Onderwijs.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij Bericht Terugbetalen 2010, van 6 februari 2010, aan eiseres medegedeeld dat de aflossing van haar lening op 1 januari 2010 aanvangt, dat zij vanaf

1 januari 2011 € 45,41 per maand moet betalen en dat het rentepercentage 3,58% bedraagt tot en met 31 december 2013.

Eiseres heeft bij faxbericht van 22 maart 2010 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 6 april 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij faxbericht van 17 mei 2010 beroep ingesteld bij de rechtbank.

De zaak is op 2 december 2010 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiseres is ter zitting verschenen bij gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.2. Verweerder heeft bij besluit van 6 april 2010 eiseresses bezwaarschrift tegen het Bericht Terugbetalen 2010 van 6 februari 2010 niet-ontvankelijk verklaard omdat naar verweerders oordeel dit bericht geen besluit in de zin van artikel 1:3, van de Awb bevat en mitsdien niet voor bezwaar vatbaar is. Hiertoe heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, nu met dit bericht geen verandering is opgetreden in het bestaan van de schuld in de vorm van een rentedragende lening, dit in zoverre niet op enig rechtsgevolg is gericht.

2.3. Eiseres heeft in beroep - kort samengevat - aangevoerd dat het bericht van 6 februari 2010 wel elementen in zich heeft welke voor bezwaar en beroep vatbaar zijn. Zo stelt verweerder een nieuw rentepercentage vast en het per maand af te lossen bedrag. Daarnaast heeft verweerder zelf een bezwaarclausule onder het bericht gezet, zodat dit als besluit aangemerkt dient te worden.

2.4. De rechtbank overweegt als volgt.

2.4.1. Het bericht van 6 februari 2010, waarbij aan eiseres een overzicht van haar schuld per

1 februari 2010 is verstrekt, heeft een beperkte strekking.

Met dit bericht heeft verweerder eiseres een overzicht gegeven van de hoogte van haar schuld op 1 februari 2010, het rentepercentage welke berekend wordt over de schuld alsmede het wettelijk vastgestelde minimum aflossingsbedrag per 1 januari 2011.

Het bericht bevat in zoverre mitsdien geen op rechtsgevolg gericht besluit ter zake van wijzigingen in het schuldbedrag. Een op rechtsgevolg gericht besluit over (een wijziging in) de terugbetalingsperiode of omtrent het al dan niet tenietgaan van de schuld door het bereiken van het einde van de terugbetalingsperiode bevat het bericht niet.

2.4.2. Voor zover gesteld wordt dat eiseres vanaf 1 januari 2011 € 45,41 per maand moet gaan betalen, merkt de rechtbank op dat eiseres inhoudelijk geen grieven tegen deze vaststelling naar voren heeft gebracht. Daarbij merkt de rechtbank op dat dit bedrag het wettelijke minimale bedrag betreft welke verweerder bij studenten in rekening dient te brengen. Het aflossingsbedrag vloeit op zich dan ook rechtstreeks uit de wet voort. Mocht eiseres niet in staat zijn dit bedrag te betalen, dan staat het haar vrij om een verzoek in te dienen voor draagkrachtmeting. Een beslissing op een dergelijk verzoek is wel op rechtsgevolg gericht.

Nu het bericht van 6 februari 2010 geen besluit bevat omtrent de terugbetalingsperiode of omtrent het al dan niet tenietgaan van de schuld bij het bereiken van het einde van de terugbetalingsperiode kan ter zake van deze onderwerpen geen bezwaar op grond van de Awb tegen het bericht worden ingediend.

2.4.3. Gelet op het vorenstaande en onder verwijzing naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 20 februari 2004 en van 9 december 2005 (LJN: AO4315 respectievelijk LJN: AU8640) is de rechtbank van oordeel dat de vastgestelde schuld en de omzetting daarvan na ommekomst van de termijn waarbinnen deze diende te worden terugbetaald in een rentedragende lening in rechte onaantastbaar zijn geworden. In zoverre houdt het Bericht Studiefinanciering van 6 februari 2010 dan ook een herhaling in van eiseresses eerder vastgestelde schuld en is derhalve niet gericht op enig rechtsgevolg zodat verweerder terecht is overgegaan tot de niet-ontvankelijkverklaring van eiseresses bezwaarschrift.

2.4.4. Voor zover eiseres meent dat zij door verweerder op het verkeerde been is gezet met betrekking tot de vermelding van een bezwaarclausule merkt de rechtbank allereerst op dat het vermelden van een rechtsclausule onder een bericht, dit nog niet tot een besluit maakt. Voorts heeft verweerder in de beslissing op bezwaar van 6 april 2010 op adequate wijze de ontstane onduidelijkheid over het rechtskarakter van de brief van 6 februari 2010 hersteld. Het was dan ook niet nodig voor eiseres om, ter verkrijging van die duidelijkheid, over de vraag of de bezwaren in een bestuursrechtelijke procedure aan de orde konden worden gesteld, beroep in te stellen. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 juli 2006, LJN: AY 5006.

2.5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75, eerste lid van de Awb.

2.6. Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Rotterdam,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.A.C. Prins, rechter, en door deze en C. Groenewegen, griffier, ondertekend.