Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDOR:2010:BO1338

Instantie
Rechtbank Dordrecht
Datum uitspraak
21-10-2010
Datum publicatie
21-10-2010
Zaaknummer
11/870077-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Dordrecht heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar gevangenisstraf voor medeplegen van doodslag. Beide verdachten hebben een Ierse cafébezoeker diverse malen geslagen/gestompt en getrapt/geschopt op/tegen zijn hoofd en lichaam. Het slachtoffer is twee dagen daarna aan zijn verwondingen overleden. Het toegepaste geweld vond plaats terwijl het bewegingsloze/bewusteloze en bloedende slachtoffer op de grond lag en zich niet meer verweerde. De alcoholconsumptie van beide verdachten speelde een zeer negatieve hoofdrol. Verdachte was eerder veroordeeld voor geweldsdelicten en bovenmatig alcoholgebruik. Verdachte heeft minder en minder zwaar geweld gebruikt dan zijn medeverdachte. De medeverdachte kreeg 9 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 11/870077-10

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 oktober 2010

in de strafzaak tegen

[Verdachte],

geboren op [datum] te [plaats]

[postcode en woonplaats]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid West - De Dordtse Poorten,

Kerkeplaat 25 te Dordrecht.

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 7 oktober 2010.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht. Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en van de verklaring van [benadeelde partij 2] als nabestaande van het slachtoffer.

1 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht en maakt hiervan deel uit.

2 De voorvragen

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is dus geldig.

De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De officier van justitie is ontvankelijk.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft (kort samengevat) – het primair ten laste gelegde ‘medeplegen van doodslag’ bewezen achtend – gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaar met aftrek van voorarrest.

3.2 De verdediging

De raadsman heeft algehele vrijspraak bepleit.

3.3 De vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd [benadeelde partij 1], gemachtigde [benadeelde partij 2].

De benadeelde partij heeft gevorderd verdachte en diens medeverdachte te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 15.209,60 ter zake van materiële schadevergoeding.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering en tot oplegging van de maatregel tot schadevergoeding.

De raadsman heeft met betrekking tot de vordering niets opgemerkt.

4 De bewijsbeslissing

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

in de nacht van 25 januari 2010 op 26 januari 2010, te Dordrecht, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk de heer [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers - hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet de heer [slachtoffer] voornoemd meerdere malen met kracht geslagen en/of gestompt op/tegen diens hoofd als gevolg waarvan de heer [slachtoffer] voornoemd op de grond terecht is gekomen en

- hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet vervolgens de heer [slachtoffer] voornoemd, terwijl de heer [slachtoffer] voornoemd op de grond lag, meerdere malen met kracht geslagen en/of gestompt en getrapt en/of geschopt op/tegen

diens hoofd en op/tegen diens bovenlichaam, tengevolge waarvan de heer [slachtoffer] voornoemd (op 28 januari 2010) is overleden.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.3 Nadere bewijsoverwegingen

4.3.1

De rechtbank heeft het bewijs dat verdachte en medeverdachte het bewezen verklaarde hebben gepleegd met name gegrond op de verklaringen van de getuigen [getuige 2] (bijlage VA 6.2 en 6.3), [getuige 1] (bijlage VA 4.2) en verdachte zelf (bijlage VH 2.1 en VH 2.2). Daarnaast heeft de rechtbank in haar overwegingen betrokken een aantal van de afgeluisterde telefoongesprekken (bijlage AH.7, met name nummer G03-G37) waarin verdachte verklaart over zijn betrokkenheid bij het feit en de geweldshandelingen.

4.3.2

De raadsman heeft gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachtes opzet was gericht op de dood van het slachtoffer zodat vrijspraak dient te volgen voor het onder primair ten laste gelegde ‘medeplegen van doodslag’.

Vooropgesteld moet worden dat voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in dit geval de dood – het voldoende is indien kan worden vastgesteld, dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden en deze kans bewust heeft aanvaard.

De rechtbank heeft op grond van het onderzoek ter terechtzitting aan de hand van de verklaringen van de getuigen [getuige 2] (bijlage VA 6.2 en 6.3), [getuige 1] (bijlage VA 4.2) en verdachte (bijlage VH 2.1 en VH 2.2) vastgesteld dat verdachte en de medeverdachte – nadat de medeverdachte eerst was geslagen door het slachtoffer – het slachtoffer hebben geslagen/gestompt waardoor het slachtoffer op de grond is gevallen. De voornoemde getuigen hebben verklaard dat het slachtoffer vervolgens bewusteloos is geraakt althans dat hij niet meer bewoog. Vervolgens hebben verdachte en de medeverdachte daarna het weerloze slachtoffer met keiharde vuistslagen geslagen/gestompt op/tegen zijn hoofd en bovenlichaam en het slachtoffer getrapt/geschopt op/tegen zijn hoofd en bovenlichaam.

De rechtbank beschouwt de hiervoor vastgestelde geweldshandelingen gepleegd onder de vastgestelde omstandigheden als gedragingen, die naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op de dood, dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard.

In dit geval neemt de rechtbank daarbij nog in ogenschouw dat de vastgestelde geweldshandelingen zijn gepleegd terwijl het slachtoffer roerloos op de grond lag en zich niet verweerde.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte heeft gehandeld met het tenlastegelegde en vereiste (voorwaardelijke) opzet.

4.3.3

De raadsman heeft daarnaast vrijspraak bepleit omdat er naar zijn mening geen sprake is ‘medeplegen’. Het bewijs voor een ‘bewuste samenwerking’ en ‘gezamenlijke uitvoering’ zoals de wet en de jurisprudentie vereisen, zou daartoe ontbreken.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank vastgesteld dat er sprake was van samenhangende, elkaar aanvullende en bij gelegenheid versterkende gewelddadige uitvoeringshandelingen, gepleegd door zowel verdachte als zijn mededader.

De rechtbank concludeert dan ook dat er sprake is van – weliswaar stilzwijgende – nauwe en bewuste samenwerking bij het gezamenlijk plegen van de geweldshandelingen.

De rechtbank verwerpt het verweer.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

5.1 Het beroep op noodweer

De raadsman heeft gesteld – zakelijk weergegeven – dat verdachte een beroep op noodweer toekomt omdat hij zijn mededader wilde beschermen en daarom (twee) klappen heeft gegeven aan het latere slachtoffer.

De rechtbank verwerpt dit verweer omdat het volstrekt onvoldoende is onderbouwd en daarmee niet aannemelijk is geworden.

5.2

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

MEDEPLEGEN VAN DOODSLAG.

6 De strafbaarheid van de verdachte

6.1 De rapporten van de deskundigen

Uit het door dr. B.A. Blansjaar, psychiater, over verdachte uitgebracht rapport van 26 mei 2010 komt onder meer het navolgende naar voren.

Bij onderzochte worden geen aanwijzingen gevonden voor een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van onderzochte, noch ten tijde van het onderzoek, noch ten tijde van het ten laste gelegde. Het delict kan volledig worden toegerekend.

Uit het door drs. A.F.J.M. Zwegers, GZ-psycholoog, over verdachte uitgebracht rapport van 27 augustus 2010 komt onder meer het navolgende naar voren.

Er kon geen ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van betrokkenes geestvermogens worden aangetoond. Ten tijde van het ten laste gelegde was er evenmin sprake van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis.

Het ten laste gelegde kan niet (gedeeltelijk) vanuit een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling verklaard worden. Geadviseerd wordt om betrokkene in relatie tot het ten laste gelegde te beschouwen als volledig toerekeningsvatbaar.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank volgt de conclusies van voormelde rapporten op grond van de onderbouwing ervan en legt deze ten grondslag aan haar beslissing. Zij is van oordeel dat op grond van het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en de rapporten van voornoemde deskundigen, voldoende vast is komen te staan dat het ten laste gelegde en bewezen verklaarde strafbare feit volledig aan verdachte kan worden toegerekend.

Nu ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is verdachte strafbaar voor het door hem gepleegde strafbare feit.

7 De redenen die de straf hebben bepaald

7.1 Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte en de medeverdachte hebben zich schuldig gemaakt aan doodslag. Zij hebben een cafébezoeker zodanig toegetakeld dat deze na enige dagen aan zijn verwondingen is overleden.

Verdachte en de medeverdachte hebben in eerste instantie geprobeerd [slachtoffer] (het slachtoffer) zonder geweld het café uit te werken/geleiden. Nadat eerst het slachtoffer de medeverdachte had geslagen en vervolgens beide verdachten het slachtoffer hadden teruggeslagen, is de situatie door toedoen van verdachten volledig uit de hand gelopen. Terwijl het bewegingsloze/bewusteloze en bloedende slachtoffer op de grond lag, hebben beide verdachten diverse malen geslagen/gestompt en getrapt/geschopt op/tegen zijn hoofd en lichaam. Toen na enige tijd de ambulancemedewerkers ter plaatse kwamen, moesten zij het slachtoffer reanimeren. Het slachtoffer werd vervolgens naar het ziekenhuis gebracht alwaar hij uiteindelijk na twee dagen overleden is tengevolge van het door verdachten toegebrachte letsel.

Het meest bizarre aan dit voorval is de hele ontstaansgeschiedenis. De rechtbank heeft op grond van het strafdossier geconcludeerd dat het slachtoffer tijdens de openingstijd van het café – weliswaar in enigszins aangeschoten toestand maar op vriendelijke wijze – om een biertje heeft gevraagd. Dit is hem geweigerd door de barkeepster waarbij hem werd verzocht om het café te verlaten. Verdachten hebben daarna (op verzoek van de barkeepter) geprobeerd het slachtoffer uit het café te geleiden met alle gevolgen van dien.

De rechtbank is duidelijk geworden dat bij de geschetste gebeurtenissen de grote alcoholconsumptie van verdachte en de medeverdachte die avond/nacht een zeer belangrijke en zeer negatieve hoofdrol heeft gespeeld.

Verdachten hebben door het plegen van dit feit één van de meest ernstige en meest ingrijpende misdrijven gepleegd die het Wetboek van Strafrecht kent, namelijk iemand van het leven beroven. Levensberoving is in het algemeen reeds een delict dat voor de nabestaanden bijzonder traumatiserend is en bij hen kan leiden tot langdurige psychische schade. In dit geval kan de rechtbank zich voorstellen dat de omstandigheden als gevolg waarvan en waaronder het slachtoffer is overleden, deze schade alleen maar versterken.

Daarnaast veroorzaakt een dergelijk feit – met name door de wijze waarop en de omstandigheden waaronder het is gepleegd – in de samenleving gevoelens van afschuw en onbegrip en versterkt zij ook de in de samenleving heersende gevoelens van angst en onveiligheid.

Het aan de nabestaanden van het slachtoffer toegebrachte leed en verdriet is door de nabestaande die gebruik heeft gemaakt van het slachtofferspreekrecht op indringende wijze beschreven. De rechtbank beseft mede daardoor dat geen enkele straf recht zal doen aan het gemis dat de nabestaanden vermoedelijk hun leven lang nog zullen ervaren.

De rechtbank rekent verdachte dit feit dan ook zwaar aan, met name omdat hij reeds eerder met justitie in aanraking is gekomen ter zake van geweldsdelicten en bovenmatig alcoholgebruik. Kennelijk heeft hij daarvan weinig opgestoken althans heeft hij door het plegen van dit feit te kennen gegeven zich daaraan weinig gelegen te laten liggen. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de rol van verdachte met betrekking tot de feiten. Verdachte heeft – in vergelijking met de medeverdachte – niet het meeste en zwaarste geweld gebruikt.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van het strafbare feit en de diepgeschokte rechtsorde, niet anders kan worden gereageerd dan door het opleggen van een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur.

Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op zijn persoonlijke omstandigheden zoals deze ter terechtzitting naar voren zijn gekomen en zijn gebleken uit de over hem door de psychiater, de psycholoog en de Reclassering opgemaakte rapporten.

Bij de strafoplegging hanteert de rechtbank als uitgangspunt voor doodslag een gevangenisstraf vanaf acht jaar. De rechtbank heeft ten nadele van verdachte geen rekening gehouden met eventuele bijkomende strafverzwarende omstandigheden noch in zijn voordeel met strafverminderende omstandigheden.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar passend is.

7.2 De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij is ontvankelijk in de vordering, nu aan verdachte een straf of maatregel wordt opgelegd en aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezen verklaarde strafbare feit.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door het bewezen verklaarde strafbare feit toegebrachte schade.

De benadeelde partij vordert – mede namens andere nabestaanden – een bedrag van € 15.209,60 terzake van een aantal materiële schadeposten.

De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering gevorderd.

De raadsman heeft met betrekking tot de vordering niets opgemerkt.

De rechtbank oordeelt als volgt.

De posten 1 (kosten lijkbezorging ad € 4.424,35) en 2 (kosten begrafenis ad € 4.870,--) zijn het rechtstreekse gevolg van het bewezenverklaarde feit en dienen door verdachte en medeverdachte aan de benadeelde partij te worden vergoed.

Post 3 (hotelkosten nabestaanden januari/februari 2010 ad € 847,50) zijn eveneens een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit en zijn niet excessief, zodat ook deze kosten door verdachte en medeverdachte aan de benadeelde partij dienen te worden vergoed.

Post 4 (telefoonkosten nabestaanden) is onvoldoende onderbouwd. Uit de overgelegde Vodafone bill blijkt niet dat de daarop gefactureerde kosten het rechtstreeks gevolg zijn van het bewezenverklaarde feit. De vordering is in zoverre niet-eenvoudig van aard en de benadeelde partij dient wat deze post betreft niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Post 5 (vliegtuigkosten nabestaanden januari/februari 2010) bestaat uit vier onderdelen, te weten:

a) Ryanair creditcard statement ten name van [naam] met onder meer een bedrag van € 390,26 terzake van “ 29 Jan 10 02 Feb 10 Aer Lingus … [plaats]”. Uit dit stuk kan naar het oordeel van de rechtbank niet in voldoende mate worden afgeleid dat dit een vlucht betreft die de benadeelde partij of een van de andere nabestaanden heeft gemaakt in verband met het overlijden van het slachtoffer. De vordering is in zoverre niet-eenvoudig van aard en de benadeelde partij dient wat dit onderdeel betreft niet-ontvankelijk te worden verklaard;

b) Email confirmation betreffende een vlucht op 26 januari 2010 van Dublin naar Amsterdam en een retourvlucht op 27 januari 2010 ‘s avonds van Amsterdam naar Dublin van [naam] en [naam]. De rechtbank acht voldoende aannemelijk geworden dat de aan deze vluchten verbonden kosten ad € 1.110,52 door de benadeelde partij zijn gemaakt vanwege de medische toestand waarin het slachtoffer op dat moment door toedoen van verdachte en medeverdachte verkeerde. Deze post kan derhalve worden toegewezen;

c) Air Lingus passenger itinerary and receipt betreffende een vlucht op 27 januari 2010 ‘s ochtends van Dublin naar Amsterdam en een retourvlucht op 28 januari 2010 van Amsterdam naar Dublin van van [naam] en [naam]. Gelet op de hiervoor onder b) vermelde avondvlucht op 27 januari 2010 is dit onderdeel onvoldoende onderbouwd. De vordering is in zoverre niet-eenvoudig van aard en de benadeelde partij dient wat dit onderdeel betreft niet-ontvankelijk te worden verklaard;

d) Passenger itinerary and receipt email gericht aan [benadeelde partij 2] betreffende een vlucht van hem op 2 februari 2010 van Amsterdam naar Dublin. De rechtbank acht voldoende aannemelijk geworden dat de aan deze vlucht verbonden kosten ad € 159,30 door [benadeelde partij 2], broer van het slachtoffer, zijn gemaakt vanwege het overlijden van laatstgenoemde.

De posten 6, 7 en 8 betreffen kosten door de benadeelde partij en andere nabestaanden gemaakt in verband met de strafzitting op 7 oktober 2010. Aldus is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van kosten die het rechtstreeks gevolg zijn van het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij dient derhalve wat deze posten betreft niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.

Samenvattend: de rechtbank wijst toe de posten 1 (€ 4.424,35), 2 (€ 4.870,--), 3 (847,50) en 5 deels (€ 1.110,52 en € 159,30), in totaal € 11.411,67. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Voor zoveel dit bedrag niet door de benadeelde partij zelf is betaald, zal de rechtbank het toch integraal toewijzen. Ter zitting is door de gemachtigde van de benadeelde partij aangegeven dat de betreffende nabestaanden om proces-economische redenen er voor gekozen hebben om hun vorderingen via de benadeelde partij in te dienen en dat laatstgenoemde voor doorbetaling van de betreffende bedragen aan de andere nabestaanden zorg zal dragen. De rechtbank zal zich bij deze praktische handelwijze aansluiten.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toewijzen, zodat verdachte en de medeverdachte beiden aangesproken kunnen worden voor het gehele toe te wijzen bedrag.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor wat betreft de niet toegewezen gedeelten van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat deze gedeelten van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.

Naast toewijzing van de civiele vordering zal de rechtbank als extra waarborg voor de schadevergoeding tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.

8 De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregel berusten op de artikelen 36f, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.1 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het onder 5 vermelde strafbare feit oplevert;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van acht (8) jaren;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak

in voorarrest is doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het

onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] (gemachtigde: [benadeelde partij 2]), van € 11.411,67 ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door de medeverdachte is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de nabestaande van het

het slachtoffer [benadeelde partij 1] (gemachtigde [benadeelde partij 2]), te betalen € 11.411,67, bij niet betaling te vervangen door tweeënnegentig (92) dagen hechtenis;

- met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door de medeverdachte is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering, met bepaling dat de resterende gedeelten van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht, met veroordeling tevens van de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter, mr. G.J. Schiffers-Hanssen en mr. G.A.J.M. van Vugt, rechters, in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 oktober 2010.

Mr. Wouters en mr. Van Vugt zijn wegens afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: De tenlastelegging

hij in de nacht van 25 januari 2010 op 26 januari 2010, althans op of omstreeks 26 januari 2010, te Dordrecht, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk de heer [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers - heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet de heer [slachtoffer] voornoemd meerdere malen, althans éénmaal, (telkens) (met kracht) geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt op/tegen diens hoofd en/of op/

tegen diens bovenlichaam, althans op/tegen diens lichaam, als gevolg waarvan de heer [slachtoffer] voornoemd op de grond terecht is gekomen en/of diens bewustzijn is verloren en/of

- heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet (vervolgens) de heer [slachtoffer] voornoemd, terwijl de heer [slachtoffer] voornoemd op de grond lag en/of niet langer bij bewustzijn was, meerdere malen, althans éénmaal, (telkens)

(met kracht) geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt op/tegen diens hoofd en/of op/tegen diens bovenlichaam, althans op/tegen diens lichaam, tengevolge waarvan de heer [slachtoffer] voornoemd (op 28 januari 2010) is overleden;

SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in de nacht van 25 januari 2010 op 26 januari 2010, althans op of omstreeks 26 januari 2010, te Dordrecht, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten de heer [slachtoffer]),

- meerdere malen, althans éénmaal, (telkens) (met kracht) heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt op/tegen diens hoofd en/of op/tegen diens bovenlichaam, althans op/tegen diens lichaam, als gevolg waarvan de heer [slachtoffer] voornoemd op de grond terecht is gekomen en/of diens bewustzijn is verloren en/of - (vervolgens), terwijl de heer [slachtoffer] voornoemd op de grond lag en/of niet langer bij bewustzijn was, meerdere malen, althans éénmaal, (telkens) (met kracht) heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt op/tegen diens hoofd en/of op/tegen diens bovenlichaam, althans op/tegen diens lichaam, tengevolge waarvan de heer [slachtoffer] voornoemd (op 28 januari 2010) is overleden.