Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BO4697

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
11-06-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
AWB 09/227
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat verweerder voor zijn weigering tot openbaarmaking ten aanzien van alle 130 subsidieaanvragen en daarop betrekking hebbende stukken één gemeenschappelijke motivering heeft gehanteerd. Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van deze stukken, is de rechtbank van oordeel dat verweerder daarmee niet heeft kunnen volstaan. Gezien de verscheidenheid in aard en inhoud van de ingediende projectvoorstellen en daarbij overgelegde (bedrijfs)informatie, alsmede de uiteenlopende - al dan niet bedrijfsmatige - achtergronden van de subsidieaanvragers en gronden waarop de aanvragen blijkens de beschikkingen zijn afgewezen, had verweerder per aanvraagdossier moeten bezien of de daarin opgenomen stukken (concurrentiegevoelige) bedrijfsgegevens bevatten als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob en of openbaarmaking van deze stukken een onevenredige benadeling van de desbetreffende subsidieaanvrager (en eventueel van verweerder zelf) zou betekenen, zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummer: AWB 09/227

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[naam stichting], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,

tegen

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr. G.H. van den Borne en mr. R. Geraedts, beiden werkzaam bij het ministerie van Buitenlandse Zaken.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 20 oktober 2008 heeft verweerder afwijzend beslist op een verzoek van eiseres om inzage in, en (eventueel) kopieën van, alle subsidieaanvragen en daarop genomen beschikkingen in het kader van de twee beoordelingsrondes van het Europafonds 2007.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 26 november 2008 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 13 februari 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 18 februari 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

Op 13 mei 2009 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding gebracht. Met betrekking tot de stukken waarop het verzoek in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) ziet, heeft verweerder verzocht om geheimhouding op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Bij beslissing als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb, verzonden op 30 juni 2009, heeft de rechtbank bepaald dat de beperking van kennisneming is gerechtvaardigd.

Bij brief van 8 juli 2009 heeft eiseres de rechtbank toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb gegeven om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte stukken.

De zaak is op 8 maart 2010 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld. Eiseres is ter zitting vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger], voorzitter van eiseres. Namens verweerder zijn verschenen zijn gemachtigden, bijgestaan door mr. H. van Poeteren, eveneens werkzaam bij het ministerie van Buitenlandse Zaken.

2. Overwegingen

2.1.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wob verstrekt een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet en gaat daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid van informatie.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wob, zoals dit luidde ten tijde van belang, beslist het bestuursorgaan op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee weken na de dag waarop het verzoek is ontvangen. Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste twee weken verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de verzoeker.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder g, van dit artikel blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2.1.2. Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, zoals dat luidde ten tijde van belang, beslist het bestuurorgaan binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld - binnen tien weken na ontvangst van het bezwaarschrift.

2.2. Verweerder heeft het verzoek van eiseres, voor zover dit betrekking heeft op de subsidieaanvragen (130 in aantal), primair op de voet van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob afgewezen, omdat de in de subsidieaanvragen vervatte informatie aangaande de subsidieaanvrager en het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd volgens hem concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens bevat die een vertrouwelijk karakter hebben. Subsidiair heeft verweerder dit verzoek afgewezen op de voet van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, omdat het publiek belang bij openbaarmaking van deze informatie volgens verweerder niet opweegt tegen de nadelige gevolgen die deze openbaarmaking zal hebben voor de subsidieaanvragers en voor hemzelf. De subsidieaanvragers zullen worden benadeeld in hun concurrentiepositie en hijzelf zal geconfronteerd worden met minder subsidieaanvragen waardoor verwezenlijking van het beleidsdoel van het Europafonds moeilijker zal worden, aldus verweerder. Dit laatste volgens verweerder omdat de bereidheid onder mogelijke subsidieaanvragers om een aanvraag in te dienen zal verminderen, indien bekend is dat concurrentiegevoelige informatie daardoor openbaar wordt. Voor zover het de beschikkingen (alsmede de subsidieaanvragen) betreft, heeft verweerder het verzoek van eiseres (ook) afgewezen op de voet van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, omdat het publiek belang bij openbaarmaking daarvan naar de mening van verweerder niet opweegt tegen het belang bij het voorkomen van reputatieschade voor de betrokken subsidieaanvragers. Doordat de gehonoreerde projectvoorstellen, de indieners daarvan en de subsidiebedragen wel bekend zijn gemaakt, zou bekendmaking van alle aanvragen en daarop genomen beschikkingen duidelijk maken welke aanvragers zijn afgewezen, aldus verweerder. Het anonimiseren van de aanvragen en beschikkingen maakt dit volgens verweerder niet anders vanwege het kleine aantal organisaties dat zich bezighoudt met projecten over voorlichting en meningsvorming over de Europese Unie. Uit het projectvoorstel kan, naar verweerder stelt, derhalve zonder noemenswaardige problemen de naam van de desbetreffende subsidieaanvrager afgeleid worden. Hierbij heeft verweerder er op gewezen dat in de beschikkingen een gemotiveerd oordeel wordt gegeven over de kwaliteit van de organisaties en de ingediende projectvoorstellen, waarbij sterke en zwakke punten worden geëxpliciteerd. Openbaarmaking van de beschikkingen zou het imago van de verschillende organisaties naar de mening van verweerder dan ook onevenredig schaden. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van het verzoek gehandhaafd.

2.3. Eiseres heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat de afhandeling van achtereenvolgens haar verzoek en haar bezwaar onzorgvuldig is geweest, nu de besluitvorming daarop niet binnen de daarvoor gestelde termijnen heeft plaatsgevonden. Volgens eiseres is haar verzoek voorts onterecht (geheel) afgewezen. Daartoe heeft eiseres naar voren gebracht dat haar verzoek er op is gericht inzicht te verkrijgen in de wijze waarop de ingediende projectvoorstellen aan de subsidieregels zijn getoetst en welke afwegingen en gronden voorts hebben geleid tot toekenning dan wel afwijzing van de aangevraagde subsidie. Het gaat haar daarbij niet om de bedrijfsgegevens van de subsidieaanvrager of het eventuele oordeel van verweerder over het bedrijf van de aanvrager, maar om de informatie aangaande de projecten waarvoor subsidie is aangevraagd en de beoordeling van de projectvoorstellen door verweerder, aldus eiseres. Naar de mening van eiseres merkt verweerder de ingediende projectvoorstellen en afgegeven beschikkingen ten onrechte in het algemeen en in het geheel aan als bedrijfsgevoelige informatie. Dergelijke informatie is volgens eiseres slechts beperkt aanwezig in de desbetreffende stukken en is daaruit eenvoudig weg te filteren alvorens tot openbaarmaking van die stukken wordt overgegaan.

2.4. De rechtbank overweegt als volgt.

2.4.1. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) onder meer heeft overwogen in haar uitspraak van 25 juli 2007 in zaak no. 200607476/1 (LJN: BB0389) betekent overschrijding van de in artikel 7:10 van de Awb gestelde beslistermijn, anders dan eiseres kennelijk heeft beoogd te stellen, niet dat een besluit reeds op die grond voor vernietiging in aanmerking komt. Er valt immers geen wettelijk voorschrift aan te wijzen dat bepaalt dat een na het verstrijken van die termijn alsnog genomen besluit niet in stand kan blijven. Ditzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor de door eiseres naar voren gebrachte overschrijding van de in artikel 6, eerste lid, van de Wob gestelde beslistermijn. Evenmin bestaat er grond voor het oordeel dat eiseres door deze gang van zaken zodanig in haar belangen is geschaad, dat het bestreden besluit om die reden wegens strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel enig rechtsbeginsel niet in stand kan blijven. Overigens merkt de rechtbank op dat eiseres op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, had kunnen opkomen tegen het uitblijven van een beslissing op haar verzoek en haar bezwaar. Van die mogelijkheid heeft zij geen gebruik gemaakt.

2.4.2. De rechtbank stelt vast dat verweerder voor zijn weigering tot openbaarmaking ten aanzien van alle 130 subsidieaanvragen en daarop betrekking hebbende stukken één gemeenschappelijke motivering heeft gehanteerd. Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van deze stukken, is de rechtbank van oordeel dat verweerder daarmee niet heeft kunnen volstaan. Gezien de verscheidenheid in aard en inhoud van de ingediende projectvoorstellen en daarbij overgelegde (bedrijfs)informatie, alsmede de uiteenlopende - al dan niet bedrijfsmatige - achtergronden van de subsidieaanvragers en gronden waarop de aanvragen blijkens de beschikkingen zijn afgewezen, had verweerder per aanvraagdossier moeten bezien of de daarin opgenomen stukken (concurrentiegevoelige) bedrijfsgegevens bevatten als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob en of openbaarmaking van deze stukken een onevenredige benadeling van de desbetreffende subsidieaanvrager (en eventueel van verweerder zelf) zou betekenen, zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. Hierbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob naar zijn aard restrictief dient te worden uitgelegd en dat van bedrijfs- en fabricagegegevens in de zin van dit artikel slechts sprake is, indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 april 2008 in zaak no. 200704972/1, LJN: BD0771). Voorts wijst de rechtbank er op dat er, gelet op de aard van het belang als beschermd door de in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob opgenomen uitzonderingsgrond, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling niet aan kan worden ontkomen om per document de vraag te beantwoorden of aan dat belang een zodanig gewicht toekomt dat openbaarmaking van de gevraagde gegevens achterwege mag blijven (zie onder meer de uitspraak van 28 april 2004 in zaak no. 200304412/1, LJN: AO8477).

Gezien het vorenoverwogene berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. Dat, zoals verweerder ter zitting heeft opgemerkt, de toenmalige staatssecretaris van Europese Zaken ook in de Tweede Kamer heeft aangegeven dat reputatieschade dient te worden voorkomen en dat hij de vertrouwelijkheid voor de aanvragers wil garanderen, kan het uitgangspunt van de Wob - openbaarheid is regel - en de motiveringsplicht van verweerder niet terzijde schuiven en leidt de rechtbank dan ook niet tot een ander oordeel. Ook de door verweerder ter zitting overgelegde uitspraak van de rechtbank Arnhem van

23 juni 2009 (AWB 08/4663, JB 2009, 190), waarin - zoals verweerder het formuleert - de geheimhouding van subsidieaanvragen is geaccepteerd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De in die uitspraak aan de orde zijnde subsidieaanvragen zien op wetenschappelijk onderzoek en zijn naar aard en inhoud derhalve dusdanig verschillend van de onderhavige subsidieaanvragen, dat niet van vergelijkbare zaken kan worden gesproken.

2.5. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit van 13 februari 2009 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

2.6. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, nu niet is gebleken dat eiseres kosten heeft gemaakt die voor vergoeding op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb in aanmerking komen. Wel is er aanleiding te bepalen dat het door eiseres betaalde griffierecht wordt vergoed.

2.7. Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Dordrecht:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.G.L. de Vette, voorzitter, en mrs. P. Putters en A. Hello, leden, en door de voorzitter en mr. M.J.F.J. van Beek, griffier, ondertekend.