Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BU1941

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
28-10-2010
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
09/1112 (1)
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenvatting

Tussenuitspraak bestuurlijke lus

Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser zijn inziens geen belang meer heeft bij inhoudelijke beoordeling van de gevraagde vrijstelling van het sluitingsuur van zijn horeca-inrichting nu de data waarvoor vrijstelling is gevraagd inmiddels verstreken zijn. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan procesbelang onder meer bestaan indien wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat dergelijke schade is geleden als gevolg van het besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met zijn stelling dat hij door het besluit omzetverlies heeft geleden in de nachten van 29 en 30 april 2009 aan deze eis voldaan. De rechtbank acht aannemelijk dat eiser een hogere omzet zou hebben gerealiseerd indien hem vrijstelling zou zijn verleend om op de beide dagen tot 04.00 uur in plaats van tot 01.00 uur geopend te zijn. Eiser kan derhalve een processueel belang bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het weigeringsbesluit niet worden ontzegd.

De rechtbank heeft middels een bestuurlijke lus verweerder in de gelegenheid gesteld om een materiële beslissing te nemen op het bezwaarschrift van eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 09/1112

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht

in het geding tussen

[naam eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. R.S. Wijling, advocaat te Rotterdam,

en

de burgemeester van Oud-Beijerland, verweerder,

gemachtigden: mr. P. van Egmond en mr. H. Marleveld, beiden werkzaam bij de gemeente Oud-Beijerland.

Derde-partijen:

[naam A],

[naam B],

[naam C],

[Naam D],

[Naam E],

[naam F] en

[naam G],

gemachtigde: mr. M.C. van Meppelen Scheppink, advocaat te Rotterdam.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 28 april 2009 afwijzend beslist op het verzoek van eiser om hem op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening op 29 en 30 april 2009 vrijstelling te verlenen van het verplichte sluitingsuur ten behoeve van de door hem geëxploiteerde horeca-inrichting aan de [straatnaam + nrs] te [plaatsnaam].

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 7 mei 2009 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 20 juli 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 21 augustus 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

De zaak is op 28 oktober 2010 ter zitting van de enkelvoudige kamer behandeld.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigden.

Derdebelanghebbenden zijn verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat eiser geen belang meer heeft bij een materiële beoordeling van zijn bezwaren, nu de data waarvoor vrijstelling is gevraagd zijn verstreken. Verweerder is van oordeel dat geen procesbelang kan worden aangenomen op grond van eisers stelling dat hij schade heeft geleden ten gevolge van de bestuurlijke besluitvorming. Eiser heeft volgens verweerder niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat ten gevolge van de weigering van de vrijstelling schade is geleden.

2.2. Eiser meent, kort samengevat en voor zover hier relevant, wel degelijk tot op zekere hoogte aannemelijk te hebben gemaakt dat hij ten gevolge van de weigering van de vrijstelling schade heeft geleden. Hij wijst erop dat verweerder eerst op 28 april 2009 op zijn verzoek heeft beslist en dat hij inmiddels contracten had gesloten met muzikanten en leveranciers. Ten gevolge van de weigering heeft hij een en ander moeten annuleren, hetgeen kosten met zich heeft gebracht. Eiser heeft voorts gesteld door het besluit omzetverlies te hebben geleden, nu hij immers op de beide dagen zijn bedrijf niet eerst om 04.00 uur maar al om 01.00 uur dient te sluiten.

2.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 5 juni 2002 in zaak nr. 200106139/1), kan procesbelang onder meer bestaan indien wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat dergelijke schade is geleden als gevolg van het besluit. Naar het oordeel van de rechtbank

heeft eiser met zijn stelling dat hij door het besluit omzetverlies heeft geleden in de nachten van 29 en 30 april 2009 aan deze eis voldaan. De rechtbank acht aannemelijk dat eiser een hogere omzet zou hebben gerealiseerd indien hem vrijstelling zou zijn verleend om op de beide dagen tot 04.00 uur in plaats van tot 01.00 uur geopend te zijn. Eiser kan derhalve een processueel belang bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het weigeringsbesluit niet worden ontzegd.

2.4. Overeenkomstig de op 1 januari 2010 in werking getreden Wet bestuurlijke lus Awb ziet de rechtbank in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en verweerder in de gelegenheid te stellen om een materiële beslissing te nemen op het bezwaarschrift van eiser. De termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen wordt door de rechtbank bepaald op drie weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak.

2.5. De rechtbank verzoekt verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb, zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak, kenbaar te maken of gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht:

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen drie weken na verzending van deze tussenuitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen, zulks met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze tussenuitspraak heeft overwogen;

- draagt verweerder op het nieuwe besluit op bezwaar terstond na het nemen daarvan aan de rechtbank, de gemachtigde van eiser en aan de gemachtigde van derde-partijen te zenden;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gegeven op 28 oktober 2010 door mr. P. Putters, rechter, en door deze en E. Naaijen-van Kleunen, griffier, ondertekend.