Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BO5314

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
29-11-2010
Zaaknummer
AWB 09/1016
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenvatting:

De Sociale Verzekeringsbank heeft terecht besloten dat eiseres niet bevoegd is om deel te nemen aan de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW.

Eiseres heeft zich niet aangemeld binnen de voorschreven termijn van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (NMV).

Gegeven dat de Sociale Verzekeringsbank eiseres noch haar echtgenoot heeft geïnformeerd over wijziging in het NMV maakt dit niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 09/1016

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[naam eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. P.A. Blaas, advocaat te 's-Hertogenbosch,

tegen

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder,

gemachtigde: mr. K. Verbeek, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.

Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 13 mei 2009 vastgesteld dat eiseres niet bevoegd is om deel te nemen aan de vrijwillige verzekeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW).

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 20 mei 2009 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 24 juni 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij faxbericht van 4 augustus 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

De zaak is op 24 september 2010 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiseres is niet verschenen.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

In artikel 21, derde lid, eerste volzin, van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (hierna: NMV), is onder meer bepaald dat de op het grondgebied van het Koninkrijk Marokko wonende echtgenoot van een werknemer die onderworpen is aan het stelsel van verplichte verzekering uitsluitend bevoegd is zich krachtens deze wettelijke regelingen vrijwillig te verzekeren over tijdvakken gelegen na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag, gedurende welke de werknemer krachtens deze wettelijke regelingen verplicht verzekerd is.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel wordt de in het voorgaande lid bedoelde bevoegdheid slechts verleend:

- indien de genoemde echtgenoot van de werknemer de Sociale Verzekeringsbank binnen een termijn van ten hoogste een jaar, volgend op het begin van het tijdvak van verplichte verzekering van laatstgenoemde in kennis heeft gesteld van zijn voornemen vrijwillig premie te betalen;

- indien de genoemde echtgenoot van de werknemer, die op de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag of onmiddellijk voorafgaand aan die datum verplicht verzekerde is geworden, de Sociale Verzekeringsbank binnen een termijn van ten hoogste een jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van de genoemde wijziging, in kennis heeft gesteld van zijn voornemen vrijwillig premie te betalen.

Het NMV is in werking getreden op 1 november 2004.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit het primaire besluit waarbij is vastgesteld dat eiseres niet bevoegd is om vanaf 1 november 2004 deel te nemen aan de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW, gehandhaafd. Verweerder heeft daartoe het volgende overwogen.

Eiseres heeft zich op 16 maart 2009 aangemeld voor de vrijwillige verzekering. Haar aanmelding heeft dus niet plaatsgevonden binnen de voorgeschreven termijn die door verweerder was verlengd tot 1 oktober 2006. Hiermee is niet voldaan aan de voorwaarden voor toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van het NMV. Volgens vaste jurisprudentie is onbekendheid met een wettelijke regeling in zijn algemeenheid geen verontschuldiging.

Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd.

Eiseres verwijst voor de gronden van haar beroep naar hetgeen is geschreven in haar bezwaarschrift van 20 mei 2009 met het verzoek het daarin genoemde als herhaald en ingelast te beschouwen. In het bezwaarschrift stelt eiseres dat zij van mening is dat zij wel voldoet aan de gestelde voorwaarden om deel te nemen aan de vrijwillige verzekering, omdat verweerder haar en haar partner nooit heeft geïnformeerd over de wetswijziging op

1 november 2004. Haar partner heeft decennia lang alle premies betaald voor onder andere de AOW-verzekering voor hen beiden. Voorts meent eiseres volgende de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het recht te hebben om vroegtijdig geïnformeerd te worden door verweerder over wetswijzigingen en gewijzigde procedures.

In aanvulling hierop voert zij het volgende aan in haar beroepschrift.

Indien de veronderstelling dat haar echtgenoot decennia lang alle premies heeft betaald voor onder andere de AOW-verzekering van hen beiden juist is, dan volgt hieruit dat de echtgenoot van eiseres de voor haar verschuldigde AOW-premies altijd heeft betaald op grond waarvan de vraag of eiseres al dan niet gebruik maakt van een vrijwillige AOW-verzekering niet relevant is. Uit het besluit blijkt dat verweerder zich van dit standpunt van eiseres niet dan wel onvoldoende rekenschap heeft gegeven.

Indien aangenomen zou moeten worden dat eiseres niet verzekerd is voor de AOW-verzekering, dan is zij van oordeel dat het in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel dat zij niet op de juiste wijze - dat wil zeggen persoonlijk dan wel via haar echtgenoot - is geïnformeerd over het feit dat de mogelijkheid tot vrijwillige verzekering heeft opengestaan. Het verstrekken van deze informatie had persoonlijk aan eiseres gericht moeten worden. Gezien het grote belang dat eiseres heeft bij het toekennen van een AOW-uitkering had het op de weg van verweerder gelegen eiseres hierover persoonlijk te informeren. Het enkel sluiten van een Verdrag met het Koninkrijk Marokko is hiertoe, gegeven de omstandigheden en het grote belang dat eiseres heeft te worden toegelaten tot deze vrijwillige verzekering, ontoereikend. Temeer daar de echtgenoot van eiseres altijd in Nederland heeft gewoond en gewerkt op grond waarvan het voor verweerder niet onoverkomelijk geweest zou zijn om eiseres dan wel haar echtgenoot persoonlijk op de hoogte te stellen van de mogelijkheid van vrijwillige verzekering.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Uit artikel 21, vierde lid, van het NMV volgt dat aanmelding voor de vrijwillige verzekering uiterlijk een jaar na de datum van inwerkingtreding van (de wijziging van) het NMV - dus vóór 1 november 2005 - dient te geschieden. Verweerder heeft de aanmeldingstermijn verlengd tot 1 oktober 2006.

Eiseres heeft op 16 maart 2009 een aanvraag ingediend voor een vrijwillige AOW-verzekering.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres met haar aanvraag van

16 maart 2009 verweerder niet tijdig in kennis heeft gesteld van haar voornemen vrijwillig premie te betalen in de zin van artikel 21, vierde lid, van het NMV.

De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar stelling dat de vraag of zij al dan niet gebruik maakt van een vrijwillige AOW-verzekering niet relevant is. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de veronderstelde voldoening van de premies er niet toe kan leiden dat verweerder eiseres zou kunnen toelaten tot de vrijwillige verzekering.

Ter zitting is door verweerder toegelicht dat voor zover eiseres in de periode voorafgaand aan 1 november 2004 verzekerd zou zijn geweest op basis van de huwelijkstijdvakken, deze tijdvakken op grond van het NMV slechts worden gehonoreerd, indien eiseres zich in de periode vanaf 1 november 2004 vrijwillig heeft verzekerd. Hieruit volgt dat het al dan niet gebruik maken van een vrijwillige AOW-verzekering wel relevant is.

Niet valt in te zien dat uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder zich van dit standpunt van eiseres niet dan wel onvoldoende rekenschap heeft gegeven.

Ook de beroepsgrond dat verweerder eiseres noch naar echtgenoot heeft geïnformeerd over de wetswijziging op 1 november 2004 faalt.

Uit het NMV noch uit enig(e) wettelijke bepaling of rechtsbeginsel volgt dat verweerder de plicht zou hebben om (de echtgenoot van) eiseres persoonlijk te informeren over wijzigingen in het NMV. De mailing - die verweerder blijkens het verweerschrift over de wijziging van het NMV heeft verspreid, maar, nu hij niet in het GBA-adressenbestand voorkwam, niet naar de echtgenoot van eiseres is verstuurd - betreft dus een onverplichte handeling. Voor verweerder is dan ook geen rechtsplicht ontstaan om eiseres in strijd met het NMV als verzekerde aan te merken. Het feit dat - zoals eiseres aanvoert - het voor verweerder niet onoverkomelijk was om haar echtgenoot persoonlijk op de hoogte te stellen, maakt dit oordeel niet anders.

Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, zie onder meer de uitspraak van 1 april 1998, LJN AL0865, volgt dat van eiseres, die in het buitenland verblijft, mag worden verwacht dat zij maatregelen treft om op de hoogte te blijven van ontwikkelingen in Nederland die voor haar van belang zijn. Verder woont de echtgenoot van eiseres wel in Nederland. Onbekendheid met (wijzigingen in) het NMV levert dan ook geen grond op om een bijzonder geval aanwezig te achten, waarin afgeweken zou moeten worden van de uit het NMV volgende aanmeldingstermijn.

Het gegeven dat - zoals eiseres aanvoert - zij een groot belang heeft bij het toekennen van een AOW-uitkering kan aan het voorgaande niet afdoen.

Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank ook in hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd, geen aanleiding om te oordelen dat verweerder niet terecht heeft kunnen besluiten dat eiseres niet bevoegd is om deel te nemen aan de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW.

Het beroep is ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

Beslissing

De rechtbank Dordrecht,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.G.L. de Vette, rechter, en door deze en mr. drs. D.L. Spierings, griffier, ondertekend.