Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BO4663

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
22-11-2010
Zaaknummer
AWB 10/1187 + 10/1188
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Wegenverkeerswet 1994. Opleggen van Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG).

Vermoeden dat houder van rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid vereist voor het besturen van een motorrijtuig.

Achtervolging door politievoertuig waarbij bestuurder van de motorscooter heeft gehandeld in strijd met essentiële verkeersregels en verkeerstekens. De motorscooter behoort toe aan verzoeker en staat op diens naam.

Verklaring van politieagent op ambtseed dat hij verzoeker als bestuurder van de motorscooter heeft herkend versus betoog van verzoeker dat hij niet de bestuurder maar de passagier van deze motorscooter was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector Bestuursrecht

procedurenummers: AWB 10/1187 (verzoek om voorlopige voorziening)

AWB 10/1188 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter

inzake

[naam verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker, advocaat te Dordrecht,

tegen

stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerster,

gemachtigde: mr. S.J.M. van der Ark, werkzaam bij Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR).

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 20 juli 2010 heeft verweerster verzoeker een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (hierna: EMG) opgelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 27 augustus 2010 bezwaar gemaakt bij verweerster.

Bij besluit van 11 oktober 2010 heeft verweerster het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard (hierna: het bestreden besluit).

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 28 oktober 2010, ingekomen op 29 oktober 2010, beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht.

Bij brief van eveneens 28 oktober 2010 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht verzocht, voor zover van belang, om een voorlopige voorziening te treffen hangende zijn beroep tegen het bestreden besluit van 11 oktober 2010.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 9 november 2010 ter zitting behandeld, tezamen met het verzoek om voorlopige voorziening met procedurenummer AWB 10/1203.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door een kantoorgenoot van zijn gemachtigde,

mr. A.J.J. Fraanje. Tevens heeft verzoeker een getuige meegebracht, [naam getuige].

Verweerster is verschenen bij gemachtigde.

De voorzieningenrechter heeft ter zitting het onderzoek in beide voorlopige voorzieningen geschorst, teneinde verzoeker in de gelegenheid te stellen te reageren op de ter zitting door verweerster overgelegde, niet geanonimiseerde processen-verbaal.

Bij brief van 12 november 2010 heeft verzoeker hierop gereageerd.

Gelet op de eerder daarvoor gegeven toestemming door partijen, heeft de voorzieningenrechter het onderzoek in de zaken op 15 november 2010 gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Indien een verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan hangende beroep bij de rechtbank en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan de voorzieningenrechter op de voet van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.1.2. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer over de rijvaardigheid, dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven beschikt, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen.

Ingevolge artikel 131, vierde lid,van de WVW legt het CBR, indien een schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen betrokkene overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op zich binnen een daarbij vastgestelde termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.

2.1.3. Ingevolge artikel 10b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de Regeling) besluit het CBR tot oplegging van een EMG indien betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III "Rijgedrag".

In bijlage 1, onder A, onderdeel III "Rijgedrag", bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid worden als feiten dan wel omstandigheden die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid, dan wel, met uitzondering van de categorie AM, over de vereiste lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven aangemerkt:

(...)

2. Gebrek aan inzicht in risico's in het verkeer, zoals: a. onvoldoende anticiperen op het gedrag van andere weggebruikers; (...)

(...)

4. Duidelijk een gedrag tentoonspreiden dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens terzake van: a. de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden; (...).

2.2. Het bestreden besluit

Aan het bestreden besluit waarbij het besluit van 20 juli 2010 is gehandhaafd, heeft verweerster ten grondslag gelegd dat aan verzoeker op goede gronden een EMG is opgelegd. Verweerster is van opvatting dat aannemelijk is geworden dat verzoeker als bestuurder van de motorscooter is opgetreden, die op [datum 1 met tijdstip 1] een stopbevel van de politie heeft genegeerd en bij de daarop volgende achtervolging heeft gehandeld in strijd met essentiële verkeersregels en verkeerstekens.

2.3. Standpunt verzoeker

Verzoeker kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij voert hiertoe aan dat verweerster zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij de bestuurder van de motorscooter was.

Verzoeker betoogt dat hij de passagier was die tijdens het desbetreffende incident achterop zat. De bestuurder van de motorscooter was volgens verzoeker een vage kennis, die hij eerder die avond had ontmoet en van wie hij slechts weet dat de voornaam [naam] is. Verzoeker wijst erop dat zijn relaas wordt bevestigd in de door hem overgelegde verklaring van [naam] en verder in de verklaring onder ede ter zitting van getuige [naam getuige]. Verzoeker voert verder aan dat hij geen enkele reden had om het stopbevel van de politie te negeren, in tegenstelling tot [naam], die volgens verzoeker achteraf niet over een rijbewijs bleek te beschikken.

Verzoeker betoogt verder in zijn brief van 12 november 2010 dat de herkenning van hem als bestuurder van de motorscooter door hoofdagent Bakker onvoldoende gefundeerd is. Verzoeker acht in dat verband opmerkelijk dat alleen hoofdagent Bakker, die bijrijder van het politievoertuig was, stelt hem te hebben herkend, terwijl agent Plaisier, die bestuurder van het politievoertuig was, niets daarover heeft verklaard. Verzoeker acht het tevens opmerkelijk dat hoofdagent Bakker het gezicht van de bestuurder van de motorscooter wel en dat van de passagier niet heeft waargenomen. Ten slotte acht verzoeker het onzorgvuldig dat geen signalementen van de bestuurder of de passagier van de motorscooter in het proces-verbaal zijn opgenomen, althans dat onduidelijk is op welke wijze de gegeven signalementen tot stand zijn gekomen. Verzoeker is ten slotte van opvatting dat hoofdagent Bakker, die stelt hem als bestuurder van de motorscooter te hebben herkend, hem niet had mogen verhoren als verdachte van het besturen van de motorscooter, nu deze hoofdagent reeds de overtuiging had dat verzoeker de bestuurder was. De door verzoeker afgelegde verklaring mocht om die reden niet aan het bestreden besluit ten grondslag worden gelegd.

2.4. Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.4.1. Verzoeker volgt een opleiding, die bij het ontbreken van vervoer per motorscooter in het gedrang komt. Gelet hierop, acht de voorzieningenrechter een spoedeisend belang bij het verzoek aanwezig dat een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit rechtvaardigt.

2.4.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het in deze procedure niet gaat om een strafrechtelijke procedure, waarin ter beoordeling staat of wettig en overtuigend is bewezen dat verzoeker als bestuurder van de motorscooter de in geding zijnde gedragingen heeft verricht. Het gaat in deze procedure om een daarvan los staande bestuursrechtelijke maatregel die is gericht op de bevordering van de verkeersveiligheid, waarvoor juist vanwege dat doel andere bewijsregels gelden. Voldoende basis voor het opleggen van zo'n maatregel is dat sprake is van feiten en omstandigheden die een vermoeden rechtvaardigen dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven. Een door een politieagent op ambtsbelofte of ambtseed opgemaakt proces-verbaal vormt in het algemeen voldoende grondslag voor dat vermoeden. De voorzieningenrechter ziet bevestiging voor dit oordeel in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 12 maart 2008, LJN BC6411, en 13 januari 2010, LJN BK9005.

2.4.3. Zoals uit het proces-verbaal van [datum 2] volgt en door verzoeker niet wordt betwist hebben op [datum 1 met tijdstip 1], twee agenten van de Regiopolitie [regio] op de rotonde ter hoogte van [adres] te [plaats] getracht twee motorscooters te doen stoppen. Een van de motorscooters keerde direct om bij het zien van het politievoertuig en reed weg, de andere motorscooter minderde vaart. Op deze laatste motorscooter zat naast de bestuurder achterop een passagier. De agenten hebben getracht deze motorscooter de doorgang te verhinderen door hem op de rotonde tegemoet te rijden in diens rijrichting. In reactie daarop remde de bestuurder van de motorscooter hevig, stuurde dan naar rechts en reed voorlangs langs het politievoertuig weg. Daarop volgde een achtervolging van deze motorscooter door het politievoertuig. Niet in geschil is dat de bestuurder van de motorscooter tijdens deze achtervolging risicovol rijgedrag heeft vertoond en diverse essentiële verkeersregels heeft geschonden als bedoeld in bijlage 1, onder A, onderdeel III, onder 2 en 4. Vaststaat dat het de motorscooter betrof die op naam staat en toebehoort aan verzoeker.

In het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van [datum 2] over het gebeuren verklaart hoofdagent Bakker, die bijrijder van het desbetreffende politievoertuig was, het volgende: "Ik, verbalisant Bakker, zag dat de bestuurder een man betrof, gekleed was in een gewatteerde zwarte jas en een donkerkleurige helm droeg. Ik zag dat de helm van het merk [merk helm] was doordat aan de voorzijde dit logo was geplaatst. Ik herkende dit logo doordat ik zelf een helm van dit merk in bezit heb gehad. Verder zag ik dat het vizier van de helm van helder, transparant kunststof was. Daardoor kon ik het gezicht van de bestuurder duidelijk zien. De afstand tussen mij en de bestuurder bedroeg op dit moment maximaal vijf meter. Bovendien was de rotonde verlicht door middel van kunstlicht. Daardoor had ik goed zicht op de bestuurder." (...) "Op [datum 1 met tijdstip 2] uur verscheen verdachte aan het bureau en werd hij te woord gestaan door collega Buiting, hoofdagent van politie. Verdachte verklaarde dat hij aan het bureau was gekomen omdat men kennelijk naar hem op zoek was. Hij vertelde dat hij in de wijk [naam wijk] achterna was gereden door de politie, maar dat hem onduidelijk was waarom. Ik, verbalisant Bakker, heb verzocht aan collega Buiting om van verdachte enkele foto's te maken indien verdachte hiertegen geen bezwaar had. Verdachte gaf expliciet te kennen hiertegen geen bezwaar te hebben. (...) Ik, verbalisant Bakker, heb kort na de achtervolging op het bureau het landelijke herkenningssysteem HKS geraadpleegd. Ik zag dat in het systeem ten aanzien van de tenaamgestelde van het motorvoertuig antecedentgegevens waren opgenomen. Ik zag verder dat van deze persoon een politiefoto beschikbaar was. Deze foto heb ik uit het landelijk systeem opgevraagd. Ik zag dat de foto overtuigende gelijkenis vertoonde met de manspersoon die ik als bestuurder heb gezien. Aansluitend heb ik op het bureau de gemaakte foto's bekeken toen verdachte zich meldde op het bureau. Ik herkende de persoon op de foto's als zijnde de bestuurder van de motorscooter voornoemd. Bovendien herkende ik de kleding en de veiligheidshelm."

2.4.4. In beginsel moet van de juistheid van hetgeen in een op ambtseed opgemaakt en ondertekend proces-verbaal wordt verklaard, worden uitgegaan, maar betwisting in rechte is niet uitgesloten. Hierbij geldt als maatstaf dat tegenbewijs wordt geleverd dat tot afwijking van dit uitgangspunt noopt, aldus de Afdeling in haar uitspraak van 2 augustus 2010, LJN BN3687.

Uit het hierboven aangehaalde, op ambtseed opgemaakte en ondertekende proces-verbaal volgt dat hoofdagent Bakker met zekerheid verzoeker heeft herkend als de bestuurder van de motorscooter tijdens het in het geding zijnde incident in de nacht van [datum 1]. In hetgeen verzoeker daarover heeft aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen grond om de verklaring van hoofdagent Bakker dat hij verzoeker heeft herkend, inconsistent is en niet ongeloofwaardig te achten. Daarbij kent de voorzieningenrechter doorslaggevende betekenis toe aan het feit dat hoofdagent Bakker op ambtseed heeft verklaard dat hij verzoekers gezicht heeft herkend en diens helm. Verzoeker heeft tot op heden niet betwist dat het om zijn helm gaat. Verder heeft verzoeker tot op heden om hem moverende redenen nagelaten de identiteit van degene die volgens hem de bestuurder van de motorscooter was, kenbaar te maken. De anonieme, schriftelijke verklaring ondertekend met "[naam]" en de getuigenverklaring ter zitting door [naam getuige], een vriend van verzoeker, waarin wordt verklaard dat verzoeker tijdens het in het geding zijnde incident niet de bestuurder van de motorscooter was, acht de voorzieningenrechter in de gegeven omstandigheden onvoldoende geloofwaardig, zodat daaraan niet het door verzoeker gewenste gewicht van tegenbewijs van de onjuistheid van de verklaring van hoofdagent Bakker in het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal kan worden toegekend.

Onder deze omstandigheden mocht verweerster zich op het standpunt stellen dat boven redelijke twijfel is verheven dat verzoeker de bestuurder van de motorscooter was die tijdens de achtervolging op [datum 1] risicovol rijgedrag heeft vertoond en diverse essentiële verkeersregels heeft geschonden als bedoeld in bijlage 1, onder A, onderdeel III, onder 2 en 4. Verweerster heeft daarom terecht besloten dat verzoeker zich aan een EMG dient te onderwerpen.

2.4.5. Nu nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen op het beroep van verzoeker.

De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond.

Gegeven deze beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om voorlopige voorziening moet dan ook worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, en door deze en mr. M. Lammerse, griffier, ondertekend.