Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BO6404

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
25-11-2010
Datum publicatie
06-12-2010
Zaaknummer
11/860134-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank vindt optreden politie rechtmatig en veroordeelt verdachte voor de voorbereiding van een beroving tot een gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/860134-10 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 november 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] [in 1988],

wonende te [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de PI Dordtse Poorten te Dordrecht.

Raadsman mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 17 augustus 2010 en 11 november 2010, waarbij de officier van justitie mr. J. Spaans, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 10 maart 2010 te Gorinchem samen met een ander of anderen, opzettelijk voorwerpen en auto's, die bedoeld waren voor het plegen van een beroving, voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Hij heeft dit standpunt gebaseerd op de processen-verbaal van bevindingen van politie betreffende het staande houden van de auto's, het onderzoek in de auto's en het aantreffen van de in de tenlastelegging vermelde voorwerpen. Ook de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1] dienen als bewijsmiddel voor het ten laste gelegde feit.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat in deze zaak onrechtmatig is gehandeld door de politie. Er was geen bevoegdheid om de verdachte en zijn medeverdachten staande te houden. Voor zover - anders dan verbalisanten zelf aangeven - gebruik zou zijn gemaakt van de controlebevoegdheden van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 hebben verbalisanten deze bevoegdheid misbruikt, namelijk gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven. De controle van het identiteitsbewijs van de bijrijders van de twee auto's kan sowieso niet op de Wegenverkeerswet 1994 worden gebaseerd. Bedoeld onrechtmatig optreden van verbalisanten moet worden beschouwd als een onherstelbaar vormverzuim. Dit dient te leiden tot uitsluiting van het aldus verkregen bewijs, als gevolg waarvan verdachte dient te worden vrijgesproken.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de doorzoeking van de Volkswagen Polo onrechtmatig is geweest, waardoor de vruchten van deze doorzoeking van het bewijs uitgesloten dienen te worden. Dit zou moeten leiden tot vrijspraak.

In de visie van de verdediging heeft ook de doorzoeking van de Volkswagen Golf zonder enige wettelijke grondslag plaatsgevonden, omdat de inzittenden van die auto op het moment van de doorzoeking nog niet als verdachten konden worden aangemerkt. De verdediging heeft gesteld dat de vruchten van die onrechtmatige doorzoeking van het bewijs dienen te worden uitgesloten, wat tot vrijspraak moet leiden.

Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat niet vastgesteld kan worden welk specifiek misdadig doel verdachten voor ogen hadden, hetgeen eveneens tot vrijspraak zou moeten leiden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Misbruik van bevoegdheid

De verdediging heeft betoogd dat de politie niet bevoegd was om "de auto's" staande te houden en tot controle van de identiteitsbewijzen van de inzittenden over te gaan.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de politie heeft gehandeld overeenkomstig de in artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 omschreven controlebevoegdheden.

De rechtbank is van oordeel dat de politie op grond van de Wegenverkeerswet 1994 bevoegd was beide bestuurders een stopteken te geven en hen naar hun rijbewijs te vragen. Hierin ligt besloten dat de politieambtenaren hun bevoegdheid in ieder geval mede hebben uitgeoefend om zich te vergewissen van de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde voorschriften conform artikel 160, vierde lid van de Wegenverkeerswet 1994. Nu de bestuurders naar hun rijbewijs is gevraagd, is de controlebevoegdheid niet gebruikt voor een ander doel (het verrichten van opsporingshandelingen) dan waarvoor deze is verleend. Dit standpunt van de verdediging wordt dan ook verworpen. De hierna door de politieambtenaren verrichte handelingen (onder meer controle van de identiteitsbewijzen) doen aan het voorgaande niet af. Ook het gegeven dat bijrijders naar hun legitimatie is gevraagd maakt dit niet anders. Hierbij is van belang dat de bijrijders hun legitimatie hebben afgegeven, en dit op geen enkele wijze heeft geleid tot het aanwenden van nadere (opsporings-)handelingen, relevant voor de verdere gang van zaken. Van onrechtmatig handelen en in het verlengde daarvan van bewijsuitsluiting kan dan ook geen sprake zijn.

De rechtmatigheid van de doorzoekingen van de Volkswagen Golf en de Volkswagen Polo

De verdediging heeft betoogd dat de doorzoekingen van de Volkswagen Polo en de Volkswagen Golf niet rechtmatig zijn geweest.

Ten aanzien van de Volkswagen Polo vermeldt het proces-verbaal van politie van 15 april 2010 dat deze is doorzocht op grond van artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat op grond van voormeld artikel een ambtenaar de verdachte aan zijn kleding mag onderzoeken, wat ook geldt voor voorwerpen die hij bij zich draagt en met zich voert, een en ander voor zover zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van de identiteit. Volgens de verdediging valt een onderzoek aan en in de auto hier niet onder.

Ten aanzien van de Volkswagen Golf heeft de raadsman aangevoerd dat deze is doorzocht zonder dat er een verdenking van een strafbaar feit bestond ten aanzien van verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1].

De officier van justitie is van oordeel dat de doorzoekingen van de beide auto's rechtmatig zijn geweest. Hij heeft daartoe aangevoerd dat [medeverdachte 1] tegen de politie heeft verklaard dat de Volkswagen Golf, die hij bestuurde, en de achter hem staande Volkswagen Polo, bij elkaar hoorden. Toen één van de inzittenden van de Volkswagen Polo zich niet kon legitimeren, heeft de politie een onderzoek aan de kleding van de inzittenden en in de Volkswagen Polo uitgevoerd. Tijdens dat onderzoek werden een paar handschoenen, een zwarte bivakmuts en een portofoon aangetroffen. Bovendien werd onder de Volkswagen Polo een vuurwapen aangetroffen. Hierdoor ontstond de verdenking van een strafbaar feit en is tot aanhouding van de inzittenden van de Volkswagen Polo én de Volkswagen Golf overgegaan. Op grond van die verdenking had de politie vervolgens de bevoegdheid om de Volkswagen Golf te doorzoeken. Hierbij zijn een portofoon, bivakmutsen, zwarte tape, tie-wraps en een mes aangetroffen.

Voor de beoordeling van het verweer van de verdediging gaat de rechtbank uit van de hierna omschreven feiten en omstandigheden.

Verbalisanten hebben gerelateerd dat zij op 10 maart 2010 om 04.40 uur in Gorinchem een Volkswagen Golf en daarachter een Volkswagen Polo zagen rijden. Dit was binnen de bebouwde kom. Zij hebben beide bestuurders een stopteken gegeven waaraan werd voldaan.

De bestuurder van de Volkswagen Golf verklaarde dat de inzittenden van beide auto's bij elkaar hoorden. Eén van de verbalisanten vorderde van de bestuurder van de Volkswagen Polo een rijbewijs ter inzage. De bestuurder deelde hem mede, dat hij dit niet bij zich had, waarop de verbalisant een ander legitimatiebewijs ter inzage vorderde. De bestuurder deelde mede, dat hij dat ook niet bij zich had. Op dat moment ontstond naar het oordeel van de rechtbank de verdenking van een strafbaar feit, te weten artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht luidt (voor zover hier relevant):

"Hij die niet voldoet aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd bij artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie."

Op grond van het bepaalde in artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering is de opsporingsambtenaar, in geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit, bevoegd ter inbeslagneming een vervoermiddel te doorzoeken.

De rechtbank merkt op dat een strafbaar feit zowel een misdrijf als een overtreding inhoudt.

Verbalisanten hebben gerelateerd dat vervolgens een onderzoek is uitgevoerd in de Volkswagen Polo. Hierbij werden een paar lederen handschoenen, een zwarte bivakmuts en een portofoon aangetroffen. Onder de auto werd een zwart op een pistool gelijkend voorwerp aangetroffen. Hierop hebben verbalisanten alle inzittenden van beide auto's aangehouden, omdat zij vermoedden dat de inzittenden voorbereidingen hadden getroffen om een diefstal met geweld te gaan plegen. Vervolgens is de Volkswagen Golf doorzocht, waarbij een portofoon, een zwarte bivakmuts, een paar wollen handschoenen, een grijze bivakmuts, een rol tape, tie-wraps en een mes zijn aangetroffen.

Ten aanzien van de doorzoeking van de Volkswagen Golf overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van het bepaalde in artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering, voor zover hier relevant, is de opsporingsambtenaar, in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid van dat Wetboek, bevoegd ter inbeslagneming een vervoermiddel te doorzoeken.

Diefstal met geweld is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en voldoet derhalve aan de omschrijving van artikel 67, eerste lid onder a van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank is op grond van de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden van oordeel dat de doorzoekingen van de Volkswagen Golf en de Volkswagen Polo rechtmatig hebben plaatsgevonden en dat de resultaten van dat onderzoek (de aangetroffen voorwerpen) voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

De rechtbank gaat bij het voorgaande uit van de lezing van verbalisanten, zoals weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2010 (bijlage 1.AH.5), nu het een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal betreft en de rechtbank geen aanleiding ziet om dit relaas in twijfel te trekken. Tijdens een verhoor bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank hebben beide verbalisanten als getuigen het chronologisch verloop van hun handelingen in grote lijnen bevestigd.

De rechtbank heeft evenwel - zoals uit het voorgaande blijkt - ambtshalve vastgesteld op basis van welke wettelijke bepalingen bevoegdheden konden worden uitgeoefend, en zich niet steeds laten leiden door de vermelding hiervan in de processen-verbaal in het dossier.

De bewijsoverwegingen

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op verzoek van drie bekenden van hem op 9 maart 2010 een Volkswagen Polo heeft gehuurd. In de nacht van 10 maart 2010 zijn zij richting Gorinchem gereden. [medeverdachte 1] reed in zijn Volkswagen Golf en naast hem zat [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte). Verdachte reed in de Volkswagen Polo en naast hem zat [medeverdachte 2]. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij in iedere auto een portofoon hadden. Die portofoons waren van [medeverdachte 1]. Volgens [medeverdachte 1] waren alle in de Volkswagen Golf aangetroffen voorwerpen van hem. Hij had van [verdachte] een bivakmuts moeten kopen.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat de anderen geen contact middels de telefoons wilden hebben en daarom portofoons gebruikten. Hij heeft verder verklaard dat hij wel een vermoeden had wat ze gingen doen. Hij vermoedde iets van drugs. De anderen hadden tegen hem gezegd dat hij nu iets terug moest doen, omdat anders de consequenties voor hem zouden zijn. Die anderen hebben de opdrachten gegeven. In dit geval zou het wel om een overval gaan, dacht verdachte. Hij moest twee auto's naar Gorinchem brengen met vier personen en hij zou later worden opgehaald door een andere persoon.

Het aangetroffen wapen is onderzocht door de politie. Het betreft een veerdrukwapen in de vorm van een pistool en vertoont voor wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis met een echt vuurwapen.

Op grond van de inhoud van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit, te weten het voorhanden hebben van voorwerpen en auto's die bedoeld waren voor het plegen van een beroving.

De verdediging heeft betoogd dat voor een bewezenverklaring van artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht van belang is op welk specifiek misdrijf de voorbereidingshandelingen betrekking hebben. Zij heeft daartoe aangevoerd dat op basis van de zich in het dossier bevindende stukken niet kan worden vastgesteld welk specifiek misdadig doel verdachte en de anderen voor ogen hebben gehad en dus ook niet of dit een misdrijf betreft waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld.

In het onderhavige geval reden verdachten midden in de nacht rond in Gorinchem met twee auto's, met in iedere auto twee inzittenden. In beide auto's werden bivakmutsen, handschoenen en een portofoon meegevoerd, terwijl in één van de auto's een wapen werd meegevoerd en in de andere auto tape en tie-wraps.

De rechtbank is van oordeel dat uit de combinatie en onderlinge samenhang van de aangetroffen voorwerpen en de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden alsmede gelet op hetgeen [medeverdachte 1] omtrent het doel van de voorwerpen heeft verklaard zoals hierboven weergegeven, is komen vast te staan dat verdachte en zijn mededaders een beroving, althans een daaraan gerelateerd delict, voor ogen hebben gehad. Daarmee is er sprake van een strafbare voorbereiding.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 10 maart 2010 te Gorinchem, tezamen en in vereniging met

anderen, ter voorbereiding van een misdrijf

waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of

meer is gesteld, te weten medeplegen van afpersing en/of medeplegen van

diefstal door middel van geweld en/of bedreiging met geweld, opzettelijk

lederen handschoenen en

bivakmutsen en

portofoons en

tie-wraps en

een nepvuurwapen en

tape en

een mes en

auto's, zijnde voorwerpen en vervoermiddelen bestemd tot

het begaan van die misdrijven, voorhanden heeft

gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

MEDEPLEGEN VAN VOORBEREIDING VAN:

AFPERSING, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN, EN/OF

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN, VERGEZELD OF GEVOLGD VAN GEWELD EN/OF BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN OF GEMAKKELIJK TE MAKEN, OF OM, BIJ BETRAPPING OP HETERDAAD, AAN ZICHZELF OF ANDERE DEELNEMERS AAN HET MISDRIJF HETZIJ DE VLUCHT MOGELIJK TE MAKEN, HETZIJ HET BEZIT VAN HET GESTOLENE TE VERZEKEREN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vijftien maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd een beslissing te nemen over de inbeslaggenomen voorwerpen.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest, al dan niet gecombineerd met een voorwaardelijk deel. Hij heeft daarbij onder meer gewezen op het beperkte strafblad van verdachte.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, evenals op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met anderen voorbereidingshandelingen verricht voor een beroving, door voorwerpen als bivakmutsen, tape, tie-wraps, handschoenen, portofoons en een wapen voorhanden te hebben.

Berovingen zijn zeer ernstige misdrijven die een forse inbreuk maken op de rechtsorde en veel gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaken. Daarom heeft de wetgever ook de voorbereidingshandelingen strafbaar gesteld.

Voor de bepaling van de strafmaat gaat de rechtbank uit van de uitgangspunten voor afpersing en diefstal met geweld. In de regel wordt, voor iemand die voor het eerst met de strafrechter in aanraking komt, voor een beroving een uitgangspunt van vierentwintig maanden gevangenisstraf gehanteerd. De rechtbank zal ook in deze zaak dit uitgangspunt hanteren.

Nu het hier om voorbereidingshandelingen gaat, zal de rechtbank het uitgangspunt voor de op te leggen straf met de helft verminderen, dus twaalf maanden gevangenisstraf.

De reclassering maakt zich zorgen om verdachte en heeft geadviseerd verplicht reclasseringscontact op te leggen, waarbinnen aandacht kan worden gegeven aan hulpverlening op het gebied van dagbesteding (opleiding en werk), huisvesting, financiën, gedrag en sociaal netwerk. Verdachte heeft ter zitting verklaard bereid te zijn mee te werken aan een hulpverleningstraject.

In de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank aanleiding om een gedeelte van de straf voorwaardelijk op te leggen. Dit voorwaardelijke deel dient tevens als waarschuwing aan verdachte om zich in de toekomst te onthouden van het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank is van oordeel dat het door verdachte gepleegde feit te ernstig is om te volstaan met straf gelijk aan het voorarrest, zoals door de verdediging is verzocht.

De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

8 Het beslag

De rechtbank heeft bij gebreke van enige kennisgeving van inbeslagneming of een beslaglijst niet voldoende kunnen constateren welke voorwerpen onder verdachte zijn inbeslaggenomen en nog niet zijn teruggegeven.

De rechtbank zal hierover dan ook geen beslissing nemen.

9 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen berusten op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 46, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5 vermelde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als dit inhoudt het deelnemen aan een training ten behoeve van gedragsinterventie;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk is aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde straf.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C. van Walree, voorzitter, mr. P. Joele en mr. F.J. Koningsveld, rechters, in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 november 2010.

Mr. Koningsveld voornoemd is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De gewijzigde tenlastelegging

hij op of omstreeks 10 maart 2010 te Gorinchem, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van een misdrijf

waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of

meer is gesteld, te weten medeplegen van afpersing en/of medeplegen van

diefstal door middel van geweld en/of bedreiging met geweld, opzettelijk

(lederen) handschoenen en/of

bivakmutsen en/of

portofoons en/of

tie-wraps en/of

een nepvuurwapen en/of

tape en/of

een mes en/of

(een) auto('s), zijnde voorwerpen en/of (een) vervoermiddel(en) bestemd tot

het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd

en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft

gehad;

art 46 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Parketnummer: 11/860134-10

Vonnis d.d. 25 november 2010