Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BO6098

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
29-11-2010
Datum publicatie
02-12-2010
Zaaknummer
AWB 10/1308
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Samenvatting:

Bouwplan waarin is voorzien in heipalen die op de grens van het bouwvlak schuin worden ingeslagen en daardoor ondergronds de grens van het bouwvlak overschrijden.

Oordeel van de voorzieningenrechter: deze heipalen zijn onderdeel van het vergunde bouwwerk; deze heipalen zijn geen ondergeschikte bouwdelen die bij het toetsen van het bouwplan aan het bestemmingsplan buiten aanmerking dienden te blijven; deze heipalen overschrijden het in het bestemmingsplan gegeven bouwvlak, zodat het bouwplan op het punt van deze heipalen in strijd is met het bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 10/1308

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

1. [naam 1] en [naam 2], wonende te [woonplaats],

2. [naam B.V.1], zetelend te [plaats],

verzoekers,

gemachtigde: mr. W.J. Brakenhoff, advocaat te Rotterdam,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gorinchem, verweerder,

gemachtigde: mr. S. Bijlmakers, werkzaam bij de gemeente Gorinchem.

Derde partij:

[naam B.V.2], zetelend te [plaats], vergunninghoudster,

gemachtigde: mr. B.R. van Veen, advocaat te Rotterdam.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 2 november 2010 heeft verweerder vergunninghoudster op haar aanvraag van 23 juli 2010 bouwvergunning verleend voor de bouw van een bedrijfsloods op het perceel [adres] te [[plaats]].

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 12 november 2010 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van eveneens 12 november 2010 hebben verzoekers een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 17 november 2010 ter zitting behandeld.

Verzoekers zijn verschenen bij hun gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Vergunninghoudster is verschenen bij gemachtigde, vergezeld van [naam3], directeur.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is belanghebbende bij een besluit: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.3. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag voor de bouwvergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, zoals die wet ten tijde van de bouwaanvraag luidde, mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

2.1.4. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "[naam bestemmingsplan]", door de raad van de gemeente Gorinchem gewijzigd vastgesteld op 27 mei 2010, bekendgemaakt op 14 juli 2010 en in werking getreden op 26 augustus 2010 (hierna: het bestemmingsplan).

Volgens de plankaart van het bestemmingsplan is de grens van het voor het perceel van vergunninghoudster aangegeven bouwvlak aan de zijde van het perceel van verzoekers tevens de erfgrens.

Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften) wordt onder bouwvlak verstaan: een geometrisch bepaald vlak waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

Ingevolge artikel 2.2 van de planvoorschriften worden bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.

Artikel 3.2.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften bepaalt dat bedrijfsgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken: gebouwd binnen het bouwvlak.

Ingevolge artikel 11.1, aanhef en sub b, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de regels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 2,5 m, en deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of bebouwing.

2.2. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit waarbij de bouwvergunning is verleend, berust op het standpunt dat het bouwplan voor de bedrijfsloods in overeenstemming is met het bestemmingsplan.

2.3. Standpunt verzoekers

Verzoekers kunnen zich niet verenigen met de verleende bouwvergunning en betogen dat de lijn waarop volgens het bouwplan de bodemingang van de heipalen en de daarop rustende zijgevel aan de zijde van het perceel van verzoekers is voorzien, zich buiten de erfgrens en daarmee buiten het bouwvlak van het bestemmingsplan bevindt.

Verzoekers betogen verder dat voor zover de lijn waarop volgens het bouwplan de bodemingang van de heipalen en de zijgevel aan de zijde van het perceel van verzoekers is voorzien al binnen het bouwvlak zouden zijn gelegen, dan toch nog buiten het bouwvlak wordt gebouwd, doordat de gebruikte schoorpalen blijkens de bouwtekeningen tot 3 meter schuin onder het perceel van verzoekers worden geslagen.

Verzoekers zijn van opvatting dat zij door de aanwezigheid van de heipalen op dan wel onder hun perceel gehinderd worden in de gebruiksmogelijkheden van dat perceel.

2.4. Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.4.1. Vast staat dat de heipalen voor het bouwwerk al zijn geslagen en dat vergunninghoudster op het punt staat de verdere bouwwerkzaamheden te starten, zodat het spoedeisend belang gegeven is.

2.4.2. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekers verklaard dat verzoekster sub 2 eigenaresse is van de grond die grenst aan het perceel waarop het bouwplan ziet. Verzoekers sub 1 zijn volgens de gemachtigde werknemers van verzoekster sub 2. Een en ander is door verzoekers nog niet met nadere stukken inzichtelijk gemaakt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat ten minste één van de verzoekers eigenaar is van het naast het bouwplan gelegen perceel en daarmee belanghebbende bij de verleende bouwvergunning als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De vraag wie van de verzoekers precies eigenaar is en of de verzoekers die geen eigenaar zijn, in een andere hoedanigheid als belanghebbende bij het bouwplan kunnen worden aangemerkt dient in bezwaar nader aan de orde te komen. De voorzieningenrechter zal in het volgende vooralsnog alle verzoekers als belanghebbenden bij het bouwplan aanmerken.

2.4.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter faalt het betoog van verzoekers dat de bodemingang van de heipalen met daarop de ringbalk en de zijgevel aan de zijde van het perceel van verzoekers volgens het bouwplan zijn geprojecteerd buiten het bouwvlak. Gelet op de positie van (het resterende deel van) het trafohuisje in de bouwtekeningen, dat kennelijk voor 1/3 op het perceel van vergunninghoudster en voor 2/3 op het perceel van verzoekers staat, is zowel door vergunninghoudster als door verweerder beoogd de zijgevel te vergunnen tegen de erf- en bouwgrens aan. Voor het standpunt van verzoekers dat de lijn in de bouwtekeningen die wordt aangeduid met"1", de erfgrens en daarmee de grens van het bouwvlak aangeeft, zijn geen aanknopingspunten. Uit de overige bouwtekeningen blijkt dat met de cijfers 1 t/m 11 de plaats van steunpilaren voor het dak van de loods zijn weergegeven. Nu er echter niet expliciet een tekening is bijgevoegd van de positionering van het bouwplan ten opzicht van het perceel van verzoekers, geeft de voorzieningenrechter verweerder in overweging om in bezwaar alsnog hierover duidelijkheid te verschaffen.

Ten overvloede wijst de voorzieningenrechter er nog op dat in het geval de heipalen, in afwijking van de verleende bouwvergunning, over de erf- en bouwgrens zouden zijn geslagen, dit een handhavingskwestie betreft, die in deze procedure niet aan de orde is.

2.4.4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betogen verzoekers terecht dat doordat de voor het bouwplan benodigde heipalen (zogenoemde schoorpalen) schuin in de grond worden geslagen tot over de grens van het gegeven bouwvlak, het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

Zoals hierboven onder 2.4.3. is overwogen, volgt uit de bouwtekeningen dat de bodemingang van de heipalen, met daarop de ringbalk en de zijgevel aan de zijde van het perceel van verzoekers, zijn geprojecteerd tegen de bouw- en erfgrens aan. Voorts volgt uit de bouwtekeningen dat de zijgevel wordt ondersteund door onder meer 20 steunpunten van telkens twee heipalen die enkele meters schuin naar buiten worden geslagen, één in de richting van het perceel van verzoekers en één in de richting van de binnenkant van de loods. Er moet daarom aangenomen dat het bouwplan voorziet in heipalen die zich ondergronds uitstrekken tot over de grens van het bouwvlak. Het betoog van verweerder ter zitting dat de bodemingang van de heipalen zich op een dusdanige afstand van de perceelsgrens bevinden, dat deze zich ondergronds niet uitstrekken onder de grens van het bouwvlak door, is niet verenigbaar met deze bouwtekeningen. Aan de door verweerder ter zitting getoonde schets van de bouwinspecteur, voor zover bedoeld om dat betoog te staven, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen doorslaggevende betekenis toekomen. Het komt de voorzieningenrechter namelijk voor, gelet op hetgeen hierboven onder 2.4.3. over de positie van (het resterende deel van) het trafohuisje is overwogen en de door verzoekers ter zitting getoonde foto van de feitelijke situatie, dat de door verweerder ter zitting overgelegde schets van de bouwinspecteur van de geslagen heipalen ten opzichte van dat trafohuis niet overeenkomt met de werkelijkheid.

Het verdere betoog van verweerder ter zitting dat voor de heipalen, voor zover deze zich ondergronds uitstrekken over de grens van het bouwvlak, de grens van het bouwvlak niet relevant is omdat het ondergeschikte bouwonderdelen van het bouwwerk betreffen als bedoeld in artikel 2.2 van de planvoorschriften, kan de voorzieningenrechter niet volgen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat heipalen met de daaraan verbonden fundering op zichzelf reeds als een bouwwerk heeft te gelden. Dit volgt uit onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 november 2003, LJN AN8403, en 19 mei 2004, LJN AO9693. Daarmee moet worden aangenomen dat de heipalen met fundering deel uitmaken van het vergunde bouwwerk. De voorzieningenrechter overweegt daartoe voorts dat heipalen in zijn algemeenheid in artikel 2.2 van de planvoorschriften niet als ondergeschikte bouwonderdelen worden genoemd en ook in dit geval niet als ondergeschikte bouwonderdelen kunnen worden beschouwd. Er kan daarom niet worden geoordeeld dat bij het toetsen van het bouwplan aan het bestemmingsplan de grens van het bouwvlak voor de heipalen buiten aanmerking diende te blijven.

Ten slotte heeft verweerder ter zitting betoogd dat, voor zover al het bouwplan met de voorziene heipalen de grens van het bouwvlak overschrijdt en daardoor het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, hij bevoegd is na afweging van de betrokken belangen in bezwaar daarvoor binnenplans ontheffing te verlenen op grond van artikel 11.1, aanhef en sub b, van de planvoorschriften, zodat de bouwvergunning na verlening van die ontheffing in bezwaar kan worden gehandhaafd.

De voorzieningenrechter overweegt hierover dat deze bevoegdheid aan verweerder is gegeven voor een overschrijding van maximaal 2,5 meter van het bouwvlak, terwijl verzoekers betogen dat het gaat om een overschrijding van 3 meter. Ook heeft verweerder ter zitting nagelaten inzichtelijk te maken welke belangen dienen te worden afgewogen en welk gewicht aan die belangen door verweerder in bezwaar zal worden toegekend. Geconcludeerd moet daarom worden dat nog niet zeker is dat een binnenplanse ontheffing voor het bouwplan door verweerder voor de overschrijding van het bouwvlak op het punt van de heipalen zal kunnen worden verleend.

2.4.4. Nu niet vaststaat dat de ontheffing zal kunnen worden verleend, is derhalve niet duidelijk of de verleende bouwvergunning voor het bouwplan in bezwaar door verweerder zal kunnen worden gehandhaafd. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen. De bij besluit van 2 november 2010 verleende bouwvergunning wordt geschorst tot zes weken na de door verweerder te nemen beslissing op het bezwaar van verzoekers.

Omdat het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, dient verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:82, vierde lid, in samenhang met artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door verzoekers betaalde griffierecht (€ 298,-) te vergoeden.

De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:84 in samenhang met artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoekers in verband met het verzoek om voorlopige voorziening hebben gemaakt. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn de kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,- en wegingsfactor 1). Van overige kosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- schorst de bij besluit van 2 november 2010 verleende bouwvergunning tot zes weken na de beslissing op het bezwaar van verzoekers;

- bepaalt dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,-, welke kosten verweerder aan verzoekers moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, en door deze en mr. M. Lammerse, griffier, ondertekend.