Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BO4318

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
72887 / FA RK 07-8998
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BV0511, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De rechtbank handhaaft zijn eerdere beslissing waarin een voorlopige omgangsregeling tussen de man en de minderjarige is bepaald middels begeleiding via het omgangshuis.

De rechtbank legt de vrouw ambtshalve een dwangsom op indien zij haar medewerking aan de voorlopige begeleide omgangsregeling weigert en verwijst de zaak naar de rol in verband met de evaluatie van de voorlpige omgangsregeling.

De rechtbank bepaalt een informatieregeling van 4 keer per jaar schriftelijk en getypt, minimaal 500 woorden, tezamen met 2 foto's.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector civiel recht

zaaknummer: 72887 / FA RK 07-8998

beschikking van de enkelvoudige kamer van 10 november 2010

in de zaak van

[man],

wonende te [adres man],

verzoeker,

advocaat mr. J. van Dijk,

tegen

[vrouw],

wonende te [adres vrouw],

verweerster,

advocaat mr. I.D.C.J. van Driel.

Partijen worden hieronder aangeduid als de man respectievelijk de vrouw.

1. Het procesverloop

Bij beschikking van deze rechtbank van 20 januari 2010 is bepaald dat er een voorlopige omgangsregeling zal zijn tussen de man en de minderjarige [naam kind] in de vorm van begeleide omgangscontacten bij Trivium te Zwolle. De zaak is verwezen naar de schriftelijke rol van 23 juni 2010 teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het verloop van de begeleide omgangscontacten en desgewenst, over de uitkomst van de lopende onderzoeken van [naam kind]. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

De rechtbank heeft nadien kennisgenomen van de volgende processtukken:

- een brief van de man, ingekomen ter griffie op 17 maart 2010;

- een faxbericht van de vrouw, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 3 juni 2010;

- een brief van de man, ingekomen ter griffie op 23 juni 2010;

- een faxbericht van de vrouw, ingekomen ter griffie op 23 juni 2010;

- een brief van Bureau Jeugdzorg Overijssel, ingekomen ter griffie op 8 september 2010;

- een aanvullend verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 30 september 2010;

- een brief van de man, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 5 oktober 2010;

De voortgezette mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzitting met gesloten deuren van 7 oktober 2010.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, die ter zitting een pleitnota heeft overgelegd.

2. Het geschil

Tussen partijen is in geschil de omgangsregeling tussen de man en de voornoemde minderjarige. Er is een voorlopige omgangsregeling bepaald na een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming in Utrecht en conform het advies van de Raad voor de Kinderbescherming.

De vrouw heeft op 30 september 2010 een aanvullend verzoek ingediend en verzocht te bepalen dat de man zich voor psychiatrisch onderzoek moet wenden tot een door de rechtbank aan te wijzen deskundige psychiater teneinde een oordeel te verkrijgen over zijn gezondheidstoestand en daarbij dit geding te schorsen, zodat bij voortzetting daarvan de resultaten van het onderzoek kunnen worden betrokken bij de oordeelsvorming over de door de man verzochte omgangsregeling.

3. Het nadere standpunt en het aanvullend verzoek van de vrouw en het nadere standpunt van de man

Het nadere standpunt van de vrouw en het aanvullend verzoek

De vrouw wil nog steeds meewerken aan een omgangsregeling mits de belangen van de minderjarige niet worden geschaad. De vrouw meent wel dat er nieuw onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming moet plaatsvinden.

De vrouw stelt dat de minderjarige na contact met de man een terugslag krijgt. De in mei 2010 bij de minderjarige geconstateerde PDD-NOS is een nieuw feit waarmee bij het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming geen rekening is gehouden en welk feit van belang is voor de omgangsregeling.

Het rapport van Karakter van 17 mei 2010 waarin de diagnose van de minderjarige is gesteld, is bij brief van 3 juni aan de rechtbank gezonden onder de mededeling dat naar de mening van de vrouw voortzetting van de omgang via het omgangshuis niet in het belang van de minderjarige wordt geacht, zodat hieraan vooralsnog geen medewerking zal worden verleend.

De vrouw wijst op de aan haar verzonden rouwkaart zoals is overgelegd bij de brief van 3 juni 2010. Het kan wel zo zijn dat de man deze niet zelf heeft verzonden, doch de man laat zich op het internet op een zodanige manier uit over de vrouw dat dit zeer wel een aanleiding kan zijn voor iemand binnen zijn netwerk om een dergelijke kaart te versturen.

De vrouw blijft van mening dat het stopzetten van de omgang tussen de man en de minderjarige in diens belang is. Het gaat sindsdien beter met de minderjarige. Voorkomen moet worden dat de minderjarige vanwege de stress die samenhangt met de omgangsregeling weer een keer op school doubleert.

Zodra de minderjarige aangeeft dat hij contact wil hebben met de man, zal de vrouw hieraan haar medewerking geven.

Mocht de rechtbank van mening zijn dat er reeds nu omgang moet plaatsvinden, dan stelt de vrouw voor dit alleen te doen plaatsvinden op het moment dat de minderjarige daarna minmaal 2 weken vrij is van schoolverplichtingen, dat wil zeggen de eerste dag van de kerstvakantie en enig moment in de zomervakantie. Wel is hierbij cruciaal hoe inhoud aan de omgangsregeling wordt gegeven. De man mag bepaalde onderwerpen, zoals de andere kinderen van de man, niet ter sprake brengen. Karakter zou de regels moeten opstellen en bij voorkeur iemand van Karakter zou de plaats van omgang moeten bepalen. De vrouw en haar echtgenoot staan op de wachtlijst voor omgangstherapie.

De vrouw stelt dat de man manisch-depressief is en dat dit gegeven van belang is bij het vaststellen van de omgangsregeling. Zeker in combinatie met de PDD-NOS van de minderjarige. Daarom heeft zij een aanvullend verzoek ingediend.

De vrouw heeft het idee dat zij het in de ogen van de man nooit goed kan doen; zo ook met de informatieplicht. De vrouw heeft wekelijks hele epistels gezonden aan de man en nog was het niet voldoende. De vrouw stelt voor dat de informatieregeling inhoudt dat de vrouw 2 keer per jaar informatie verschaft over de schoolprestaties, gezondheidssituatie en de hobby’s van de minderjarige met een minimum van een alinea per onderwerp.

Het nadere standpunt van de man

De man stelt dat de onderhavige procedure nu drie jaar loopt en dat er van enige omgang tussen de man en de minderjarige tot nu toe niets is terecht gekomen.

De man heeft de rouwkaart niet verzonden. Hij weet niet wie dat wel gedaan heeft.

De man is bereid zich verder te verdiepen in PDD-NOS. De man is hiermee al enigszins bekend nu twee kinderen van zijn huidige vriendin ook PDD-NOS hebben. De man zal zeker rekening houden met de beperkingen van de minderjarige.

De man heeft contact opgenomen met Karakter om de foutieve medische informatie over de man en zijn familie, zoals die door de vrouw was verstrekt en vervolgens in het rapport was opgenomen, te doen corrigeren.

Nu zoals bleek uit het rapport en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, er geen contra-indicaties zijn voor omgang, verzoekt de man een omgangsregeling vast te stellen.

De vrouw werpt iedere keer nieuwe beletselen op, als laatste het in september 2010 ingediende aanvullende verzoek. Dit verzoek is gebaseerd op mogelijke manisch-depressiviteit van de man, die de man ontkent. De in 2003 voorgeschreven medicatie, waarnaar de vrouw verwijst, betrof medicatie tegen angst-aanvallen welke naar later is gebleken, een relatie hadden met een defect aan de galblaas van de man. Dit medische probleem is opgelost. De man verzoekt de rechtbank dan ook dit aanvullende verzoek af te wijzen.

De laatste informatie over de minderjarige die de man heeft verkregen van de vrouw dateert van juli 2008. De man krijgt nu rechtstreeks van de school een kopie van de rapporten. De afgesproken informatieregeling wordt door de vrouw niet nagekomen.

4. De beoordeling

Nieuw onderzoek RvK

Tijdens zijn onderzoek heeft de Raad voor de Kinderbescherming een interactie-observatie uitgevoerd van het contact tussen de man en de minderjarige. De Raad heeft toen vastgesteld dat de minderjarige geen blijk heeft gegeven van weerstand tegen de man en/of omgang met hem, zoals de vrouw had aangegeven.

Wel heeft de door de Raad op verzoek van de vrouw geraadpleegde kinderpsycholoog niet uitgesloten dat kindeigen factoren een rol speelden bij de kwetsbaarheid van de minderjarige in relatie tot de onveiligheid uit het verleden en de scheiding van de man en de vrouw, maar het opstarten van de omgang zou de minderjarige niet teveel belasten.

De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de aanvullende informatie uit het rapport van Karakter het niet noodzakelijk maakt dat een nieuw onderzoek wordt uitgevoerd naar de (on)mogelijkheden van een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige, nu immers in het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming de specifieke eigenschappen van de minderjarige zelf zijn meegenomen.

Psychiatrisch onderzoek van de man

Voor het verzoek van de vrouw om de man psychiatrisch te laten onderzoeken alvorens een oordeel te geven over de omgangsregeling bestaat geen aanleiding, nu op geen enkele wijze is gebleken dat er in de persoon van de man belemmeringen zouden kunnen zijn met betrekking tot de omgang tussen hem en de minderjarige. De door de vrouw overgelegde producties onderbouwen niet de stelling van de vrouw. Dit verzoek zal worden afgewezen.

Voorlopige omgangsregeling

De Raad voor de Kinderbescherming stelt in zijn rapportage van 30 december 2008 dat er geen ernstige bezwaren zijn tegen omgang tussen de man en de minderjarige, maar dat er wel belemmeringen zijn vanwege de verstoorde relatie tussen de ouders. De Raad is van mening dat deze belemmeringen kunnen worden opgeheven. Hierbij dienen ouders te worden bijgestaan door professionele hulp om hun communicatie weer op gang te krijgen. Een voorlopige omgangsregeling via het Omgangshuis biedt de mogelijkheid om het contact tussen de man en de minderjarige te op gang te brengen, maar eveneens om de man en de vrouw te begeleiden in het herstel van de communicatie.

De rechtbank blijft van oordeel dat het in het belang is van de minderjarige dat hij contact zal hebben met de man om zich zo zelf een beeld te kunnen vormen van zijn andere ouder en hem de gelegenheid te bieden met beide ouders loyaal te zijn. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij niet de man maar haar huidige partner ziet als de vader van de minderjarige. Het lijkt er sterk op dat de vrouw zelf grote moeite heeft met de contacten met de man die het gevolg zijn van omgang. Echter, op de vrouw als verzorgende ouder rust de verantwoorde-lijkheid een klimaat te scheppen waarin de minderjarige het gevoel krijgt dat de vrouw hem de ruimte geeft contact te hebben met de man en hier ook van te kunnen genieten. Als de vrouw daar voor zichzelf (en daarmee indirect ook voor minderjarige) hulp bij nodig heeft, zou het goed zijn als zij die hulp zocht.

De rechtbank heeft nota genomen van de mededeling van de vrouw dat zij en haar echtgenoot gaan deelnemen aan omgangstherapie.

De rechtbank ziet derhalve gronden om het eerder door de Raad gegeven advies te blijven volgen en te oordelen dat er begeleide omgang opgestart dient te worden bij het Omgangshuis van Trivium in Zwolle, dat zich bereid verklaard heeft de omgangscontacten alsnog te begeleiden.

Dwangsom

De door de rechtbank bij beschikking van 20 januari 2010 vastgestelde omgangsregeling is door de vrouw niet nagekomen.

De vrouw heeft daarbij het omgangshuis geen helder inzicht gegeven in haar standpunt. Zo laat zij bij monde van haar advocaat op 3 juni 2010 in een brief aan de rechtbank weten dat haars inziens voortzetting van omgang via het Omgangshuis niet in het belang van de minderjarige is en dat hieraan vooralsnog geen medewerking zal worden verleend. Zij laat echter haar partner de afspraak bij het Omgangshuis op 26 mei 2010 verplaatsen naar 26 juli 2010 vanwege haar zwangerschap en bevalling om vervolgens zonder bericht niet op deze afspraak te verschijnen.

Ook heeft de vrouw al eerder in de onderhavige procedure eigenmachtig een voorlopige omgangsregeling gestopt. De opstelling van de vrouw in onderhavige procedure rechtvaardigt een aan de vrouw te geven prikkel tot nakoming van de eerdere beschikking van deze rechtbank.

De rechtbank ziet onder verwijzing naar artikel 253a lid 5 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek aanleiding tot het opleggen van een dwangsom aan de vrouw.

Informatieregeling

Nu er tussen partijen alsnog geschil is ontstaan over de uitvoering van de informatieregeling, zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen, waarbij de rechtbank rekening heeft gehouden met het voorstel van de vrouw.

5. De beslissing

De rechtbank:

handhaaft de in onderhavige zaak genomen beslissing van 20 januari 2010;

veroordeelt de vrouw indien zij in gebreke blijft haar medewerking aan de (begeleide) omgangsbegeleiding te verlenen, tot een dwangsom van € 500,-- per dag (vijfhonderd euro) (een gedeelte van een dag daarbij inbegrepen), met een maximum van € 10.000,-- (tienduizend euro);

verwijst de zaak voorts naar de schriftelijke rolzitting van de vrijdagrol familiezaken van 8 april 2011, met het verzoek aan de advocaten van partijen de rechtbank uiterlijk een week voor voormelde datum schriftelijk te berichten over de stand van zaken met betrekking tot de begeleide omgangsregeling;

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw met ingang 1 december 2010 de man 4 keer per jaar schriftelijk en getypt, in minimaal 500 woorden, over de minderjarige informatie verstrekt over diens schoolprestaties, gezondheidssituatie, hobby’s etc. tezamen met twee recente, duidelijke en goedlijkende foto’s van de minderjarige;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, rechter-plaatsvervanger, tevens kinderrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 november 2010.