Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BO4783

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
11/860377-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft al enige tijd geld tegoed van beide slachtoffers. Hij probeert hen tot een spoedigere betaling te bewegen door te hen te bedreigen met geweld. Die poging mislukt omdat de politie wordt verwittigd. De rechtbank verwerpt het gevoerde bewijsverweer en veroordeelt verdachte tot een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Degene die verdachte vergezelde (medeverdachte), wordt vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/860377-10 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 november 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] in [1964],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegeven op het adres:

Kerkeplaat 25 te 3313 LC Dordrecht,

zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland,

postadres: Hoge Torenstraat 8 te 4201 GC Gorinchem (kantoor raadsman),

hierna: verdachte.

Raadsman mr. S. Meeuwsen, advocaat te Gorinchem.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 9 november 2010, waarbij de officier van justitie, mr. C.J. Booij, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vorderingen van de benadeelde partijen.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 28 juni 2010 te Meerkerk samen met een of meer anderen heeft geprobeerd met geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] te dwingen geld en een personenauto af te geven.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen en baseert zijn standpunt op de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte d.d. 28 juni 2010 van [benadeelde partij 1] (hierna: aangever [benadeelde partij 1]) (1.2);

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 juni 2010 met betrekking tot het aantreffen van verdachte in een auto (1.3);

- het proces-verbaal van verhoor d.d. 6 augustus 2010 van getuige [getuige 1] (1.14);

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 augustus 2010 met betrekking tot het verhoor van getuige [getuige 2] (1.17);

- het proces-verbaal van aangifte d.d. 29 juni 2010 van [benadeelde partij 2] (hierna: aangever [benadeelde partij 2]) (2.2);

- het proces-verbaal van verhoor d.d. 2 augustus 2010 van verdachte (1.V1.2);

- het proces-verbaal van verhoor d.d. 2 augustus 2010 van [medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) (1.V2.1);

- het proces-verbaal van verhoor d.d. 3 augustus 2010 van medeverdachte (1.V2.2);

- het proces-verbaal van verhoor naar aanleiding van toetsing inverzekeringstelling en vordering tot inbewaringstelling d.d. 5 augustus 2010 van de medeverdachte;

- het proces-verbaal van verhoor naar aanleiding van toetsing inverzekeringstelling en vordering tot inbewaringstelling d.d. 30 juli 2010 van verdachte;

- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit, omdat zij van oordeel is dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit kan komen.

De verdediging heeft daarbij gewezen op de omstandigheid dat verdachte geen wezenlijk aandeel heeft gehad in het delict. Bovendien ontbreekt het bewijs dat verdachte kan worden aangemerkt als medepleger. Verdachte was inderdaad op verzoek van de medeverdachte met hem meegegaan naar een afspraak. Echter, verdachte kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor wat de medeverdachte tijdens deze afspraak heeft gedaan. Bovendien ontbreekt het bewijs dat verdachte een wezenlijk aandeel heeft gehad in de handelingen van de medeverdachte. De verdediging heeft aangegeven dat verdachte vervolgens wel aangever [benadeelde partij 1] heeft meegenomen in zijn auto om geld op te halen. Echter, deze omstandigheid is geen onderdeel van de tenlastelegging en dient daarom buiten beschouwing te blijven, aldus de verdediging.

Daarnaast heeft de verdediging betoogd dat niet vaststaat dat er bedreigingen zijn geuit. Verdachte heeft weliswaar bij de rechter-commissaris verklaard dat er bedreigingen zijn geuit, maar dit moet beschouwd worden als 'spreektaal'. De verdediging heeft gesteld dat de bedoelde uitlatingen louter betiteld kunnen worden als een normaal optreden van een incassobureau, die zeker niet de juridische kwalificatie 'bedreiging' zouden kunnen krijgen.

Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat de omstanders in het restaurant niets gemerkt hebben van de gestelde afpersing. Het belastend materiaal bestaat daarom alleen uit de aangiften van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]. De verdediging acht de verklaringen van de aangevers onbetrouwbaar, omdat die verklaringen op onderdelen identiek aan elkaar zijn.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting - voor zover relevant voor de beoordeling van het ten laste gelegde - het volgende vast.

Verdachte is op 28 juni 2010 op verzoek van de medeverdachte met hem naar het AC restaurant te Meerkerk gegaan. Daar troffen zij de aangevers [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]. De medeverdachte wilde de beide aangevers spreken omdat zij hem nog geld verschuldigd waren. Verdachte heeft aangever [benadeelde partij 1] vervolgens meegenomen in zijn auto om in Hoofddorp geld te halen.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde dreigementen heeft geuit, dan wel dat hij de in de tenlastelegging vermelde handelingen zelf heeft verricht. Hooguit is komen vast te staan dat verdachte aangever [benadeelde partij 1] in zijn auto heeft meegenomen naar Hoofddorp. Daarnaast heeft aangever [benadeelde partij 1] verklaard dat verdachte hem, onderweg in de auto, vertelde dat hij (verdachte) geweld niet schuwt en vaker geld ophaalt en dat deze deal hem € 500,- oplevert, hetgeen verdachte ontkent. Wat er ook zij van deze ontkenning, deze omstandigheden zeggen niets over de handelingen die, al dan niet door verdachte, in het AC restaurant zijn verricht en tot welke handelingen de tenlastelegging zich beperkt: enkel hetgeen in het AC restaurant zou zijn gebeurd, is ten laste gelegd, niet ook hetgeen nadien - op weg naar en in Hoofddorp - zou zijn gebeurd.

Weliswaar heeft aangever [benadeelde partij 2] verklaard dat verdachte in het AC restaurant bedreigingen heeft geuit (proces-verbaal van aangifte [benadeelde partij 2] d.d. 4 augustus 2010), maar deze verklaring vindt geen steun in andere bewijsmiddelen en is daarom onvoldoende voor het aannemen van uitgevoerde dreigementen door verdachte, zoals in de tenlastelegging is vermeld.

De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag gesteld of verdachte als medepleger kan worden aangemerkt van de door een ander verrichte handelingen en/of gedane bedreigende uitlatingen.

Voor een bewezenverklaring van medeplegen is niet vereist dat alle medeplegers de uitvoeringshandelingen mede hebben verricht. In dat geval moet echter wel komen vast te staan dat verdachte met opzet, met die ander heeft samengewerkt tot de ten laste gelegde handelingen. De rechtbank is van oordeel dat het bewijs ontbreekt dat verdachte met opzet die samenwerking is aangegaan.

Uit het dossier blijk dat verdachte samen met medeverdachte naar Meerkerk is gegaan om geld terug te vorderen van aangevers [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]. Tot zover is verdachte met medeverdachte een duidelijke samenwerking aangegaan. Echter, onvoldoende wordt duidelijk dat verdachte op de hoogte was van de op handen zijnde dreigementen van medeverdachte, deze manier van handelen omarmde of enigszins accepteerde. Ten aanzien van het onderdeel 'dreigen' valt dus geen nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte vast te stellen.

De rechtbank acht daarom niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en zal hem dan ook van dit feit vrijspreken.

5 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een schadevergoeding van in totaal € 826,- ter zake van een gebroken ruit en de kosten die zijn gemaakt voor het vervoer naar het politiebureau in Gorinchem.

Het feit van waaruit de schade is ontstaan is niet aan verdachte ten laste gelegd. Er is dus geen sprake van rechtstreekse schade door een bewezen verklaard feit.

De rechtbank zal reeds om die reden de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, met veroordeling van haar in de kosten.

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert een schadevergoeding van in totaal € 2.225,- ter zake van bedrijfsschade en diefstal van een computer, een usb stick, software en een lederen tas.

Het feit van waaruit voornoemde schade is ontstaan is niet aan de verdachte ten laste gelegd. Er is dus geen sprake van rechtstreekse schade door een bewezen verklaard feit.

De rechtbank zal reeds om die reden de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, met veroordeling van haar in de kosten.

6 De beslissing

De rechtbank verklaart niet bewezen wat aan verdachte ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

- veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter, mr. G.A.J.M. van Vugt en mr. G.J. Schiffers-Hanssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.J.J.S. Visser, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 november 2010.

Mr. Van Vugt voornoemd is wegens afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 28 juni 2010 te Meerkerk, gemeente Zederik, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, ter uitvoering

van het door verdachte en/of zijn/hun mededader(s) voorgenomen misdrijf om met

het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en/of bedreiging met geweld, door [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2]

meermalen, althans eenmaal, de woorden toe te voegen "Er moet nu betaald

worden, hoe kan me niet schelen, goud, zilver of de auto van je vrouw," en/of

"Ik sla je/jullie in elkaar," althans woorden van gelijke (dreigende) aard

en/of strekking en (daarbij) een gevechtshouding aan te nemen en/of te dreigen

(met) een beker hete koffie in het gezicht van die [benadeelde partij 1] te gooien

en/of te slaan/uit te halen met een met een bloemvaas, te dwingen tot de

afgifte van geld (10.000 Euro) en/of een personenauto (Opel Corsa), in elk

geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of

[benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededaders(s), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

Parketnummer: 11/860377-10

Vonnis d.d. 23 november 2010