Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BO5292

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
25-11-2010
Datum publicatie
29-11-2010
Zaaknummer
264849 CV EXPL 10-9567
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij een ontruiming heeft de verhuurder zich over de roerende zaken ontfermd en deze 13 weken doen opslaan. Na 13 weken zijn de roerende zaken vernietigd. De voormalig huurder vordert op grond van onrechtmatige daad schadevergoeding nu hij tijdens de ontruiming in detentie verbleef. De kantonrechter is van oordeel dat het verweer van verhuurder dat sprake is van het kennelijk prijsgeven van bezit op het moment dat roerende zaken aan de openbare weg worden gezet niet slaagt. Voor het kennelijk prijsgeven is vereist dat uit handelingen van de bezitter blijkt dat hij de wil heeft het bezit te doen eindigen. Een enkel stilzitten is daarvoor onvoldoende. De detentie van huurder tijdens de ontruiming is bij gebrek aan onderbouwing door de verhuurder betwist. De kantonrechter laat dan ook in het midden of van detentie sprake was. Vast staat in ieder geval, gelet op de stellingen van partijen over en weer, dat tussen partijen voorafgaand, tijdens en na de ontruiming geen contact heeft plaatsgevonden. De gemachtigde van huurder heeft voorts niet nader kunnen onderbouwen of huurder destijds iets had geregeld met betrekking tot zijn post. De kantonrechter houdt het er dan ook op dat huurder niets had geregeld om zijn inboedel voor dan wel na de ontruiming veilig te stellen. De verhuurder heeft gehandeld krachtens zaakwaarneming. De kantonrechter is van oordeel, na afweging van de omstandigheden van het geval, dat verhuurder de roerende zaken van de voormalig huurder behoorlijk heeft waargenomen. Van onrechtmatig handelen is geen sprake. De vordering wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 555
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 198
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 117
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2011/31b met annotatie van Cor Goudriaan/Jeroen Groenewoud
NJF 2011/27
RVR 2011/30
Prg. 2011/102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector kanton

Locatie Dordrecht

kenmerk: 264849 CV EXPL 10-9567

vonnis van de kantonrechter te Dordrecht van 25 november 2010

in de zaak van:

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. G.A.S. Maduro,

tegen:

de stichting Stichting Trivire,

rechtsopvolgster onder algemene titel van stichting Progrez en stichting Interstede,

gevestigd te Dordrecht,

gedaagde,

gemachtigde N.A. Hoogendoorn.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] respectievelijk Trivire.

Verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

1. de dagvaarding van 1 september 2010;

2. de conclusie van antwoord;

3. het tussenvonnis van 14 oktober 2010 waarin een comparitie van partijen is bevolen;

4. de aantekeningen van de griffier van de op 18 november 2010 gehouden comparitie van partijen;

5. de overgelegde producties.

Omschrijving van het geschil

1. De feiten

1.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de inhoud van de overgelegde producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.

1.2 Tussen partijen heeft een huurovereenkomst bestaan met betrekking tot de woning aan de [adres] te [plaatsnaam]. In verband met een huurachterstand is [eiser] door Trivire gedagvaard bij dagvaarding van 31 januari 2007.

1.3 Bij verstekvonnis van 1 maart 2007 is onder meer de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden en is de gevorderde ontruiming toegewezen. Op 12 maart 2007 is dit vonnis aan [eiser] betekend door achterlating van een gesloten envelop op het adres [adres] te [plaatsnaam] (hierna de woning). Daarbij is tevens aangezegd dat bij niet voldoen aan het bevel tot ontruiming deze ontruiming zal plaatsvinden op 27 maart 2007.

1.4 Op 27 maart 2007 heeft de ontruiming van de woning plaatsgevonden waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Trivire heeft de roerende zaken die uit de woning zijn gehaald voor een periode van 13 weken doen opslaan. Na afloop van deze periode zijn de roerende zaken vernietigd.

2. De vordering

2.1 [eiser] vordert dat Trivire bij vonnis zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 4.000,00, dan wel een ander redelijk bedrag dat door de kantonrechter in goede justitie kan worden bepaald, met veroordeling van Trivire in de proceskosten.

2.2 [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag onrechtmatig handelen door Trivire. Tijdens de detentie van [eiser] is de door hem gehuurde woning ontruimd. Daardoor heeft hij schade geleden, omdat hij de goederen die zijn ontruimd, niet terug heeft gekregen. De schade beloopt ongeveer € 4.000,00. Trivire is verantwoordelijk, omdat zij de opdracht tot ontruiming heeft gegeven.

3. Het verweer

3.1 Trivire voert verweer. Zij betwist op enigerlei wijze onrechtmatig te hebben gehandeld jegens [eiser]. Tot aan de brief van de gemachtigde van [eiser] d.d. 26 juli 2010 is aan Trivire nimmer medegedeeld dat [eiser] in detentie verbleef. Ook uit navraag bij het bevolkingsregister door de gerechtsdeurwaarder is van het voorgaande niets gebleken. Trivire betwist bij gebrek aan enig bewijsstuk de detentie van [eiser] tijdens de ontruiming. Tijdens de ontruiming had [eiser] volgens het bevolkingsregister woonplaats op het adres van het gehuurde.

3.2 De ontruiming is geheel conform wettelijk voorschrift bewerkstelligd waarvan

onderdeel is de verwijdering van eventueel in de woning aanwezige roerende zaken.

3.3 Trivire voert voorts aan dat conform artikel 3:117 lid 1 BW vanaf het moment dat roerende zaken langs de openbare weg zijn geplaatst er vanuit dient te worden gegaan dat het bezit hiervan kennelijk is prijsgegeven. Trivire heeft na verwijdering van de roerende zaken uit de woning nog zorg gedragen voor afvoer van de roerende zaken en geheel onverplicht zorg gedragen voor opslag van de roerende zaken gedurende 13 weken.

3.4 Deurwaarderskantoor Wouters heeft de gemeente Dordrecht gevraagd wat het beleid is ten aanzien van inboedels die op de openbare weg belanden na een ontruiming. De gemeente Dordrecht heeft aangegeven dat het conform artikel 2.1.10 van de Algemene Plaatselijke Verordening Dordrecht niet is toegestaan voorwerpen op straat te plaatsen als gevolg van een woningontruiming. Als overtreder wordt dan de opdrachtgever (Trivire) van de ontruiming aangemerkt. Naar de mening van de gemeente kan de opdrachtgever van de ontruiming op basis van zaakwaarneming voor afvoer en opslag zorgdragen en zij verwijst voor de opslagtermijn naar artikel 5:30 Algemene Wet Bestuursrecht waarin een termijn van 13 weken is opgenomen. Trivire stelt zich op het standpunt dat van zaakwaarneming geen sprake is nu de roerende zaken immers kennelijk zijn prijsgegeven vanaf het moment dat deze langs de openbare weg worden geplaatst. [eiser] had, zelfs als hij in detentie zat, een derde kunnen inschakelen om zijn belangen te behartigen. Nu [eiser] dit heeft nagelaten valt Trivire niets te verwijten.

3.5 Tot slot betwist Trivire de hoogte van de schade nu enige onderbouwing daarvan ontbreekt. De schade is in het geheel niet door [eiser] aannemelijk gemaakt.

Beoordeling van het geschil

4. Als meest verstrekkend verweer heeft Trivire aangevoerd dat op het moment dat roerende zaken aan de openbare weg worden gezet de bezitter daarvan geacht wordt op grond van artikel 3:117 lid 1 BW het bezit van die zaken kennelijk te hebben prijsgegeven. De kantonrechter volgt Trivire in dit verweer niet. Artikel 3:117 lid 1 BW bepaalt dat een bezitter van een goed het bezit verliest, wanneer hij het goed kennelijk prijsgeeft, of wanneer een ander het bezit van het goed verkrijgt. Voor het kennelijk prijsgeven van het goed is vereist dat uit handelingen van de bezitter blijkt dat hij de wil heeft het bezit te doen eindigen. Een enkel stilzitten is daarvoor onvoldoende.

5. Dat [eiser] tijdens de ontruiming in detentie zat is bij gebrek aan onderbouwing door Trivire betwist. Tijdens de comparitie van partijen heeft de gemachtigde van [eiser] ook niet nader kunnen onderbouwen van wanneer tot wanneer en waarvoor [eiser] in detentie heeft verbleven. De kantonrechter laat dan ook in het midden of van detentie sprake was. Vast staat in ieder geval, gelet op de stellingen van partijen over en weer, dat tussen partijen voorafgaand, tijdens en na de ontruiming geen contact heeft plaatsgevonden. De gemachtigde van [eiser] heeft voorts niet nader kunnen onderbouwen of [eiser] destijds iets had geregeld met betrekking tot zijn post. De kantonrechter houdt het er dan ook op dat [eiser] niets had geregeld om zijn inboedel voor dan wel na de ontruiming veilig te stellen.

6. Op het moment dat Trivire ter opslag de roerende zaken onder zich neemt behartigt zij de belangen van een ander (in casu [eiser]) en is sprake van zaakwaarneming in de zin van artikel 6:198 BW. Op grond van artikel 6:199 lid 1 BW is Trivire verplicht bij de waarneming de nodige zorg te betrachten en, voor zover dit redelijkerwijze van haar kan worden verlangd, de begonnen waarneming voort te zetten. Vast staat dat de roerende zaken 13 weken zijn opgeslagen. Bij de beoordeling of deze termijn voldoende is weegt de kantonrechter de volgende omstandigheden mee. Ten tijde van de ontruiming had [eiser] een aanzienlijke huurschuld aan Trivire. Het had op de weg van [eiser] gelegen om voorzieningen te treffen aangaande zijn post en zijn inboedel. Onder deze omstandigheden kon van Trivire redelijkerwijze niet verlangd worden dat zij de opslag na 13 weken nog voort zette. Dit oordeel impliceert dat van onrechtmatig handelen van Trivire geen sprake is.

7. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat [eiser] op geen enkele wijze de gestelde schade van € 4.000,00 aannemelijk heeft gemaakt hoewel dat wel op zijn weg had gelegen.

8. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Trivire bepaald op € 400,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Lecluse-de Bruijn, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

25 november 2010, in aanwezigheid van de griffier.