Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BO5312

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
29-11-2010
Zaaknummer
85007 - HA ZA 10-2079
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde heeft niet meegewerkt aan het passeren van de akte van levering (van een perceel) en verbeurt een boete.

Gedaagde beroept zich op overmacht: door zijn detentie in Aruba was hij niet in staat om mee te werken aan het passeren van de akte van levering. Beroep op overmacht slaagt niet, nu gedaagde ondanks zijn detentie een volmacht had kunnen verlenen waardoor de akte van levering gepasseerd had kunnen worden.

Beroep op matiging van de boete: gedaagde heeft onvoldoende aangevoerd voor het oordeel dat de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de bedongen boete wordt gematigd. Gevorderde aanvullende schadevergoeding afgewezen, nu gestelde schade lager is dan het boetebedrag (overigens zijn partijen wel overeengekomen dat gedaagde naast de boete aanvullende schadevergoeding verschuldigd kan zijn).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2011/25
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 85007 / HA ZA 10-2079

Vonnis van 24 november 2010

in de zaak van

de commanditaire vennootschap

ALBLASSERWERF C.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

eiseres,

procesadvocaat mr. J.A. Visser,

advocaat mr. J.M. Henriquez,

tegen

[Gedaagde]

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procesadvocaat mr. V.J. Groot,

advocaat mr. G. de Hoogd.

Partijen zullen hierna Alblasserwerf en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 maart 2010 en de daarin genoemde stukken,

- de brief d.d. 22 juli 2010 van mr. G. de Hoogd,

- de brief d.d. 6 augustus 2010 van mr. J.M. Henriquez,

- de door Alblasserwerf bij brief d.d. 17 augustus 2010 overgelegde producties,

- het proces-verbaal van comparitie van 8 september 2010,

- de akte van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Alblasserwerf en [gedaagde] zijn op 27 oktober 2008 overeengekomen dat Alblasserwerf een twee-onder-een-kapwoning met bijbehorende ondergrond, erf en tuin gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: het perceel) aan [gedaagde] verkoopt tegen betaling van EUR 349.000,00 (hierna: de overeenkomst).

2.2. De koopakte d.d. 27 oktober 2008 (productie 1 bij dagvaarding en hierna: de

koopakte) bevat onder meer de volgende bepalingen:

“(…)

artikel 3 Eigendomsoverdracht

3.1. De akte van levering zal gepasseerd worden op uiterlijk 30 december 2008, of uitsluitend indien de akte van huwelijkse voorwaarden niet tijdig door de rechtbank goedgekeurd is, mag het transport ook in januari 2009 plaatsvinden, of zoveel eerder of later als partijen tezamen nader overeenkomen, (…)

(…)

artikel 10 Ingebrekestelling, ontbinding

10.1. Indien één van de partijen, na in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen nalatig is of blijft in de nakoming van één of meer van haar uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, kan de wederpartij van de nalatige deze overeenkomst zonder rechterlijke tussenkomst ontbinden door middel van een schriftelijke verklaring aan de nalatige.

10.2. Ontbinding op grond van tekortkoming is slechts mogelijk na voorafgaande ingebrekestelling. Bij ontbinding van de overeenkomst op grond van toerekenbare tekortkoming zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een zonder rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete van € 34.950, -, zegge VIERENDERTIGDUIZENDNEGENHONDERDENVIJFTIG EURO verbeuren, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding en vergoeding van kosten van verhaal.

(…)”

2.3. In een brief d.d. 3 februari 2009 (productie 2 bij dagvaarding) schrijft makelaar

[betrokkene] (hierna: makelaar [betrokkene]) aan [gedaagde] onder meer het volgende:

“(…)

U heeft met mijn cliënt, Alblasserwerf C.V. te Zoetermeer, een koopovereenkomst gesloten betreffende de onroerende zaak plaatselijk bekend [adres] te (…) [woonplaats].

(…)

Wij hebben geconstateerd dat u in gebreke bent gebleven om uw verplichtingen na te komen. Deze tekortkoming bestaat uit het feit dat u nagelaten hebt per uiterlijk 30 januari 2009 uw verplichting conform artikel 3 Eigendomsoverdracht na te komen.

Namens mijn cliënt stel ik u hierbij in gebreke. Tevens verzoek en zonodig sommeer ik u om uiterlijk op 11 februari 2009 uw tekortkoming op te heffen en uw verplichtingen die voortvloeien uit de koopovereenkomst alsnog na te komen.

(…)”

2.4. [gedaagde] heeft niet meegewerkt aan het passeren van de akte van levering.

2.5. Begin april 2009 heeft Alblasserwerf bij aangetekende brief de overeenkomst

ontbonden. Het perceel is opnieuw verkocht en de akte van levering is op 29 april 2009 ten behoeve van de nieuwe kopers gepasseerd.

2.6. Alblasserwerf heeft op 27 november 2009 met toestemming van de voorzieningenrechter te Dordrecht conservatoir beslag doen leggen op (geheel of deels) aan [gedaagde] in eigendom toebehorende onroerende zaken (hierna: het beslag). Op 11 december 2009 is het beslag opgeheven nadat [gedaagde] op 10 december 2009 ten behoeve van Alblasserwerf een bankgarantie heeft doen stellen.

3. Het geschil

3.1. Alblasserwerf vordert dat bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal worden veroordeeld om aan Alblasserwerf te betalen:

- een bedrag van EUR 51.950,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van EUR 34.950,00 vanaf 11 februari 2009 tot de dag der gehele voldoening en te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van EUR 17.000,00 vanaf 22 april 2009 tot de dag der algehele voldoening,

- een bedrag van EUR 12.733,00 ter zake van vergoeding van de kosten van verhaal, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag,

met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding, waaronder begrepen de beslagkosten.

Alblasserwerf heeft daartoe het volgende aangevoerd.

3.2. [gedaagde] heeft, ook na ingebrekestelling d.d. 3 februari 2009, niet meegewerkt aan het passeren van de akte van levering, waardoor [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst. Begin april 2009 heeft Alblasserwerf op grond van het bepaalde in artikel 10.1 van de koopakte bij aangetekende brief de overeenkomst ontbonden. Op grond van artikel 10.2 van de koopakte is [gedaagde] een boete ad EUR 34.950,00 en aanvullende schadevergoeding ad EUR 17.000,00 aan Alblasserwerf verschuldigd. Alblasserwerf heeft door de tekortkoming van [gedaagde] het perceel voor een lager bedrag (EUR 17.000,00) moeten verkopen.

Het verweer

3.3. De conclusie van antwoord van [gedaagde] strekt ertoe Alblasserwerf in haar vorderingen niet ontvankelijk te verklaren, althans haar de vorderingen te ontzeggen, met veroordeling van Alblasserwerf, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van deze procedure.

[gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd.

3.4. Het niet meewerken aan het passeren van de akte van levering is een tekortkoming

in de nakoming van de overeenkomst die [gedaagde] niet kan worden toegerekend, nu er sprake is van overmacht. [gedaagde] was op geen enkele wijze in staat om mee te werken aan de eigendomsoverdracht van het perceel, omdat [gedaagde] van 3 december 2008 tot 29 april 2009 in Aruba in voorarrest heeft verbleven terwijl [gedaagde] onschuldig is. [gedaagde] heeft de eerste zeven weken van zijn detentie in alle beperkingen gezeten.

3.5. Hetgeen verschuldigd is op grond van een boetebeding treedt in de plaats van schadevergoeding op grond van de wet. Alblasserwerf is slechts gerechtigd om aanvullende schadevergoeding te vorderen indien de schade het boetebedrag overschrijdt. Indien [gedaagde] een boete aan Alblasserwerf verschuldigd is, vereist de billijkheid dat de boete gematigd wordt, nu [gedaagde] in Aruba een afschuwelijke periode heeft gehad in detentie en de werkelijke schade niet meer kan zijn dan EUR 17.000,00. Er is ruimte voor matiging, omdat toepassing van het boetebeding tot een buitensporig resultaat zal leiden.

4. De beoordeling

4.1. Artikel 85 Rv bepaalt onder meer dat een partij die zich bij dagvaarding, conclusie

of bij akte op enig stuk beroept, verplicht is een afschrift van het stuk bij te voegen, tenzij een afschrift reeds bij een eerder processtuk in dezelfde zaak was gevoegd. Bij schending van dit voorschrift kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. Artikel 22 Rv bepaalt dat de rechter in alle gevallen in elke stand van de procedure partijen of één van hen kan bevelen bepaalde op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen.

4.2. [gedaagde] heeft verzocht om overlegging door Alblasserwerf van pagina 1 van

productie 4 bij dagvaarding en heeft daartoe aangevoerd dat een goede procesorde vereist dat partijen volledige documenten in het geding brengen en dat [gedaagde] wil weten wie de nieuwe kopers zijn. Alblasserwerf stelt zich op het standpunt dat overlegging van de eerste pagina van productie 4 bij dagvaarding niet is vereist, nu de eerste pagina van productie 4 bij dagvaarding slechts persoonsgegevens bevat die niet relevant zijn voor de onderhavige procedure.

4.3. Nu tussen partijen niet in geschil is dat productie 4 een afschrift betreft van een koopakte d.d. 9 april 2009 ter zake van het perceel en nu [gedaagde] - voorzover relevant voor de onderhavige procedure - over de gegevens van de nieuwe kopers van het perceel zou kunnen beschikken door het kadaster te raadplegen, staat het niet overleggen van de eerste pagina van productie 4 bij dagvaarding door Alblasserwerf niet in de weg aan een op hoor en wederhoor gebaseerde beslissing. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om te bevelen dat Alblasserwerf de eerste pagina van productie 4 bij dagvaarding dient te overleggen. Het voorgaande brengt tevens met zich dat productie 4 bij dagvaarding wordt meegenomen in de verdere beoordeling van het onderhavige geschil.

Boete

4.4. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend (zie 3.4). Ter comparitie heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij geen volmacht kon verlenen, nu [gedaagde] nog stukken moest tekenen ten behoeve van de financiering en er een kans bestond dat de bank de financiering in zou trekken indien de bank door de volmachtverlening wetenschap zou krijgen van het feit dat [gedaagde] in detentie verbleef. Tevens heeft [gedaagde] ter comparitie aangevoerd dat zijn detentie niet voor zijn risico komt, nu Alblasserwerf de termijnen kort heeft gehouden terwijl de advocaat en de huidige echtgenote van [gedaagde] voor het verstrijken van de opleverdata aan makelaar [betrokkene] kenbaar hebben gemaakt dat [gedaagde] het perceel wilde afnemen, maar dat dit niet mogelijk was vanwege de detentie van [gedaagde]. Alblasserwerf betwist dat de tekortkoming niet aan [gedaagde] kan worden toegerekend en heeft daartoe ter comparitie aangevoerd dat “in dit geding (…) niet vast [is] komen te staan dat er sprake is van een overmachtsituatie. De strafzaak is nog niet ten einde gekomen. (…) Zelfs indien er sprake is van een overmachtsituatie dan komt dit niet voor risico van Alblasserwerf.” (zie proces-verbaal van comparitie).

4.5. Als onweersproken staat vast dat [gedaagde] van 3 december 2008 tot 29 april 2009 in Aruba in voorarrest heeft verbleven. Logischerwijs was [gedaagde] door zijn detentie in Aruba niet in staat om de akte van levering zelf te ondertekenen. Echter, gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] door zijn detentie in Aruba niet in staat was om een volmacht te verlenen aan een derde (bijvoorbeeld aan zijn advocaat) zodat een derde namens [gedaagde] de akte van levering kon ondertekenen. De stelling van [gedaagde] dat er een kans bestond dat de bank de financiering in zou trekken indien de bank door de volmachtverlening wetenschap zou krijgen van het feit dat [gedaagde] in detentie verbleef, doet er niet aan af dat [gedaagde] ondanks zijn detentie een volmacht had kunnen verlenen waardoor de akte van levering gepasseerd had kunnen worden. Derhalve werd [gedaagde] door zijn detentie in Aruba slechts belemmerd in één der mogelijke wijzen van nakoming van de verbintenis. Dit brengt met zich dat de tekortkoming aan [gedaagde] te wijten is. De overige stellingen van partijen ten aanzien van de door [gedaagde] gestelde overmacht behoeven dan ook geen bespreking.

4.6. Gelet op het voorgaande is [gedaagde] door niet mee te werken aan het passeren van de akte van levering toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van een verbintenis uit hoofde van de overeenkomst. Dit brengt met zich dat [gedaagde] op grond van het bepaalde in artikel 10.2 van de koopakte een boete ad EUR 34.950,00 aan Alblasserwerf verschuldigd is.

Matiging

4.7. [gedaagde] beroept zich op matiging van de boete (zie 3.5). Alblasserwerf betwist dat er reden is voor matiging en heeft daartoe aangevoerd dat het boetebeding een standaard beding is en dat nakoming van het boetebeding niet tot een buitensporig resultaat leidt.

4.8. De bevoegdheid tot het matigen van een contractuele boete dient met

terughoudendheid te worden toegepast. Gelet op dit uitgangspunt en nu de in de overeenkomst bedongen boete van 10% van de koopsom van het perceel gebruikelijk en algemeen geaccepteerd is, heeft [gedaagde] onvoldoende aangevoerd voor het oordeel dat de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de bedongen boete wordt gematigd. Derhalve zal niet worden overgegaan tot matiging van de boete.

Aanvullende schadevergoeding

4.9. Artikel 10.2 van de koopakte kan niet anders gelezen worden dan dat [gedaagde]

naast de overeengekomen boete tevens (aanvullende) schadevergoeding aan Alblasserwerf verschuldigd kan zijn indien er sprake is van ontbinding op grond van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een verbintenis uit hoofde van de overeenkomst door [gedaagde]. Aldus zijn partijen afgeweken van het wettelijke uitgangspunt (artikel 6:92 lid 2 BW) dat de boete in de plaats treedt van de ingevolge de wet verschuldigde schadevergoeding.

4.10. De in artikel 10.2 van de koopakte gebruikte bewoordingen “onverminderd het

recht op aanvullende schadevergoeding” kunnen – met name door het gebruik van het woord “aanvullende” – niet anders worden begrepen dan dat Alblasserwerf naast de contractuele boete slechts aanspraak heeft op schadevergoeding indien de schade het boetebedrag overschrijdt. Nu de door Alblasserwerf gestelde schade (EUR 17.000,00) lager is dan het boetebedrag (EUR 34.500,00), heeft Alblasserwerf geen recht op aanvullende schadevergoeding.

Slotsom

4.11. Gelet op al het voorgaande zal de door Alblasserwerf gevorderde boete ad EUR 34.950,00 worden toegewezen en de door Alblasserwerf gevorderde aanvullende schadevergoeding ad EUR 17.000,00 worden afgewezen.

Wettelijke rente

4.12. Nu Alblasserwerf niet (voldoende onderbouwd) heeft gesteld vanaf welke datum [gedaagde] ten aanzien van de betaling van de boete in verzuim is geraakt, zal als datum van verzuim en dus als ingangsdatum van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW de dag van de dagvaarding (11 januari 2010) worden aangemerkt.

Buitengerechtelijke kosten

4.13. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten ad EUR 12.733,00 zal

worden afgewezen, nu Alblasserwerf niet (voldoende onderbouwd) heeft gesteld dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

Proceskosten

4.14. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten, daaronder begrepen de beslagkosten, aan de zijde van Alblasserwerf worden tot op heden begroot op:

- dagvaarding EUR 73,89

- verschotten 1.667,75

- salaris advocaat 2.682,00 (3,0 punten × tarief IV à EUR 894,00)

Totaal EUR 4.423,64

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Alblasserwerf te betalen een bedrag van EUR 34.950,00 (vierendertig duizendnegenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 11 januari 2010 tot de dag van volledige betaling;

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Alblasserwerf tot op heden begroot op EUR 4.423,64;

5.3. verklaart dit vonnis (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2010.?