Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BO8375

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
22-12-2010
Datum publicatie
22-12-2010
Zaaknummer
84200 / FA RK 09-9189 + 85475 / FA RK 10-7252
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De echtscheiding tussen partijen is reeds uitgesproken. Tussen partijen is onder meer in geschil de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. De huwelijkse voorwaarden houden -kort gezegd- in dat er tussen partijen geen gemeenschap van goederen zal bestaan. In artikel 11 van de huwelijkse voorwaarden is neergelegd dat hetgeen van de inkomsten van de echtgenoten resteert, na aftrek van hetgeen daarvan is besteed aan de gemeenschappelijke kosten, aan ieder van de echtgenoten voor de helft zal toekomen. Partijen hebben tijdens het huwelijk nooit verrekend met elkaar op grond van dit artikel, zodat dit alsnog dient te geschieden. Tot het te verrekenen vermogen behoren de woning, de banksaldi en de opgepotte winsten uit onderneming van de man. Ten aanzien van het te verrekenen vermogen van de woning geldt dat dit bestaat uit het breukdeel dat wordt gevormd door de aflossingen, gedeeld door de totale tegenprestatie en vermenigvuldigd met de waardestijging van het woonhuis. De woning wordt gewaardeerd per de in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen peildatum en per de datum van de huwelijkssluiting. Hierbij wordt rekening gehouden met het recht van gebruik en bewoning. Nu de taxaties uitgaan van de vrije onderhandse verkoopwaarde, wordt aansluiting gezocht bij de tabellen van destijds de Successiewet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 84200 / FA RK 09-9189 + 85475 / FA RK 10-7252

beschikking van de enkelvoudige kamer van 22 december 2010

in de zaak van

[vrouw/verzoekster],

wonende te [adres vrouw],

verzoekster,

advocaat mr. M. Soytekin te Oud-Beijerland,

tegen

[man/verweerder],

wonende te [adres man],

verweerder,

advocaat mr. J. van Dijk te Oud-Beijerland.

Partijen worden hieronder aangeduid als de vrouw respectievelijk de man.

1. Het verdere procesverloop

1.1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

- de (tussen-)beschikking van deze rechtbank van 24 maart 2010 en de daarin genoemde stukken;

- de brief van de advocaat van de vrouw, met bijlagen, ingekomen ter griffie op

10 juni 2010;

- het faxbericht van de advocaat van de man, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 10 juni 2010;

- het faxbericht van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op 7 juli 2010;

- de brief van de advocaat van de man, met bijlagen, ingekomen ter griffie op

19 juli 2010;

- het faxbericht van de advocaat van de vrouw, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 29 juli 2010;

- het faxbericht van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op

12 augustus 2010;

- het faxbericht van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op

12 augustus 2010.

1.2. De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzitting met gesloten deuren van 21 juni 2010.

1.3. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de advocaat van de man.

2. Het geschil

2.1. In de voornoemde (tussen-)beschikking is de echtscheiding tussen partijen reeds uitgesproken. Tussen partijen zijn de volgende verzoeken nog in geschil:

- het verzoek tot partneralimentatie van € 2.170,-- bruto per maand;

- het verzoek te bepalen dat de partneralimentatie onderhevig zal zijn aan de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2010;

- het verzoek te bepalen dat de eventuele kosten van tenuitvoerlegging van de hierboven gevraagde alimentatie voor rekening van de man komen, voor zover deze door hem veroorzaakt worden;

- het verzoek de man te veroordelen om binnen 14 dagen nadat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, aan de vrouw vanwege verrekening uit te betalen een bedrag van € 202.780,50 netto + PM in verband met de gereserveerde winsten uit onderneming, te vermeerderen met de wettelijke rente over het aan de vrouw verschuldigde vanaf de eerste dag dat de hierboven omschreven betalingstermijn is verstreken tot aan de dag waarop betaling geheel heeft plaatsgevonden.

3. De verdere beoordeling

De partneralimentatie

3.1. De vrouw verzoekt een partneralimentatie van € 2.170,-- bruto per maand. Zij stelt hiertoe dat het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen tijdens het huwelijk

€ 2.000,-- bedroeg. Rekening houdend met de zogenaamde hofmethode, bedraagt de netto behoefte van de vrouw € 1.200,-- per maand. De vrouw heeft haar behoefte tevens onderbouwd middels een door haar opgestelde lijst. Gebruteerd bedraagt haar behoefte € 2.170,-- per maand. De man moet in staat worden geacht de verzochte alimentatie te kunnen voldoen.

3.2. De man heeft verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen. Hij betwist de door de vrouw gestelde behoefte. Deze dient niet berekend te worden aan de hand van de zogenaamde hofmethode, nu de vrouw van de man € 100,-- per week aan huishoudgeld ontving. Daarnaast betwist de man de door de vrouw opgestelde behoefteberekening. Bovendien heeft hij niet voldoende draagkracht om de door de vrouw verzochte bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te kunnen voldoen.

De behoefte

3.3. Aangezien partijen twisten over de behoefte van de vrouw, zal de rechtbank de behoefte bepalen. De man heeft de door de vrouw uiteengezette behoefte betwist. De rechtbank is van oordeel, dat de door de man gestelde bijdrage van € 100,-- per week aan huishoudgeld niet de volledige behoefte van de vrouw betreft. Tijdens het huwelijk werden onder andere de woonlasten ook voor haar betaald. Ook met dergelijke lasten en niet alleen met huishoudgeld, dient rekening te worden gehouden bij bepaling van de behoefte. Aan de hand van de door de vrouw opgestelde lijst en rekening houdend met de overgelegde stukken betreffende onder meer de huur en de huurtoeslag, is de rechtbank van oordeel dat de behoefte van de vrouw in redelijkheid dient te worden vastgesteld op het bedrag gelijk aan de norm van een alleenstaande op grond van de Wet Werk en Bijstand. De behoefte van de vrouw bedraagt derhalve

€ 913,-- netto per maand.

3.4. De man heeft aangevoerd dat de vrouw tijdens het huwelijk werkzaamheden, zoals schoonmaakwerkzaamheden, verrichtte. Door de man is echter niet voldoende weersproken dat de vrouw thans geen werk heeft, geen opleiding heeft genoten, de Nederlandse taal niet volledig beheerst en mede wegens haar leeftijd niet eenvoudig een baan zal vinden. De vrouw wordt om die redenen niet in staat geacht om (volledig) in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Indien en voor zover de vrouw in de toekomst inkomsten gaat genereren, dienen deze inkomsten vanzelfsprekend op haar behoefte in mindering te worden gebracht.

De draagkracht van de man

3.5. Voor de berekening van de draagkracht van de man dient van de volgende financiële gegevens te worden uitgegaan. De tarieven van 2010 worden gehanteerd. De bedragen worden afgerond op hele euro’s.

- De gemiddelde winst uit onderneming van de eenmanszaak van de man over de jaren 2007 tot en met 2009 van € 23.679,--.

De winst over de genoemde jaren bedroeg in:

2007 € 30.124,--

2008 € 23.451,--

2009 € 17.463,--

De man heeft niet voldoende gesteld om alleen van de winst over het jaar 2009 uit te gaan. Ten aanzien van de cijfers betreffende het eerste kwartaal van 2010 geldt dat deze geen goede prognose geven over 2010 nu de man zelf heeft gesteld dat in dit kwartaal de extreme weersomstandigheden invloed op de omvang van zijn werkzaamheden hebben gehad. Het had op de weg van de man gelegen een onderbouwde prognose voor 2010 in het geding te brengen.

- De zelfstandigenaftrek van € 7.222,--. Dit is gebaseerd op voormelde winst uit onderneming.

- De MKB-winstvrijstelling van € 1.975,--.

- Het inkomen uit eigen woning van -/- € 346,--, bestaande uit het eigenwoningforfait van € 1.402,-- verminderd met de jaarlijkse hypotheekrente

€ 1.056,--.

De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de WOZ-waarde € 255.000,-- bedraagt, zodat hiervan is uitgegaan. De man voert een hypotheeklast van € 97,-- per maand op. Volgens de door hem overgelegde bescheiden is dit de hypotheekrente die hij in 2008 betaald heeft. Uit een door de man overgelegd jaaroverzicht van 2009, blijkt voornoemde hypotheekrente.

- De uitgaven voor inkomensvoorziening van € 656,-- per jaar.

Deze uitgaven volgen uit de aangifte IB 2009. De man voert bij de lasten deze premie ook op zodat hiermee tevens aan de inkomenszijde rekening dient te worden gehouden.

- De inkomsten uit vermogen in box III. Hierbij is uitgegaan van een vermogen van

€ 136.943,22 verminderd met het aandeel dat de man aan de vrouw dient te betalen in het kader van de verrekening van het overgespaarde inkomen van de bank- en girosaldi van € 16.858,11.

3.6. Op het besteedbaar inkomen van de man worden de volgende lasten in mindering gebracht ter bepaling van zijn draagkracht.

- Het op de Wet Werk en Bijstand gebaseerde normbedrag, inclusief vakantiegeld, voor een alleenstaande van € 913,--.

- De woonlasten, bestaande uit de hypotheekrente van € 88,-- per maand, het eigenaarslastenforfait van € 95,--, verminderd met de gemiddelde basishuur van

€ 207,-- per maand.

- De ziektekosten, bestaande uit de premie voor de basis- en de aanvullende verzekering van € 98,-- per maand, het verplicht eigen risico van € 14,-- per maand, de op de aanslag zelf betaalde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 76,-- per maand, verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel van de premie ZVW van € 44,-- per maand.

- De premie voor de inkomensvoorziening van € 54,-- per maand.

3.7. De rechtbank houdt geen rekening met de volgende opgevoerde lasten:

- De advocaatkosten van € 114,-- per maand. De man heeft vermogen en kan hiervan de advocaatkosten betalen.

3.8. De man heeft een draagkrachtruimte van € 657,-- per maand, waarvan € 394,-- (60%) beschikbaar is voor partneralimentatie. Gebruteerd is dit € 592,-- per maand. De rechtbank zal deze alimentatie aan de man opleggen met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Op de alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.

3.9. De vrouw heeft haar verzoek om de wettelijke indexering in te laten gaan per

1 januari 2010 op de mondelinge behandeling ingetrokken, dit verzoek behoeft derhalve geen verdere bespreking meer.

3.10. Nu de wet voorziet in een regeling ten aanzien van de executiekosten, wordt het verzoek van de vrouw ten aanzien van de executiekosten, voor zover deze door de man veroorzaakt worden, afgewezen.

De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden

3.11. Partijen zijn op huwelijkse voorwaarden gehuwd blijkens de akte van 11 juli 2001.

De huwelijkse voorwaarden houden -kort gezegd- in dat tussen partijen geen gemeenschap van goederen zal bestaan. In artikel 11 van voornoemde akte is neergelegd dat hetgeen van de inkomsten van de echtgenoten resteert, na aftrek van hetgeen daarvan is besteed aan de gemeenschappelijke kosten, aan ieder van de echtgenoten voor de helft zal toekomen.

3.12. Op grond van artikel 13 onder a. van de akte huwelijkse voorwaarden dient de peildatum ten aanzien van de verrekening te worden bepaald op de dag dat de samenwoning van partijen is geëindigd. De vrouw heeft op de mondelinge behandeling omweersproken gesteld dat de samenwoning van partijen op

14 september 2009 is geëindigd zodat deze datum als peildatum heeft te gelden.

3.13. Partijen hebben tijdens het huwelijk nooit verrekend met elkaar op grond van artikel 11 van de akte huwelijksvoorwaarden.

3.14. De vrouw stelt dat tot het te verrekenen vermogen ex artikel 11 van de akte huwelijkse voorwaarden de volgende bestanddelen behoren:

a. de woning;

b. de banksaldi;

c. de opgepotte winsten uit de onderneming van de man.

ad a.

3.15. Partijen zijn het erover eens dat de woning tot het te verrekenen vermogen behoort. Als echtelieden tijdens de verrekenperiode uit te verrekenen inkomsten een deel van de hypotheekschuld hebben afgelost, wordt conform het bepaalde in artikel

1:136 lid 1, tweede volzin van het Burgerlijk Wetboek (BW) de woning tot het te verrekenen vermogen gerekend, voor zover de schuld uit het te verrekenen vermogen is afgelost. Het verrekenbaar vermogen bestaat uit het breukdeel dat wordt gevormd door de aflossingen, gedeeld door de totale tegenprestatie en vermenigvuldigd met de waardestijging van het woonhuis. Uit de door partijen overgelegde jaaroverzichten bleek dat de hypothecaire geldlening bij de ING onder nummer 9520538 in 2001

€ 25.780,-- bedroeg. Op 31 december 2008 bedroeg deze nog € 16.008,23 en op

31 december 2009 bedroeg de geldlening nog € 14.495,63. Op 14 september 2009 bedroeg de hypothecaire geldlening dus nog € 14.936,80.

Er is van 2001 tot 14 september 2009 derhalve een bedrag van 10.843,20 afgelost.

3.16. Voor de bepaling van de waarde aan het begin van het huwelijk en op de peildatum, ten tijde van het feitelijk uiteengaan van partijen, hebben partijen naar aanleiding van de mondelinge behandeling een taxatie laten uitvoeren.

Ter vaststelling van de waarde van de woning ten tijde van het sluiten van het huwelijk van partijen, alsmede ter vaststelling van de waarde van de woning per de peildatum dient rekening te worden gehouden met het recht van gebruik en bewoning door de moeder van de man.

Ter vaststelling van de waarde van het recht van gebruik en bewoning wordt aansluiting gezocht bij de tabellen van destijds de Successiewet.

Ingevolge de bepalingen en tabellen van de Successiewet wordt de waarde van het recht van gebruik en bewoning, welk recht een species is van het recht van vruchtgebruik bepaald door uit te gaan van een percentage van 4 van de waarde te vermenigvuldigen met de factor behorende bij de leeftijd van degene aan wie het recht van gebruik en bewoning is toegekend.

Ter vaststelling van de waarde van de woning ten tijde van het de datum van het huwelijk van partijen hanteert de rechtbank de navolgende gegevens:

- waarde van de woning ingevolge het taxatierapport: € 232.000,--.

- leeftijd van de moeder van de man: tussen de 75 en 79 jaar, resulterende in een factor 6.

Op grond van vorenstaande gegevens is de waarde van het recht van gebruik en bewoning ten tijde van het sluiten van het huwelijk van partijen: € 55.680,--

[(€ 232.000,-- x 4%) x 6)]

De waarde van het bloot eigendom, zijnde de getaxeerde waarde verminderd met de waarde van het recht van gebruik en bewoning is derhalve € 176.320,--

(€ 232.000,-- -/- € 55.680,--).

3.17. Ter vaststelling van de waarde van de woning ten tijde van de peildatum van

14 september 2009 hanteert de rechtbank de navolgende gegevens:

- waarde van de woning ingevolge het taxatierapport: € 285.000,--.

- leeftijd van de moeder van de man: tussen de 85 en 89 jaar, resulterende in een factor 3.

Op grond van vorenstaande gegevens is de waarde van het recht van gebruik en bewoning ten tijde van de peildatum: € 34.200,--

[(€ 285.000,-- x 4%) x 3)]

De waarde van het bloot eigendom, zijnde de getaxeerde waarde verminderd met de waarde van het recht van gebruik en bewoning is derhalve € 250.800,--

(€ 285.000,-- -/- € 34.200,--).

3.18. In de periode na het sluiten van het huwelijk van partijen in 2001 tot de peildatum van 14 september 2009 is de waarde van het bloot eigendom, welke waarde in de verrekening van het vermogen dient te worden betrokken, gestegen met een bedrag van € 74.480,-- (€ 250.800,-- -/- € 176.320,--).

De in de verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden te betrekken waarde gerelateerd aan de waarde van de woning is: € 31.326,67 (het in de verrekening te betrekken vermogen wordt als volgt berekend: [(10.843,20 : 25.780) x 74.480,--)] De vrouw heeft recht op de helft hiervan, zijnde het bedrag van € 15.663,34.

ad b.

3.19. Het standpunt van de vrouw ten aanzien van het vermogen inhoudende dat als uitgangspunt de kasoverzichten dienen te worden genomen, wordt gepasseerd. De man heeft bankafschriften overgelegd waaruit de saldi per de peildatum af te leiden zijn. Bovendien wijken de kasoverzichten uit de jaarstukken niet zodanig af van die cijfers, dat er aanleiding bestaat het standpunt van de vrouw te volgen. Mocht de man -zoals de vrouw stelt- een rekening achter houden, dan blijft haar vordering tot verrekening van dit vermogen, voor zover gevormd uit het overgespaarde inkomen van partijen, bestaan.

3.20. Partijen dan wel één van hen hebben de volgende bankrekeningen:

saldo peildatum

ING betaalrekening 3923276 € 2.040,48

op naam van de man

Het saldo dat de vrouw stelt, is het saldo per

21 september 2009. Het saldo per 14 september 2009

wordt gehanteerd.

ING plusrekening 3923276 € 8.525,18

op naam van de man

Het saldo dat de vrouw stelt, is het saldo per

17 augustus 2009 plus de rente, terwijl hier in het

afschrift van 21 september 2009 reeds rekening mee

is gehouden.

ING kapitaalrekening 3923276 €18.633,79

op naam van de man

ING comfortspaarrekening 667348603 € 10.373,69

op naam van de man

Rabobank 3511.16.540 € 1.346,83

op naam van de man

Rabobank vaste termijn rekening 1961.327.503 € 25.000,--

op naam van de man

Het saldo dat de vrouw stelt omvat de rente die

in 2010 is uitgekeerd, hiermee wordt geen

rekening gehouden.

Rabobank telesparen 3511.213.118 € 31.543,05

op naam van de man

Het saldo dat de vrouw stelt omvat tevens de rente

die pas in 2010 is gestort en die dus niet tot het te

verrekenen vermogen behoort.

Rabobank effectenrekening 19306156 € 28.963,94

op naam van de man

Het saldo dat de vrouw stelt,is het saldo per

eind december 2009. Het gemiddelde saldo per

14 september 2009 wordt gehanteerd.

ABN AMRO excellent spaarrekening 44.27.97.982 € 10.516,26

op naam van de man

3.21. In het totaal had de man op de peildatum een vermogen van € 136.943,22.

3.22. De man heeft middels bankafschriften aangetoond dat hij drie keer een schenking van zijn moeder heeft ontvangen; op 2 oktober 2008 een bedrag van € 2.000,--, op

24 maart 2009 een bedrag van € 2.000,-- en op 12 november 2009 een bedrag van

€ 1.000,--. Het laatstgenoemde bedrag is geschonken na de peildatum ten aanzien van het te verrekenen vermogen en dient dan ook buiten beschouwing te blijven. De man heeft tijdens het huwelijk tot aan de peildatum een bedrag van € 4.000,-- geschonken gekregen. Dit bedrag dient buiten de verrekening te blijven nu het geen inkomsten betreffen in de zin van de akte huwelijkse voorwaarden. Gelet op het voorgaande, bedraagt het saldo van de rekeningen van de man op de peildatum € 132.943,22.

3.23. Uit de door de man overgelegde aangifte IB 2001 blijkt dat de man op 1 januari 2011 een vermogen uit spaartegoeden had van € 96.447,-- en op 31 december 2001

€ 102.007,--. Gemiddeld had de man -naar schatting- op de dag van het sluiten van het huwelijk een vermogen van € 99.227,--. Het standpunt van de vrouw dat het aanwezige vermogen wordt vermoed tijdens het huwelijk te zijn gevormd, wordt gepasseerd nu de man heeft aangetoond dat hij bij aanvang van het huwelijk reeds vermogen had.

3.24. Alles overziend is het vermogen uit spaartegoeden van de man tijdens het huwelijk met een bedrag van € 33.716,22 toegenomen. Dit bedrag dient verrekend te worden. De vrouw heeft recht op een bedrag van € 16.858,11.

3.25. Het saldo van de rekening van de vrouw bij de ING met rekeningnummer 8604922 bedroeg per 13 oktober 2009 € 293,57. Het vorige saldo bedroeg volgens dat afschrift

€ 554,26. Het had op de weg van de vrouw gelegen hierin meer inzage te verschaffen. Daarom wordt van het laatstgenoemde saldo uitgegaan, wat om en nabij de peildatum van partijen zal liggen. De man heeft recht op een bedrag van € 277,13.

ad c.

3.26. Ten aanzien van de opgepotte winsten uit de onderneming van de man geldt het volgende. Indien een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van een op zijn eigen naam uitgeoefende onderneming hem rechtstreeks of onmiddellijk ten goede komen, en een verrekenbeding is overeengekomen dat ook ondernemingswinsten omvat, worden de niet uitgekeerde winsten uit die onderneming, voor zover in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwd, eveneens in aanmerking genomen bij de vaststelling van de verrekenplicht van die echtgenoot, dit volgt uit artikel 1:141 lid 4 juncto lid 5 BW. De man heeft een eenmanszaak, hetgeen met zich meebrengt, dat er geen afgescheiden vermogen aanwezig is . In de akte huwelijksvoorwaarden is opgenomen dat onder inkomen wordt verstaan het besteedbaar inkomen na betaling van belastingen, premies sociale verzekeringen en de kosten die redelijkerwijs gemaakt moeten worden voor de verwerving van het inkomen. Hiertoe behoort ook de winst uit onderneming. Deze winst komt terecht op één of meer bank- of girorekeningen van de man. De man heeft op de mondelinge behandeling ook gesteld dat niet te construeren is welke bedragen privé dan wel zakelijk zijn. Nu de saldi van alle rekeningen in de verrekening van het overgespaarde inkomen zijn betrokken, bestaat er ten aanzien van de onderneming geen vordering tot verrekening meer aan de zijde van de vrouw.

Resumé

3.27. Alles overziend heeft de vrouw recht op een bedrag van

(€ 15.663,34 + € 16.858,11 -/- € 277,13) = € 32.244,32. Aangezien het bedrag nu pas kan worden bepaald, zal het verzoek van de vrouw het door de man te betalen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente, worden afgewezen.

De proceskosten

3.28. De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen (ex-echtelieden) compenseren.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1. bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van de dag, waarop de beschikking van deze rechtbank van 24 maart 2010, is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, ten behoeve van de vrouw een alimentatie zal betalen van

€ 592,-- (vijfhonderd tweeënnegentig euro) per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

4.2. bepaalt dat de man aan de vrouw een bedrag van € 32.244,32 dient te voldoen ter verrekening van door partijen tijdens hun huwelijk overgespaarde, doch niet periodiek verrekende inkomsten e.e.a. op grond van de huwelijkse voorwaarden;

4.3. compenseert de proceskosten zodat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt;

4.4. wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.G. Jukema en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 22 december 2010.