Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BO6094

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
02-12-2010
Zaaknummer
AWB 10/1185
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing vervoersvoorziening ingevolge de Wmo op de grond dat sprake is van een voorliggende voorziening.

Verweerder heeft de vergoeding voor privévervoer ingevolge artikel 35 van de Wet WIA die door het UWV aan verzoeker is toegekend, aangemerkt als een op de Wmo voorliggende vervoersvoorziening, onder verwijzing naar de uitspraken van de CRvB van 23 juli 2003 (procedurenummer 02/897, niet gepubliceerd) en 18 februari 2004 (LJN AO4646).

De voorzieningenrechter oordeelt hierover: “In zijn uitspraak van 12 januari 2010 (LJN BL4037) heeft de CRvB (onder 4.2.2.) geoordeeld dat de ingevolge de Wmo geldende vereisten ten aanzien van de voorbereiding van een besluit, het bij dit besluit te bewerkstelligen resultaat en de daarmee verband houdende verzwaarde motiveringsverplichting niet op één lijn zijn te stellen met de uit de Wvg voortvloeiende verplichtingen. Dit betekent dat verweerder ter motivering van de afwijzing van de aanvraag van verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter ten onrechte heeft volstaan met een verwijzing naar uitspraken van de CRvB waarin, kort gezegd, is geoordeeld dat een vergoeding op grond van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten een voorliggende voorziening is ten opzichte van de Wvg.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 10/1185

uitspraak van de voorzieningenrechter

in het geding tussen

[naam verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. A.W. Boer, advocaat te Zeist,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leerdam, verweerder,

gemachtigde: A. Stuy, werkzaam bij de gemeente Leerdam.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 8 september 2010 heeft verweerder verzoekers aanvraag om een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 27 september 2010 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij brief van 26 oktober 2010, ingekomen op 29 oktober 2010, heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 15 november 2010 ter zitting behandeld.

Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g en 6°, van de Wmo, voor zover hier van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder maatschappelijke ondersteuning: het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wmo treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel (...) 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie die hem in staat stellen:

a. (...);

b. zich te verplaatsen in en om de woning;

c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Wmo, voor zover hier van belang, houdt het college van burgemeester en wethouders bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo, voor zover hier van belang, stelt de gemeenteraad bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet regels over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en over de voorwaarden waaronder personen die een aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Wmo vermeldt de motivering van een beschikking op een aanvraag om een individuele voorziening op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.

2.1.3. Ingevolge artikel 2 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Leerdam 2010 (hierna: Verordening) kan een voorziening slechts worden toegekend voor zover:

a. deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied:

(...)

- van het verplaatsen in en om de woning en/of

- van het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en/of

- van het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te verminderen;

b. deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt;

c. deze in overwegende mate op het individu is gericht;

d. het meerkosten betreffen die in een direct oorzakelijk verband staan met het compenseren van de ondervonden beperking of psychosociaal probleem.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder g, van de Verordening wordt geen voorziening toegekend indien op grond van enige andere wettelijke regeling aanspraak op de voorziening bestaat.

2.1.4. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: Wet WIA), voor zover hier van belang, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) aan de persoon met een naar het oordeel van het UWV structurele functionele beperking, en die arbeid in dienstbetrekking verricht of die arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten doch niet werkzaam is of zal zijn als werknemer in de zin van de Wet sociale werkvoorziening, op aanvraag voorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel kan onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden verstaan: vervoersvoorzieningen die er toe strekken dat de persoon, bedoeld in het eerste lid, zijn werkplek of opleidingslocatie kan bereiken.

Ingevolge het derde lid van dit artikel kan het UWV aan de persoon, bedoeld in het eerste lid, op aanvraag vervoersvoorzieningen toekennen die strekken tot verbetering van zijn leefomstandigheden en die deel uitmaken van dan wel rechtstreeks samenhangen met voorzieningen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.

2.2. het bestreden besluit

Aan de afwijzing van de aanvraag van verzoeker heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het UWV al een vervoersvoorziening heeft toegekend aan verzoeker. Bij besluit van 21 juli 2010 heeft het UWV voor privévervoer een vergoeding van € 400 per kwartaal aan verzoeker toegekend. Dit betekent volgens verweerder dat verzoeker ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder g, van de Verordening geen aanspraak kan maken op een voorziening op grond van de Wmo. Verweerder ziet bevestiging voor zijn standpunt in de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 23 juli 2003 (procedurenummer 02/897, niet gepubliceerd) en 18 februari 2004 (LJN AO4646).

2.3. de gronden van het verzoek

Verzoeker betoogt dat de door het UWV toegekende vervoersvoorziening is verstrekt in het kader van en daarmee bedoeld is voor woon-werkverkeer. De vergoeding van het UWV voor woon-werkverkeer is veel te laag, zodat ook de vergoeding van € 400 per kwartaal voor privévervoer voor woon-werkverkeer moet zijn bedoeld. De werkzaamheden van eiser moeten vooral als sociale activering worden beschouwd.

Voor zover het UWV met de toegekende vergoeding voor privévervoer een (leef)vervoersvoorziening heeft toegekend, mocht verweerder volgens verzoeker niet op grond daarvan concluderen dat verzoeker afdoende is gecompenseerd. Het kader waarbinnen het UWV een vervoersvoorziening mag verstrekken, is veel beperkter dan dat van de Wmo, zodat de door het UWV verstrekte vervoersvoorziening niet als voorliggende voorziening kan worden aangemerkt. In de uitspraken van de CRvB die verweerder heeft aangehaald, kan volgens verzoeker geen steun worden gevonden voor verweerders opvatting dat sprake is van een voorliggende voorziening, omdat in die uitspraken is geoordeeld over een vervoersvoorziening in het kader van de Wet Voorzieningen Gehandicapten (hierna: Wvg).

2.4. het oordeel van de voorzieningenrechter

2.4.1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt verweerder niet bij het nemen van een beslissing op het bezwaar van verzoeker.

2.4.2. Verzoeker, 61 jaar, lijdt sinds 1994 aan fascioscapulohumerale spierdystrofie, waardoor spierzwakte in zijn lichaam is ontstaan. De ziekte van verzoeker is progressief. Verzoeker kan slecht staan en lopen en hij kan onvoldoende doorhoesten, waardoor hij een verhoogd risico loopt op een longontsteking en vooral in de herfst en winter is aangewezen op overdekt en verwarmd vervoer. Verzoeker ontvangt een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Verzoeker is een aantal uren per week werkzaam als chauffeur op een taxibusje voor leerlingenvervoer.

2.4.3. Bij besluit van 21 juli 2010 heeft het UWV verzoekers aanvraag om vergoeding van de kosten van het aanpassen van een personenauto op grond van artikel 35 van de Wet WIA afgewezen en aan verzoeker een vergoeding toegekend voor het gebruik van een taxi. In het besluit van 21 juli 2010 is overwogen: "Deze vergoeding wordt toegekend voor vervoer van en naar uw werklocatie voor maximaal 32 ritten per jaar. (...) Voor privévervoer wordt een vergoeding van € 400,00 per kwartaal verstrekt." Omdat in het besluit van 21 juli 2010 expliciet onderscheid wordt gemaakt tussen de vergoeding voor woon-werkverkeer en de vergoeding voor privévervoer, moet de aan verzoeker toegekende vergoeding van € 400 per kwartaal voor privévervoer naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden aangemerkt als een vervoersvoorziening in de zin van artikel 35, derde lid, van de Wet WIA en is er geen reden om deze vergoeding aan te merken als een vergoeding voor woon-werkverkeer.

2.4.4. In zijn uitspraak van 12 januari 2010 (LJN BL4037) heeft de CRvB (onder 4.2.2.) geoordeeld dat de ingevolge de Wmo geldende vereisten ten aanzien van de voorbereiding van een besluit, het bij dit besluit te bewerkstelligen resultaat en de daarmee verband houdende verzwaarde motiveringsverplichting niet op één lijn zijn te stellen met de uit de Wvg voortvloeiende verplichtingen. Dit betekent dat verweerder ter motivering van de afwijzing van de aanvraag van verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter ten onrechte heeft volstaan met een verwijzing naar uitspraken van de CRvB waarin, kort gezegd, is geoordeeld dat een vergoeding op grond van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten een voorliggende voorziening is ten opzichte van de Wvg.

In genoemde uitspraak van 12 januari 2010 overweegt de CRvB (onder 4.4.1.) onder meer dat artikel 4 van de Wmo het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) verplicht aan de in dat artikel genoemde personen voorzieningen te bieden ter compensatie van hun beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie om hen in staat te stellen zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Dit artikel brengt mee dat de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie van deze personen de doeleinden zijn waarop de compensatieplicht van het college gericht moet zijn. Het is, gelet op de artikelen 3 en 5 van de Wmo, in beginsel aan de gemeenteraad en, gelet op artikel 4 van de Wmo, aan het college om te bepalen op welke wijze invulling wordt gegeven aan de in artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht. De rechter dient de keuze(n) die de gemeenteraad en het college daarbij hebben gemaakt in beginsel te respecteren, onverminderd de rechtsplicht van het college om in elk concreet geval een voorziening te treffen die zich kwalificeert als compensatie van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, aldus de CRvB. Artikel 4 van de Wmo legt het college, wat dat aangaat, de plicht op om een resultaat te bereiken dat als compensatie mag gelden en dat een dergelijk besluit in het individuele geval maatwerk dient te zijn. Onder omstandigheden kan dit leiden tot het oordeel dat algemene keuzen die de gemeenteraad en het college bij de uitvoering van de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de Wmo hebben gemaakt in het concrete, individuele geval niet kunnen worden toegepast wegens strijd met de in artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht.

Voorts overweegt de CRvB in zijn uitspraak van 12 januari 2010 (onder 4.4.2.) dat uit artikel 3:2 van Awb voortvloeit dat het college, zijnde het bestuursorgaan dat met de uitvoering van artikel 4 van de Wmo is belast, ervoor zorg dient te dragen dat een zorgvuldig onderzoek wordt ingesteld naar de voor die uitvoering relevante feiten en omstandigheden. Bij de beoordeling van een aanvraag om een voorziening te verstrekken, als bedoeld in artikel 4 van de Wmo, brengt dit mee dat het de taak van het college is om de beperkingen van de aanvrager in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, voor zover het de in dat artikel genoemde gebieden betreft, zijn persoonskenmerken en zijn behoeften, alsmede zijn capaciteit om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien te inventariseren.

2.4.5. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat verweerder moet onderzoeken welke vervoersvoorziening(en) verzoeker nodig heeft ter compensatie van de beperkingen die hij ondervindt, of de door het UWV verstrekte tegemoetkoming voor privévervoer daarvoor toereikend is en, zo niet, of verzoeker door bezwaar te maken tegen het besluit van 21 juli 2010 een afdoende compensatie voor zijn beperkingen had kunnen bewerkstelligen. Dit laatste kan niet op voorhand worden aangenomen, omdat het toepassingsbereik van artikel 2, eerste lid, van de Wmo gelet op de tekst van deze bepaling ruimer is dan het toepassingsbereik van artikel 35, derde lid, van de Wmo. Met andere woorden, ook als verzoeker van het UWV de maximale vergoeding voor privévervoer ontvangt, wil dat nog niet zonder meer zeggen dat is voldaan aan de in artikel 4 van de Wmo neergelegde compensatieplicht en dat de vergoeding van het UWV kan worden aangemerkt als een voorliggende voorziening. Zeker omdat verzoeker ter zitting heeft betoogd dat zijn gezondheidssituatie inmiddels verder is verslechterd en hij geen gebruik meer kan maken van zijn saxonette, ligt het in de rede dat verweerder de actuele situatie van verzoeker onderzoekt alvorens op het bezwaar te beslissen. Onder deze omstandigheden kan het besluit van 8 september 2010 naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, mede gelet op het bepaalde in artikel 26, eerste lid, van de Wmo, niet ongewijzigd worden gehandhaafd.

2.4.6. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om in afwachting van de beslissing op het bezwaar van verzoeker een voorlopige voorziening te treffen. Niet valt uit te sluiten dat het besluit van 8 september 2010 op basis van nader onderzoek en een nadere motivering kan worden gehandhaafd. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn situatie zo nijpend is dat hij de beslissing op bezwaar, die ook in geval van nader onderzoek binnen afzienbare tijd kan worden genomen, niet kan afwachten. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat verzoeker kan beschikken over een vervoersvoorziening van het UWV.

De rechtbank ziet geen reden om te betwijfelen dat verweerder zo spoedig mogelijk zal beslissen op het bezwaar van verzoeker en acht het daarom niet noodzakelijk om verweerder daartoe een termijn te stellen. Als de beslissing op bezwaar niet binnen de wettelijke termijn wordt genomen en verzoeker die beslissing niet langer wil afwachten, kan hij verweerder desgewenst in gebreke stellen en vervolgens eventueel beroep instellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

2.4.7. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.4.8. Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht:

- wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, rechter, en door deze en mr. M. Lammerse, griffier, ondertekend.