Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BO4781

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
11/860388-10 [PROMIS]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft al enige tijd geld tegoed van beide slachtoffers. Hij probeert hen tot een spoedigere betaling te bewegen door te hen te bedreigen met geweld. Die poging mislukt omdat de politie wordt verwittigd. De rechtbank verwerpt het gevoerde bewijsverweer en veroordeelt verdachte tot een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Degene die verdachte vergezelde (medeverdachte), wordt vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/860388-10 [Promis]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 november 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] in [1959],

wonende te [adres en woonplaats],

hierna: verdachte.

Raadsman mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 9 november 2010, waarbij de officier van justitie mr. C.J. Booij, de verdachte en zijn raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van de vorderingen van de benadeelde partijen.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

op 28 juni 2010 te Meerkerk samen met een of meer anderen heeft geprobeerd met geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] te dwingen geld en een personenauto af te geven.

Feit 2:

op 28 juni 2010 te Meerkerk samen met een of meer anderen een schrijfmap, een pen, een computertas, een laptop en een USB-stick heeft gestolen.

3 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1:

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen en baseert zijn standpunt op de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte d.d. 28 juni 2010 van [benadeelde partij 1] (hierna: aangever [benadeelde partij 1]) (1.2);

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 juni 2010 met betrekking tot het aantreffen van [medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) in een auto (1.3);

- het proces-verbaal van verhoor d.d. 6 augustus 2010 van getuige [getuige 1] (1.14);

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 augustus 2010 met betrekking tot het verhoor van getuige [getuige 2] (1.17);

- het proces-verbaal van aangifte d.d. 29 juni 2010 van [benadeelde partij 2] (hierna: aangever [benadeelde partij 2]) (2.2);

- het proces-verbaal van verhoor d.d. 2 augustus 2010 van de medeverdachte (1.V1.2);

- het proces-verbaal van verhoor d.d. 2 augustus 2010 van verdachte (1.V2.1);

- het proces-verbaal van verhoor d.d. 3 augustus 2010 van verdachte (1.V2.2);

- het proces-verbaal van verhoor naar aanleiding van de toetsing inverzekeringstelling en vordering tot inbewaringstelling d.d. 5 augustus 2010 van verdachte;

- het proces-verbaal van verhoor naar aanleiding van de toetsing inverzekeringstelling en vordering tot inbewaringstelling d.d. 30 juli 2010 van de medeverdachte;

- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting;

- de verklaring van de medeverdachte, afgelegd als getuige ter terechtzitting.

Feit 2:

De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen en baseert zijn standpunt op de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte d.d. 28 juni 2010 van aangever [benadeelde partij 1] (1.2);

- het proces-verbaal van aangifte d.d. 29 juni 2010 van aangever [benadeelde partij 2] (2.2);

- het proces-verbaal van verhoor d.d. 3 augustus 2010 van verdachte (1.V2.2);

- het proces-verbaal aanvullend verhoor d.d. 10 augustus 2010 van aangever [benadeelde partij 1] (1.15).

4.2 Het standpunt van de verdediging

Feit 1:

De verdediging heeft bepleit dat de rechtbank niet anders dan tot een vrijspraak kan komen, omdat de raadkamer al had geoordeeld dat de ernstige bezwaren ontbraken en de officier van justitie sindsdien geen betekenisvol belastend materiaal aan het dossier heeft toegevoegd.

Voorts heeft de verdediging vrijspraak bepleit, omdat zij van oordeel is dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit kan komen.

De verdediging heeft aangevoerd dat er geen sprake is geweest van bedreiging met geweld. Hoewel de verdachte niet ontkent iets te hebben gezegd in de trant van: "Er moet nu betaald worden, hoe kan me niet schelen, goud, zilver, of de auto van je vrouw", levert deze uitlating, volgens de verdediging, geen bedreiging in juridische zin op. Daarbij komt dat verdachte ontkent te hebben gezegd: "Ik sla je in elkaar". Ook de in het restaurant aanwezige omstanders (getuige [getuige 1], de medeverdachte, getuige [getuige 2] en een AC-medewerker) hebben verklaard niets te hebben gemerkt van dit soort dreigementen. Tevens hebben zij de overige ten laste gelegde dreigementen: het aannemen van een gevechtshouding, het dreigen met hete koffie en een bloemenvaas, niet waargenomen.

Daar tegenover staan de verklaringen van de aangevers [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]. De verdediging is echter van opvatting dat deze verklaringen als onbetrouwbaar moeten worden betiteld. De verklaringen lijken namelijk op elkaar afgestemd, nu ze op het van belang zijnde onderdeel tot op de letter identiek zijn.

Bovendien heeft getuige [getuige 2] nog laten weten dat, naar zijn mening, aangever [benadeelde partij 1] de politie voor zijn karretje spant. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat aangever [benadeelde partij 1] zich kennelijk gedwongen zag valse aangifte te doen van afpersing, nu hij bij zijn relatie de afpersing als dringende reden nodig had voor het verkrijgen van het geldbedrag.

De verdediging heeft voorts betoogd dat, los van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangevers, er voor ieder relevant onderdeel uit deze verklaringen extern steunbewijs zou moeten zijn. Echter, dat bewijs is er slechts ten aanzien ven de eerste genoemde verbale uiting in de tenlastelegging en louter deze is onvoldoende voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde afpersing.

Feit 2:

De verdediging heeft bepleit dat verdachte van de ten laste gelegde diefstal van de laptop moet worden vrijgesproken.

Zij heeft betoogd dat ook in dit geval de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Het bewijs voor de diefstal steunt namelijk slechts op de verklaringen van aangevers [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]. De verdediging acht deze verklaringen onbetrouwbaar. Daarom kunnen deze niet als bewijs meewerken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Alvorens over te gaan tot bespreking van de bewijsmiddelen, wil de rechtbank wijzen op het feit dat het, door de verdediging aangehaalde, oordeel van de raadkamer slecht een voorlopig oordeel inhoudt, dat niet zonder meer door rechtbank behoeft te worden gevolgd. De enkele omstandigheid dat de raadkamer geen of onvoldoende ernstige bezwaren aanwezig acht, zal niet een vrijspraak na inhoudelijke behandeling bij de rechtbank behoeven in te houden.

Feit 1

Op grond van de inhoud van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden, die de rechtbank samengevat en zakelijk zal weergeven.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 28 juni 2010 samen met zijn medeverdachte naar het AC restaurant in Meerkerk is gegaan. Zij troffen daar aangevers [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]. Verdachte was naar het AC restaurant gegaan, omdat hij nog geld tegoed had van aangevers en zij hun afspraken niet nakwamen.

Verdachte heeft bij [benadeelde partij 2] de druk opgevoerd om het geld terug te betalen. Verdachte had 10.000 euro tegoed, zo heeft [benadeelde partij 2] verklaard. [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat verdachte en de medeverdachte op hen af kwamen lopen. Dit wordt door [benadeelde partij 2] bevestigd. De medeverdachte heeft verklaard dat er een grimmige sfeer hing. Het leek erop of ze wilden gaan vechten. Er was sprake van verbale consternatie en het was luidruchtig, zegt getuige [getuige 1] bij de politie.

[benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben verklaard dat de door verdachte geuite dreigementen bestonden uit het volgende: "Er moet nu betaald worden, hoe kan me niet schelen, goud, zilver of de auto van je vrouw". Volgens [benadeelde partij 1] doelde verdachte op de Opel Corsa van zijn vrouw.

Tevens ging verdachte in de gevechtshouding staan en zag het er uit alsof verdachte wilde gaan vechten. Verdachte schreeuwde hierop zeker drie keer: "Ik sla je in elkaar". Hierbij dreigde verdachte met een beker hete koffie in [benadeelde partij 1] zijn gezicht te gooien. Daarna had verdachte een bloemvaas in zijn hand en wilde hiermee uithalen. Dit wordt bevestigd door [benadeelde partij 2].

Later is aangever [benadeelde partij 1], in opdracht van verdachte, met de medeverdachte, met de auto, naar een zakenrelatie van aangever in Hoofddorp gereden om het geld voor verdachte te halen. De daar aanwezige getuige [getuige 3] heeft verklaard dat [benadeelde partij 1] er gestresst uitzag. [getuige 3] zag dat hij rood aangelopen was en dat hij onder druk stond. [benadeelde partij 1] vertelde [getuige 3] toen dat hij werd afgeperst.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit bovengenoemde verklaringen zonder meer dat verdachte, met het doel om zich onrechtmatig te bevoordelen, [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met geweld door tegen hen te roepen: "Er moet nu betaald worden, hoe kan me niet schelen, goud, zilver of de auto van je vrouw" en "Ik sla je in elkaar". Daarbij nam verdachte een gevechtshouding aan.

Daarnaast heeft verdachte gedreigd een beker hete koffie in het gezicht van aangever [benadeelde partij 1] te gooien en dreigde verdachte uit te halen met een bloemvaas. Met deze dreigementen heeft verdachte getracht de aangevers [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] te dwingen tot de afgifte van geld (10.000 Euro) of een personenauto (Opel Corsa).

Net als de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat de uitlating: "Er moet nu betaald worden, hoe kan me niet schelen, goud, zilver of de auto van je vrouw", op zichzelf geen bedreiging met geweld is. Maar, de rechtbank is wel van oordeel dat deze formulering in combinatie met de uitlating "ik sla je in elkaar" en in combinatie met de door verdachte aangenomen dreigende houdingen, leidt tot een bedreiging met geweld strekkende tot afgifte van goederen.

De verdediging heeft niettemin aangegeven dat er evenmin bewijs is voor de bedreiging, omdat verdachte ontkent dat hij heeft gezegd "ik sla je in elkaar" en omstanders ook geen bedreigingen hebben gehoord, dan wel dreigende houdingen hebben waargenomen. In dat licht wijst de rechtbank op het feit dat de medeverdachte heeft verklaard dat een gevecht op handen leek en dat er een grimmige sfeer hing.

Bovendien geeft getuige [getuige 1] aan dat er sprake was van verbale consternatie en dat het er luidruchtig aan toe ging. De verklaringen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] vinden derhalve voldoende ondersteuning door verklaringen van anderen.

De rechtbank ziet, in tegenstelling tot hetgeen de verdediging heeft betoogd, geen redenen om de aangiftes van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] onbetrouwbaar te achten. Dat aangevers hun verklaring eventueel op elkaar hebben afgestemd, is door de verdediging niet nader onderbouwd en is daarom louter speculatief. De verklaringen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] kunnen daarom zonder problemen tot het bewijs meewerken.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden oordeelt de rechtbank dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte, op 28 juni 2010 te Meerkerk, [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2], heeft getracht af te persen.

Feit 2:

Op grond van de inhoud van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden, die de rechtbank samengevat en zakelijk zal weergeven.

Aangever [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat in het AC restaurant verdachte een bruine schrijfmap met daarin een pen van [benadeelde partij 1] heeft gepakt en meegenomen. [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben verklaard dat verdachte hetzelfde heeft gedaan met een zwarte werktas, een laptop van Sony en een USB-stick van [benadeelde partij 2].

Verdachte heeft verklaard dat [benadeelde partij 2] nog bij hem naar zijn laptop en tas heeft gevraagd. Ter compensatie is aan verdachte uiteindelijk € 2000 minder betaald.

Ook ten aanzien van de diefstal bepleit de verdediging dat het bewijs daarvoor louter steunt op de verklaringen van de aangevers en deze verklaringen als onbetrouwbaar kunnen worden bestempeld. De rechtbank verwijst, voor haar oordeel omtrent dit standpunt van de verdediging, naar hetgeen zij over de betrouwbaarheid van deze verklaringen heeft gesteld bij haar overwegingen betreffende feit 1. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] voldoende steun genieten van de verklaring van verdachte dat [benadeelde partij 2] bij verdachte heeft geïnformeerd naar zijn laptop en verdachte berustte in het feit dat aan hem, in verband deze laptop, € 2.000 minder werd betaald. De rechtbank is namelijk van oordeel dat in het geval [benadeelde partij 2] onwaarheden over de diefstal zou hebben verkondigd, het niet aannemelijk is dat [benadeelde partij 2] zelf nog eens bij verdachte om zijn laptop gaat vragen. Deze overtuiging wordt versterkt door het feit dat verdachte genoegen nam met een verrekening van de laptop in het bedrag dat verdachte tegoed had.

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, op 28 juni 2010 te Meerkerk, de in de tenlastelegging vermelde goederen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] heeft gestolen. De verweren van de verdediging dienaangaande worden dan ook verworpen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 28 juni 2010 te Meerkerk, gemeente Zederik, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] te dwingen tot de afgifte van geld (10.000 Euro) of een personenauto (Opel Corsa), toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] de woorden heeft toegevoegd "Er moet nu betaald worden, hoe kan me niet schelen, goud, zilver of de auto van je vrouw," en"Ik sla je in elkaar," en daarbij een gevechtshouding heeft aangenomen en heeft gedreigd een beker hete koffie in het gezicht van die [benadeelde partij 1] te gooien en heeft gedreigd uit te halen met een bloemenvaas, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 28 juni 2010 te Meerkerk, gemeente Zederik, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bruine schrijfmap en een pen en een zwarte tas en een laptop (merk: Sony) en een gegevensdrager (te weten: een USB-stick),

toebehorende aan [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2];

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

1. POGING TOT AFPERSING;

2. DIEFSTAL.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van het voorarrest.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen in verband met de inhoud van een eventuele strafoplegging.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen

Verdachte had enige tijd geleden een som geld uitgeleend. Toen de terugbetaling te wensen overliet, heeft hij in een wegrestaurant in Meerkerk door bedreiging met geweld geprobeerd de betrokken personen geld of een auto afhandig te maken. Dit is bij een poging gebleven, omdat de betrokkenen niets afgaven en de politie waarschuwden. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een laptop en een aantal andere voorwerpen.

Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan ernstige misdrijven die gevoelens van onveiligheid veroorzaken in de samenleving in het algemeen, en bij de direct betrokkenen in het bijzonder.

In de regel neemt de rechtbank voor dit soort feiten onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen als uitgangspunt. Voor diefstal komt dit neer op een gevangenisstraf van drie tot twaalf weken. Voor wat betreft de afpersing is aansluiting gezocht bij de gebruikelijke strafopleggingen in het geval van 'straatroof'. Bij straatroof wordt, afhankelijk van de ernst van de omstandigheden, door deze rechtbank, als uitgangspunt gehanteerd een gevangenisstraf van tussen de zes en acht maanden.

Niettemin moet in aanmerking worden genomen dat de afpersing bij een poging is gebleven. Bovendien houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte louter heeft gedreigd met geweld en niet daadwerkelijk tot gewelddadigheden is overgegaan. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat de geuite dreigementen niet zodanig ernstig van aard waren dat bovengenoemde uitgangspunten voor de strafoplegging strikt gevolgd moeten worden. Daarentegen laat de rechtbank, ten nadele van de verdachte, nog wel meewegen dat verdachte eerder door de strafrechter is veroordeeld.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat voor het bewezenverklaarde kan worden volstaan met een werkstraf van honderdtachtig uren, te vervangen door negentig dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, proeftijd twee jaar.

Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

8 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een schadevergoeding van in totaal € 826,- ter zake van een gebroken ruit en de kosten die benadeelde heeft gemaakt voor het vervoer naar het politiebureau in Gorinchem.

De rechtbank is, overeenkomstig de zienswijze van de officier van justitie en raadsman, van oordeel dat niet is gebleken dat de ruitschade door de ten laste gelegde feiten is toegebracht. Daarnaast zijn de door benadeelde gevorderde vervoerskosten niet nader onderbouwd. De vordering is daarom niet eenvoudig van aard en leent zich niet voor behandeling in dit strafgeding.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, met veroordeling in de kosten. Zij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert een schadevergoeding van in totaal € 2.225,- ter zake van bedrijfsschade en diefstal van een computer (Sony), een usb stick, software en een lederen tas.

De rechtbank acht, in afwijking van het oordeel van de officier van justitie en overeenkomstig de zienswijze van de raadsman, de vordering niet voldoende onderbouwd en daarom niet zo eenvoudig aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, met veroordeling in de kosten. Zij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9 De wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen berusten op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 310, 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie (3) maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van honderdtachtig (180) uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van negentig (90) dagen;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vorderingen en bepaalt dat die vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter, mr. G.A.J.M. van Vugt en mr. G.J. Schiffers-Hanssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.J.J.S. Visser, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 november 2010.

Mr. Van Vugt voornoemd is wegens afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op of omstreeks 28 juni 2010 te Meerkerk, gemeente Zederik, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een

ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

door [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] meermalen, althans eenmaal, de

woorden toe te voegen "Er moet nu betaald worden, hoe kan me niet schelen,

goud, zilver of de auto van je vrouw," en/of "Ik sla je/jullie in elkaar,"

althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of (daarbij)

een gevechtshouding aan te nemen en/of te dreigen (met) een beker hete koffie

in het gezicht van die [benadeelde partij 1] te gooien en/of te dreigen te slaan/ uit

te halen met een bloemenvaas, te dwingen tot de afgifte van geld (10.000 Euro

en/of een personenauto (Opel Corsa), in elk geval van enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn/hun mededader(s) terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 28 juni 2010 te Meerkerk, gemeente Zederik, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (bruine) schrijfmap en/of

een pen en/of een (zwarte) (computer)tas en/of een (witte) laptop (merk: Sony)

en/of een gegevensdrager (te weten: een USB-stick), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn/hun

mededader(s);

Parketnummer: 11/860388-10

Vonnis d.d. 23 november 2010