Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BO7430

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
29-11-2010
Datum publicatie
15-12-2010
Zaaknummer
10/1272
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

wettelijk kader: artikel 18, 21, 42 WIJ

samenvatting:

Bij besluit van 22 maart 2010 heeft verweerster verzoekster een werkleeraanbod gedaan. Blijkens dat besluit bestond dit aanbod uit een bijeenkomst in een Workshop, waarvan verzoekster gebruik heeft gemaakt. Daarnaast staat vermeld dat het werkleeraanbod – het gebruik maken van de diensten van de klantmanager werk – past bij de situatie van verzoekster.

Nu er geen nadere concrete invulling is gegeven aan het werkleeraanbod, is dit aanbod strijdig met het bepaalde in artikel 18 van de WIJ. Het werkleeraanbod omvat geen omschrijving van de te verrichten activiteiten naar aard, omvang en plaats. Evenmin is een termijn gesteld, waarbinnen de uitvoering van het werkleeraanbod zal plaatsvinden.

(...)Als gevolg daarvan is niet duidelijk welke eisen aan verzoekster werden gesteld voor wat betreft de door haar te verrichten activiteiten. Ook is niet vastgelegd of zij bepaalde verrichtingen binnen een bepaalde termijn moest voltooien. Of haar ter zake van het niet nakomen van verplichtingen op grond van hoofdstuk 5 van de WIJ, los van de vraag of zij deze verplichtingen geschonden heeft, een verwijt te maken valt, blijkt niet uit het overgelegde dossier.

Derhalve is niet voldaan aan de toepassingsvoorwaarde voor intrekking van het werkleeraanbod op grond van artikel 21, aanhef en onder b, van de WIJ.

Als gevolg daarvan is ook niet voldaan aan de toepassingsvoorwaarde van artikel 42, eerste lid, aanhef en onder c of f, van de WIJ.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 10/1272

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[naam verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,

gemachtigde: mr. A.J.J. Fraanje, advocaat te Dordrecht,

tegen

de Bestuurscommissie Sociale Dienst Drechtsteden, verweerster,

gemachtigde: M. Berkhoudt werkzaam bij de Sociale Dienst Drechtsteden,

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerster heeft bij besluit van 2 november 2010 het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening, die verzoekster op grond van de Wet investeren in jongeren (hierna: WIJ) heeft ontvangen, stopgezet.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij faxbericht van 10 november 2010 bezwaar gemaakt bij verweerster.

Bij brief van 10 november 2010 heeft zij een verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 19 november 2010 ter zitting behandeld.

Verzoekster is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens is verschenen A.A. Ware, tolk.

Verweerster is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de WIJ, voor zover hier van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder werkleeraanbod: het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid, een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen scholing, opleiding of sociale activering, alsmede ondersteuning bij arbeidsinschakeling.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de WIJ, stelt het college het recht op een werkleeraanbod op aanvraag vast.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel legt het college in een rapportage de wensen van de jongere ten aanzien van het werkleeraanbod vast alsmede de wijze waarop deze wensen bij de vaststelling van aard, omvang en plaats van het werkleeraanbod zijn betrokken.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WIJ stemt het college het werkleeraanbod af op de omstandigheden, krachten en bekwaamheden van de jongere, wiens recht op een werkleeraanbod is vastgesteld en stelt hierbij de jongere in de gelegenheid om schriftelijk of mondeling zijn wensen omtrent het werkleeraanbod kenbaar te maken.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel doet het college aan een jongere geen werkleeraanbod indien en zolang de jongere niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 45, onderdeel a.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WIJ, bevat het besluit van het college, inhoudende dat aan de jongere een werkleeraanbod wordt gedaan, in ieder geval een omschrijving van de in het kader van het werkleeraanbod te verrichten activiteit naar aard, omvang en plaats.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel stelt het college een termijn waarbinnen de uitvoering van het werkleeraanbod in ieder geval zal plaatsvinden, indien door buiten de jongere gelegen omstandigheden niet onmiddellijk uitvoering kan worden gegeven aan het werkleeraanbod.

Ingevolge het derde lid van dit artikel bedraagt de termijn, bedoeld in het tweede lid, ten hoogste twee maanden te rekenen vanaf de datum van het besluit.

Op grond van artikel 21, aanhef en onder b, van de WIJ kan het college een aan de jongere gedaan werkleeraanbod intrekken indien de jongere niet voldoet aan een of meer op hem rustende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5 en hem dit te verwijten valt.

Ingevolge artikel 42, eerste lid, aanhef en onder c en f, van de WIJ bestaat geen recht op de inkomensvoorziening:

c. voor zover uit houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, niet wil nakomen;

(..)

f. indien het werkleeraanbod op grond van artikel 21 is ingetrokken, tenzij het werkleeraanbod is ingetrokken uitsluitend omdat het college van oordeel is dat om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet kan worden gevergd dat de jongere uitvoering geeft aan het werkleeraanbod.

Ingevolge artikel 45 van de WIJ is de jongere verplicht:

a. mee te werken aan het opstellen van een plan met betrekking tot zijn arbeidsinschakeling, waaronder begrepen mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;

b. geen onredelijke eisen te stellen in verband met door hem te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren;

c. mee te werken aan het behoud of bevorderen van zijn arbeidsbekwaamheid;

d. mee te werken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op zijn arbeidsinschakeling;

e. opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar beste vermogen te verrichten;

f. op advies van een arts zich te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard.

2.2. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit is met ingang van 1 oktober 2010 het werkleeraanbod aan verzoekster stopgezet. Met ingang van 1 oktober 2010 is eveneens de inkomensvoorziening aan verzoekster stopgezet. Als reden staat in het bestreden besluit vermeld het belemmeren van de arbeidsinschakeling en scholing en het niet meewerken aan het WIJ aanbod (op grond van artikel 40, eerste en vierde lid, van de WIJ).

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerster verklaard dat de kleding van verzoekster niet de grondslag voor het besluit vormt. Verzoekster heeft geruime tijd niets gedaan. Ze wacht alleen af wat de Sociale Dienst voor haar regelt.

2.3. De gronden van het verzoek

Verzoekster kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft daartegen het volgende aangevoerd. Zij betwist dat zij verwijtbaar de arbeidsinschakeling en scholing heeft belemmerd en dat zij verwijtbaar niet zou hebben meegewerkt aan het WIJ-aanbod. Ten onrechte wordt niet verwezen naar artikel 21 van de WIJ. In artikel 45 van de WIJ is het woord 'scholing' niet terug te vinden. Voorts is verzoekster niet verplicht om mee te werken aan een vrijwilligersbaan.

Intrekking met ingang van 1 oktober is in strijd met het vertrouwensbeginsel. Voorts is onduidelijk waarom is ingetrokken met ingang van die datum.

Het werkleeraanbod van 22 maart 2010 is omschreven als 'gebruikmaken van de diensten van de klantmanager Werk'. In de toelichting op de Verordening is opgemerkt dat intrekken van het werkleeraanbod met terughoudendheid dient te geschieden. Hetgeen is vermeld in verweersters rapportage van 29 oktober 2010 voldoet in het geheel niet aan het gestelde in deze toelichting. Verzoekster heeft zich niet misdragen. Evenmin is de situatie van verzoekster uitzichtloos. Integendeel, zij heeft zich steeds wel bereid verklaard mee te werken aan een werkleeraanbod, al heeft zij daar wel bepaalde opvattingen over. Ingevolge de artikelen 14 en 17 van de WIJ moet daar ook rekening mee worden gehouden. Uit het dossier blijkt niet dat er rekening is gehouden met de wensen van verzoekster en dat van die wensen een rapportage is opgemaakt. Ook blijkt niet van een werkleeraanbod dat is afgestemd op de omstandigheden, krachten en bekwaamheden van verzoekster en dat zij in de gelegenheid is gesteld om schriftelijk of mondeling haar wensen omtrent het werkleeraanbod kenbaar te maken, waarbij zij met name meer belang hecht aan leren dan aan werken. Voorts ontbreekt in het toekenningsbesluit van 22 maart 2010 een adequate omschrijving. Verzoekster draagt een zwarte Hijaab met een lange rok. Het kan zijn dat dit een belemmering vormt voor schoonmaakwerk, maar niet voor vele andere werkzaamheden. Uit de rapportage komt het beeld naar voren dat het verzoekster wordt verweten dat zij dergelijke kleding draagt. Een dergelijk verwijt is echter niet terecht, nu zij deze kleding draagt in overeenstemming met haar geloof.

2.4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt verweerster niet bij het nemen van een beslissing op het bezwaar.

Op grond van het verhandelde ter zitting staat vast dat de kleding die verzoekster draagt, geen grondslag vormt voor het bestreden besluit van verzoekster. De voorzieningenrechter gaat daar in het vervolg van uit.

Op grond van het verhandelde ter zitting staat eveneens vast dat de verwijzing naar artikel 40 van de WIJ in het bestreden besluit foutief is. De wettelijke grondslag voor het stopzetten van het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening is gelegen in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b en artikel 42, eerste lid, aanhef en onder f, van de WIJ.

Bij besluit van 22 maart 2010 heeft verweerster verzoekster een werkleeraanbod gedaan. Blijkens dat besluit bestond dit aanbod uit een bijeenkomst in een Workshop, waarvan verzoekster gebruik heeft gemaakt. Daarnaast staat vermeld dat het werkleeraanbod - het gebruik maken van de diensten van de klantmanager werk - past bij de situatie van verzoekster.

Nu er geen nadere concrete invulling is gegeven aan het werkleeraanbod, is dit aanbod strijdig met het bepaalde in artikel 18 van de WIJ. Het werkleeraanbod omvat geen omschrijving van de te verrichten activiteiten naar aard, omvang en plaats. Evenmin is een termijn gesteld, waarbinnen de uitvoering van het werkleeraanbod zal plaatsvinden.

Verweerster heeft weliswaar diverse gesprekken gevoerd met verzoekster, maar daarvan is geen door beide partijen ondertekend gespreksverslag in het dossier aanwezig. Ook zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat met verzoekster is overeengekomen dat zij zich bij Drechtwerk zou gaan melden voor bemiddeling naar een baan en evenmin is een gespreksverslag van het gesprek dat een medewerker van Drechtwerk met verzoekster zou hebben gevoerd, overgelegd.

Als gevolg daarvan is niet duidelijk welke eisen aan verzoekster werden gesteld voor wat betreft de door haar te verrichten activiteiten. Ook is niet vastgelegd of zij bepaalde verrichtingen binnen een bepaalde termijn moest voltooien. Of haar ter zake van het niet nakomen van verplichtingen op grond van hoofdstuk 5 van de WIJ, los van de vraag of zij deze verplichtingen geschonden heeft, een verwijt te maken valt, blijkt niet uit het overgelegde dossier.

Derhalve is niet voldaan aan de toepassingsvoorwaarde voor intrekking van het werkleeraanbod op grond van artikel 21, aanhef en onder b, van de WIJ.

Als gevolg daarvan is ook niet voldaan aan de toepassingsvoorwaarde van artikel 42, eerste lid, aanhef en onder c of f, van de WIJ.

Voort is door verweerster niet onderbouwd waarom de inkomensvoorziening van verzoekster met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2010 is ingetrokken. Noch in de tekst van de wet, noch in de overgelegde stukken zijn daarvoor aanknopingspunten te vinden.

Het bezwaar maakt op grond van het voorgaande redelijke kans van slagen. Gelet op alle betrokken belangen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, die inhoudt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit zullen worden geschorst, zodat verzoekster recht heeft op ongewijzigde voortzetting van de inkomensvoorziening met ingang van 1 oktober 2010.

De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding verweerster met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:84, vierde lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,-- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,-- en wegingsfactor 1). De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoekster nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Nu het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen, dient verweerster, gelet op het bepaalde in artikel 8:82, vierde lid, van de Awb, het door verzoekster betaalde griffierecht te vergoeden.

Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit tot zes weken na verzending van het besluit op bezwaar;

- veroordeelt verweerster in de proceskosten welke verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 874,- ter zake van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- bepaalt dat verweerster aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. A. Hello, voorzieningenrechter, en door deze en mr. M.L. Bosman-Schouten, griffier, ondertekend.